וַיְהִ֖י בִּימֵ֣י אֲחַשְׁוֵר֑וֹשׁ ה֣וּא אֲחַשְׁוֵר֗וֹשׁ הַמֹּלֵךְ֙ מֵהֹ֣דּוּ וְעַד־כּ֔וּשׁ שֶׁ֛בַע וְעֶשְׂרִ֥ים וּמֵאָ֖ה מְדִינָֽה׃
Het gebeurde in de dagen van Ahasveros, dezelfde Ahasveros die regeerde van India tot Ethiopië over honderdzevenentwintig provincies.
בַּיָּמִ֖ים הָהֵ֑ם כְּשֶׁ֣בֶת׀ הַמֶּ֣לֶךְ אֲחַשְׁוֵר֗וֹשׁ עַל כִּסֵּ֣א מַלְכוּת֔וֹ אֲשֶׁ֖ר בְּשׁוּשַׁ֥ן הַבִּירָֽה׃
In die dagen, toen koning Ahasveros op zijn koninklijke troon zat in de burcht Susan,
בִּשְׁנַ֤ת שָׁלוֹשׁ֙ לְמָלְכ֔וֹ עָשָׂ֣ה מִשְׁתֶּ֔ה לְכָל־שָׂרָ֖יו וַעֲבָדָ֑יו חֵ֣יל׀ פָּרַ֣ס וּמָדַ֗י הַֽפַּרְתְּמִ֛ים וְשָׂרֵ֥י הַמְּדִינ֖וֹת לְפָנָֽיו׃
in het derde jaar van zijn regering, gaf hij een feestmaal voor al zijn vorsten en dienaren, terwijl het leger van Perzië en Medië, de edelen en de stadhouders van de provincies bij hem waren,
בְּהַרְאֹת֗וֹ אֶת־עֹ֨שֶׁר֙ כְּב֣וֹד מַלְכוּת֔וֹ וְאֶ֨ת־יְקָ֔ר תִּפְאֶ֖רֶת גְּדוּלָּת֑וֹ יָמִ֣ים רַבִּ֔ים שְׁמוֹנִ֥ים וּמְאַ֖ת יֽוֹם׃
om de rijkdom van zijn glorierijke koninkrijk te tonen en de pracht van zijn verheven grootheid, vele dagen lang, honderdtachtig dagen.
וּבִמְל֣וֹאת׀ הַיָּמִ֣ים הָאֵ֗לֶּה עָשָׂ֣ה הַמֶּ֡לֶךְ לְכָל־הָעָ֣ם הַנִּמְצְאִים֩ בְּשׁוּשַׁ֨ן הַבִּירָ֜ה לְמִגָּ֧דוֹל וְעַד־קָטָ֛ן מִשְׁתֶּ֖ה שִׁבְעַ֣ת יָמִ֑ים בַּחֲצַ֕ר גִּנַּ֥ת בִּיתַ֖ן הַמֶּֽלֶךְ׃
Toen die dagen voltooid waren, gaf de koning een feestmaal voor heel het volk dat zich in de burcht Susan bevond, van groot tot klein, zeven dagen lang, in de hof van de tuin van het koninklijk paleis.
ח֣וּר׀ כַּרְפַּ֣ס וּתְכֵ֗לֶת אָחוּז֙ בְּחַבְלֵי־ב֣וּץ וְאַרְגָּמָ֔ן עַל־גְּלִ֥ילֵי כֶ֖סֶף וְעַמּ֣וּדֵי שֵׁ֑שׁ מִטּ֣וֹת׀ זָהָ֣ב וָכֶ֗סֶף עַ֛ל רִֽצְפַ֥ת בַּהַט־וָשֵׁ֖שׁ וְדַ֥ר וְסֹחָֽרֶת׃
Er waren behangsels van wit katoen en blauwe wol, vastgemaakt met koorden van fijn linnen en purper aan zilveren ringen en marmeren zuilen; rustbedden van goud en zilver stonden op een vloer van albast, marmer, parelmoer en kostbare stenen.
וְהַשְׁקוֹת֙ בִּכְלֵ֣י זָהָ֔ב וְכֵלִ֖ים מִכֵּלִ֣ים שׁוֹנִ֑ים וְיֵ֥ין מַלְכ֛וּת רָ֖ב כְּיַ֥ד הַמֶּֽלֶךְ׃
De drank werd geschonken in gouden vaten, het ene verschillend van het andere, en koninklijke wijn was er in overvloed, zoals het de vrijgevigheid van de koning betaamt.
וְהַשְּׁתִיָּ֥ה כַדָּ֖ת אֵ֣ין אֹנֵ֑ס כִּי־כֵ֣ן׀ יִסַּ֣ד הַמֶּ֗לֶךְ עַל כָּל־רַ֣ב בֵּית֔וֹ לַעֲשׂ֖וֹת כִּרְצ֥וֹן אִישׁ־וָאִֽישׁ׃
Het drinken geschiedde volgens de regel dat er geen dwang was, want zo had de koning aan alle hofmeesters van zijn huis opgedragen ieder naar eigen verlangen te laten doen.
גַּם וַשְׁתִּ֣י הַמַּלְכָּ֔ה עָשְׂתָ֖ה מִשְׁתֵּ֣ה נָשִׁ֑ים בֵּית הַמַּלְכ֔וּת אֲשֶׁ֖ר לַמֶּ֥לֶךְ אֲחַשְׁוֵרֽוֹשׁ׃
Ook koningin Vasti gaf een feestmaal voor de vrouwen in het koninklijk paleis van koning Ahasveros.
בַּיּוֹם֙ הַשְּׁבִיעִ֔י כְּט֥וֹב לֵב־הַמֶּ֖לֶךְ בַּיָּ֑יִן אָמַ֡ר לִמְהוּמָן בִּזְּתָ֨א חַרְבוֹנָ֜א בִּגְתָ֤א וַאֲבַגְתָא֙ זֵתַ֣ר וְכַרְכַּ֔ס שִׁבְעַת֙ הַסָּ֣רִיסִ֔ים הַמְשָׁ֣רְתִ֔ים אֶת־פְּנֵ֖י הַמֶּ֥לֶךְ אֲחַשְׁוֵרֽוֹשׁ׃
Op de zevende dag, toen het hart van de koning vrolijk was van de wijn, zei hij tot Mehuman, Bizta, Charbona, Bigta, Abagta, Zetar en Karkas, de zeven kamerlingen die koning Ahasveros bedienden,
לְהָבִיא אֶת־וַשְׁתִּ֧י הַמַּלְכָּ֛ה לִפְנֵ֥י הַמֶּ֖לֶךְ בְּכֶ֣תֶר מַלְכ֑וּת לְהַרְא֨וֹת הָֽעַמִּ֤ים וְהַשָּׂרִים֙ אֶת־יָפְיָ֔הּ כִּֽי־טוֹבַ֥ת מַרְאֶ֖ה הִֽיא׃
om koningin Vasti met de koninklijke kroon voor de koning te brengen, om de volken en de vorsten haar schoonheid te tonen, want zij was schoon van uiterlijk.
וַתְּמָאֵ֞ן הַמַּלְכָּ֣ה וַשְׁתִּ֗י לָבוֹא֙ בִּדְבַ֣ר הַמֶּ֔לֶךְ אֲשֶׁ֖ר בְּיַ֣ד הַסָּרִיסִ֑ים וַיִּקְצֹ֤ף הַמֶּ֙לֶךְ֙ מְאֹ֔ד וַחֲמָת֖וֹ בָּעֲרָ֥ה בֽוֹ׃
Maar koningin Vasti weigerde te komen op het bevel van de koning, dat door de kamerlingen was overgebracht, en de koning werd zeer toornig, en zijn woede ontbrandde in hem.
וַיֹּ֣אמֶר הַמֶּ֔לֶךְ לַחֲכָמִ֖ים יֹדְעֵ֣י הָֽעִתִּ֑ים כִּי־כֵן֙ דְּבַ֣ר הַמֶּ֔לֶךְ לִפְנֵ֕י כָּל־יֹדְעֵ֖י דָּ֥ת וָדִֽין׃
De koning sprak tot de wijzen die de tijden kenden, want zo was de gewoonte van de koning, alle kenners van wet en recht te raadplegen,
וְהַקָּרֹ֣ב אֵלָ֗יו כַּרְשְׁנָ֤א שֵׁתָר֙ אַדְמָ֣תָא תַרְשִׁ֔ישׁ מֶ֥רֶס מַרְסְנָ֖א מְמוּכָ֑ן שִׁבְעַ֞ת שָׂרֵ֣י׀ פָּרַ֣ס וּמָדַ֗י רֹאֵי֙ פְּנֵ֣י הַמֶּ֔לֶךְ הַיֹּשְׁבִ֥ים רִאשֹׁנָ֖ה בַּמַּלְכֽוּת׃
en degenen die het dichtst bij hem stonden waren Karsena, Setar, Admata, Tarsis, Meres, Marsena en Memuchan, de zeven vorsten van Perzië en Medië, die toegang hadden tot het aangezicht van de koning en de eerste plaatsen in het koninkrijk innamen:
כְּדָת֙ מַֽה־לַּעֲשׂ֔וֹת בַּמַּלְכָּ֖ה וַשְׁתִּ֑י עַ֣ל׀ אֲשֶׁ֣ר לֹֽא־עָשְׂתָ֗ה אֶֽת־מַאֲמַר֙ הַמֶּ֣לֶךְ אֲחַשְׁוֵר֔וֹשׁ בְּיַ֖ד הַסָּרִיסִֽים׃
‘Wat moet er volgens de wet met koningin Vasti gebeuren, omdat zij het bevel van koning Ahasveros, dat door de kamerlingen was overgebracht, niet heeft opgevolgd?’
וַיֹּ֣אמֶר מְמוּכָ֗ן לִפְנֵ֤י הַמֶּ֙לֶךְ֙ וְהַשָּׂרִ֔ים לֹ֤א עַל־הַמֶּ֙לֶךְ֙ לְבַדּ֔וֹ עָוְתָ֖ה וַשְׁתִּ֣י הַמַּלְכָּ֑ה כִּ֤י עַל־כָּל־הַשָּׂרִים֙ וְעַל־כָּל־הָ֣עַמִּ֔ים אֲשֶׁ֕ר בְּכָל־מְדִינ֖וֹת הַמֶּ֥לֶךְ אֲחַשְׁוֵרֽוֹשׁ׃
Memuchan zei ten overstaan van de koning en de vorsten: ‘Niet alleen tegen de koning heeft koningin Vasti zich misdragen, maar ook tegen alle vorsten en alle volken in alle provincies van koning Ahasveros.
כִּֽי־יֵצֵ֤א דְבַר־הַמַּלְכָּה֙ עַל־כָּל־הַנָּשִׁ֔ים לְהַבְז֥וֹת בַּעְלֵיהֶ֖ן בְּעֵינֵיהֶ֑ן בְּאָמְרָ֗ם הַמֶּ֣לֶךְ אֲחַשְׁוֵר֡וֹשׁ אָמַ֞ר לְהָבִ֨יא אֶת־וַשְׁתִּ֧י הַמַּלְכָּ֛ה לְפָנָ֖יו וְלֹא־בָֽאָה׃
Want het gedrag van de koningin zal alle vrouwen ter ore komen, zodat zij hun echtgenoten in hun ogen zullen verachten en zullen zeggen: “Koning Ahasveros gebood koningin Vasti voor hem te verschijnen, maar zij kwam niet.”
וְֽהַיּ֨וֹם הַזֶּ֜ה תֹּאמַ֣רְנָה׀ שָׂר֣וֹת פָּֽרַס־וּמָדַ֗י אֲשֶׁ֤ר שָֽׁמְעוּ֙ אֶת־דְּבַ֣ר הַמַּלְכָּ֔ה לְכֹ֖ל שָׂרֵ֣י הַמֶּ֑לֶךְ וּכְדַ֖י בִּזָּי֥וֹן וָקָֽצֶף׃
Nog deze dag zullen de edelvrouwen van Perzië en Medië, die van het gedrag van de koningin gehoord hebben, hetzelfde zeggen tegen alle vorsten van de koning, en er zal geen einde komen aan minachting en gramschap.
אִם־עַל־הַמֶּ֣לֶךְ ט֗וֹב יֵצֵ֤א דְבַר־מַלְכוּת֙ מִלְּפָנָ֔יו וְיִכָּתֵ֛ב בְּדָתֵ֥י פָֽרַס־וּמָדַ֖י וְלֹ֣א יַעֲב֑וֹר אֲשֶׁ֨ר לֹֽא־תָב֜וֹא וַשְׁתִּ֗י לִפְנֵי֙ הַמֶּ֣לֶךְ אֲחַשְׁוֵר֔וֹשׁ וּמַלְכוּתָהּ֙ יִתֵּ֣ן הַמֶּ֔לֶךְ לִרְעוּתָ֖הּ הַטּוֹבָ֥ה מִמֶּֽנָּה׃
Indien het de koning goeddunkt, laat er dan een koninklijk besluit van hem uitgaan, en laat het worden opgetekend in de wetten van Perzië en Medië, die niet herroepen kunnen worden, dat Vasti niet meer voor koning Ahasveros zal verschijnen, en laat de koning haar koninklijke waardigheid geven aan een ander die beter is dan zij.
וְנִשְׁמַע֩ פִּתְגָ֨ם הַמֶּ֤לֶךְ אֲשֶֽׁר־יַעֲשֶׂה֙ בְּכָל־מַלְכוּת֔וֹ כִּ֥י רַבָּ֖ה הִ֑יא וְכָל־הַנָּשִׁ֗ים יִתְּנ֤וּ יְקָר֙ לְבַעְלֵיהֶ֔ן לְמִגָּד֖וֹל וְעַד־קָטָֽן׃
Wanneer het besluit dat de koning uitvaardigt door heel zijn koninkrijk gehoord wordt, want het is uitgestrekt, zullen alle vrouwen hun echtgenoten eer bewijzen, van groot tot klein.’
וַיִּיטַב֙ הַדָּבָ֔ר בְּעֵינֵ֥י הַמֶּ֖לֶךְ וְהַשָּׂרִ֑ים וַיַּ֥עַשׂ הַמֶּ֖לֶךְ כִּדְבַ֥ר מְמוּכָֽן׃
Het voorstel beviel de koning en de vorsten, en de koning deed zoals Memuchan had geraden.
וַיִּשְׁלַ֤ח סְפָרִים֙ אֶל־כָּל־מְדִינ֣וֹת הַמֶּ֔לֶךְ אֶל־מְדִינָ֤ה וּמְדִינָה֙ כִּכְתָבָ֔הּ וְאֶל־עַ֥ם וָעָ֖ם כִּלְשׁוֹנ֑וֹ לִהְי֤וֹת כָּל־אִישׁ֙ שֹׂרֵ֣ר בְּבֵית֔וֹ וּמְדַבֵּ֖ר כִּלְשׁ֥וֹן עַמּֽוֹ׃
Hij zond brieven naar alle provincies van de koning, naar elke provincie in haar eigen schrift en naar elk volk in zijn eigen taal, dat iedere man heer in zijn eigen huis zou zijn en zou spreken in de taal van zijn volk.