מִזְמור שִׁיר חֲנֻכַּת הַבַּיִת לְדָוִד: אֲרומִמְךָ ה' כִּי דִלִּיתָנִי. וְלא שמַּחְתָּ איְבַי לִי: ה' אֱלהָי. שִׁוַּעְתִּי אֵלֶיךָ וַתִּרְפָּאֵנִי: ה' הֶעֱלִיתָ מִן שְׁאול נַפְשִׁי. חִיִּיתַנִי מִיָּרְדִי בור: זַמְּרוּ לה' חֲסִידָיו. וְהודוּ לְזֵכֶר קָדְשׁו: כִּי רֶגַע בְּאַפּו חַיִּים בִּרְצונו. בָּעֶרֶב יָלִין בֶּכִי וְלַבּקֶר רִנָּה: וַאֲנִי אָמַרְתִּי בְשַׁלְוִי. בַּל אֶמּוט לְעולָם: ה' בִּרְצונְךָ הֶעֱמַדְתָּה לְהַרְרִי עז. הִסְתַּרְתָּ פָנֶיךָ הָיִיתִי נִבְהָל: אֵלֶיךָ ה' אֶקְרָא וְאֶל אֲדנָי אֶתְחַנָּן: מַה בֶּצַע בְּדָמִי בְּרִדְתִּי אֶל שַׁחַת. הֲיודְךָ עָפָר הֲיַגִּיד אֲמִתֶּךָ: שְׁמַע ה' וְחָנֵּנִי ה' הֱיֵה עזֵר לִי: הָפַכְתָּ מִסְפְּדִי לְמָחול לִי פִּתַּחְתָּ שקִּי וַתְּאַזְּרֵנִי שמְחָה: לְמַעַן יְזַמֶּרְךָ כָבוד וְלא יִדּם. ה' אֱלהַי לְעולָם אודֶךָּ:
Een psalm, een lied voor de inwijding van het huis, van David: Ik zal U verheffen, Eeuwige, want U hebt mij opgericht en mijn vijanden niet over mij laten juichen; Eeuwige, mijn God, ik riep tot U, en U hebt mij genezen; Eeuwige, U hebt mijn ziel uit het dodenrijk opgevoerd, U hebt mij in leven gehouden, zodat ik niet in de kuil neerdaalde; zingt voor de Eeuwige, gij Zijn vromen, en dankt Zijn heilige naam; want Zijn toorn duurt slechts een ogenblik, Zijn welbehagen een leven lang; des avonds vernacht het geween, maar des morgens komt er gejuich; wat mij betreft, ik zei in mijn voorspoed: ik zal nooit wankelen; Eeuwige, door Uw welbehagen hebt U mijn berg vast doen staan; U verborg Uw aangezicht, en ik werd verschrikt; tot U, Eeuwige, riep ik, en tot mijn Heer smeekte ik; wat baat is er in mijn bloed, in mijn neerdalen in de kuil; zal het stof U prijzen, zal het Uw trouw verkondigen; hoor, Eeuwige, en wees mij genadig; Eeuwige, wees mijn helper; U hebt mijn rouwklacht voor mij in een reidans veranderd; U hebt mijn rouwgewaad losgemaakt en mij met vreugde omgord; opdat mijn eer U lof zinge en niet zwijge; Eeuwige, mijn God, ik zal U voor eeuwig danken:
אבל: יִתְגַּדַּל וְיִתְקַדַּשׁ שְׁמֵהּ רַבָּא. [קהל: אמן]
בְּעָלְמָא דִּי בְרָא כִרְעוּתֵהּ וְיַמְלִיךְ מַלְכוּתֵהּ בְּחַיֵּיכון וּבְיומֵיכון וּבְחַיֵּי דְכָל בֵּית יִשרָאֵל בַּעֲגָלָא וּבִזְמַן קָרִיב, וְאִמְרוּ אָמֵן: [קהל: אמן]
קהל ואבל: יְהֵא שְׁמֵהּ רַבָּא מְבָרַךְ לְעָלַם וּלְעָלְמֵי עָלְמַיָּא:
אבל: יִתְבָּרַךְ וְיִשְׁתַּבַּח וְיִתְפָּאַר וְיִתְרומַם וְיִתְנַשּא וְיִתְהַדָּר וְיִתְעַלֶּה וְיִתְהַלָּל שְׁמֵהּ דְּקֻדְשָׁא. בְּרִיךְ הוּא. [קהל: בריך הוא:]
לְעֵלָּא מִן כָּל בִּרְכָתָא וְשִׁירָתָא תֻּשְׁבְּחָתָא וְנֶחֱמָתָא דַּאֲמִירָן בְּעָלְמָא. וְאִמְרוּ אָמֵן: [קהל: אמן]
יְהֵא שְׁלָמָא רַבָּא מִן שְׁמַיָּא וְחַיִּים עָלֵינוּ וְעַל כָּל יִשרָאֵל. וְאִמְרוּ אָמֵן: [קהל: אמן]
עושה שָׁלום בִּמְרומָיו הוּא יַעֲשה שָׁלום עָלֵינוּ וְעַל כָּל יִשרָאֵל וְאִמְרוּ אָמֵן: [קהל: אמן]
Rouwende: Moge Zijn grote naam verheven en geheiligd worden; [Gemeente: Amen]
In de wereld die Hij naar Zijn wil geschapen heeft, en moge Hij Zijn koningschap vestigen tijdens uw leven en in uw dagen, en tijdens het leven van het gehele huis van Jisraeel, spoedig en weldra, en zegt: Amen; [Gemeente: Amen]
Gemeente en Rouwende: Moge Zijn grote naam gezegend zijn voor eeuwig en in alle eeuwigheid:
Rouwende: Moge gezegend, geprezen, verheerlijkt, verhoogd, geroemd, geëerd, opgeheven en bezongen worden de naam van de Heilige, gezegend zij Hij; [Gemeente: Gezegend zij Hij]
Boven alle zegeningen en lofzangen, lofprijzingen en vertroostingen die in de wereld worden uitgesproken; en zegt: Amen; [Gemeente: Amen]
Moge er overvloedige vrede zijn uit de hemel en leven over ons en over heel Jisraeel; en zegt: Amen; [Gemeente: Amen]
Hij die vrede sticht in Zijn hoogten, moge Hij vrede stichten over ons en over heel Jisraeel; en zegt: Amen; [Gemeente: Amen]
בָּרוּךְ שֶׁאָמַר וְהָיָה הָעולָם. בָּרוּךְ הוּא. בָּרוּךְ עושה בְרֵאשִׁית. בָּרוּךְ אומֵר וְעושה. בָּרוּךְ גּוזֵר וּמְקַיֵּם. בָּרוּךְ מְרַחֵם עַל הָאָרֶץ. בָּרוּךְ מְרַחֵם עַל הַבְּרִיּות. בָּרוּךְ מְשַׁלֵּם שכָר טוב לִירֵאָיו. בָּרוּךְ חַי לָעַד וְקַיָּם לָנֶצַח. בָּרוּךְ פּודֶה וּמַצִּיל. בָּרוּךְ שְׁמו: בָּרוּךְ אַתָּה ה' אֱלהֵינוּ מֶלֶךְ הָעולָם. הָאֵל הָאָב הָרַחֲמָן הַמְהֻלָּל בְּפִי עַמּו. מְשֻׁבָּח וּמְפאָר בִּלְשׁון חֲסִידָיו וַעֲבָדָיו. וּבְשִׁירֵי דָוִד עַבְדֶּךָ. נְהַלֶּלְךָ ה' אֱלהֵינוּ בִּשְׁבָחות וּבִזְמִירות. נְגַדֶּלְךָ וּנְשַׁבֵּחֲךָ וּנְפָאֶרְךָ וְנַזְכִּיר שִׁמְךָ וְנַמְלִיכְךָ מַלְכֵּנוּ אֱלהֵינוּ. יָחִיד חֵי הָעולָמִים. מֶלֶךְ מְשֻׁבָּח וּמְפאָר עֲדֵי עַד שְׁמו הַגָּדול: בָּרוּךְ אַתָּה ה' מֶלֶךְ מְהֻלָּל בַּתִּשְׁבָּחות:
Gezegend is Hij die sprak, en de wereld kwam tot aanzijn; gezegend zij Hij; gezegend is Hij die in het begin schept; gezegend is Hij die zegt en doet; gezegend is Hij die verordent en vervult; gezegend is Hij die zich over de aarde ontfermt; gezegend is Hij die zich over de schepselen ontfermt; gezegend is Hij die een goed loon geeft aan hen die Hem vrezen; gezegend is Hij die eeuwig leeft en in eeuwigheid bestaat; gezegend is Hij die verlost en bevrijdt; gezegend zij Zijn naam; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning van de wereld, de God, de barmhartige Vader, geprezen door de mond van Zijn volk, geroemd en verheerlijkt door de tong van Zijn vromen en Zijn dienaren; en met de liederen van David, Uw dienaar, zullen wij U prijzen, Eeuwige, onze God, met lofzangen en melodieën; wij zullen U verheffen, U prijzen, U verheerlijken, Uw naam noemen en Uw koningschap uitroepen, onze Koning, onze God; Enige, Leven van de werelden, Koning, geprezen en verheerlijkt tot in eeuwigheid, Zijn grote naam; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Koning, geprezen met lofzangen:
הודוּ לה' קִרְאוּ בִשְׁמו. הודִיעוּ בָעַמִּים עֲלִילותָיו: שִׁירוּ לו זַמְּרוּ לו. שיחוּ בְּכָל נִפְלְאותָיו: הִתְהַלְלוּ בְּשֵׁם קָדְשׁו. יִשמַח לֵב מְבַקְשֵׁי ה': דִּרְשׁוּ ה' וְעֻזּו. בַּקְּשׁוּ פָנָיו תָּמִיד: זִכְרוּ נִפְלְאותָיו אֲשֶׁר עָשה. מפְתָיו וּמִשְׁפְּטֵי פִיהוּ: זֶרַע יִשרָאֵל עַבְדּו. בְּנֵי יַעֲקב בְּחִירָיו: הוּא ה' אֱלהֵינוּ. בְּכָל הָאָרֶץ מִשְׁפָּטָיו: זִכְרוּ לְעולָם בְּרִיתו. דָּבָר צִוָּה לְאֶלֶף דּור: אֲשֶׁר כָּרַת אֶת אַבְרָהָם. וּשְׁבוּעָתו לְיִצְחָק: וַיַּעֲמִידֶהָ לְיַעֲקב לְחק. לְיִשרָאֵל בְּרִית עולָם: לֵאמר. לְךָ אֶתֵּן אֶרֶץ כְּנָעַן. חֶבֶל נַחֲלַתְכֶם: בִּהְיותְכֶם מְתֵי מִסְפָּר. כִּמְעַט וְגָרִים בָּהּ: וַיִּתְהַלְּכוּ מִגּוי אֶל גּוי. וּמִמַּמְלָכָה אֶל עַם אַחֵר: לא הִנִּיחַ לְאִישׁ לְעָשְׁקָם. וַיּוכַח עֲלֵיהֶם מְלָכִים: אַל תִּגְּעוּ בִּמְשִׁיחָי וּבִנְבִיאַי אַל תָּרֵעוּ: שִׁירוּ לה' כָּל הָאָרֶץ. בַּשּרוּ מִיּום אֶל יום יְשׁוּעָתו: סַפְּרוּ בַגּויִם אֶת כְּבודו. בְּכָל הָעַמִּים נִפְלְאתָיו: כִּי גָדול ה' וּמְהֻלָּל מְאד. וְנורָא הוּא עַל כָּל אֱלהִים: כִּי כָּל אֱלהֵי הָעַמִּים אֱלִילִים [כאן צריך להפסיק] וה' שָׁמַיִם עָשה: הוד וְהָדָר לְפָנָיו. עז וְחֶדְוָה בִּמְקומו: הָבוּ לה' מִשְׁפְּחות עַמִּים. הָבוּ לה' כָּבוד וָעז: הָבוּ לה' כְּבוד שְׁמו. שאוּ מִנְחָה וּבאוּ לְפָנָיו. הִשְׁתַּחֲווּ לה' בְּהַדְרַת קדֶשׁ: חִילוּ מִלְּפָנָיו כָּל הָאָרֶץ. אַף תִּכּון תֵּבֵל בַּל תִּמּוט: יִשמְחוּ הַשָּׁמַיִם וְתָגֵל הָאָרֶץ. וְיאמְרוּ בַגּויִם ה' מָלָךְ: יִרְעַם הַיָּם וּמְלאו. יַעֲלץ הַשּדֶה וְכָל אֲשֶׁר בּו: אָז יְרַנְּנוּ עֲצֵי הַיָּעַר מִלִּפְנֵי ה'. כִּי בָא לִשְׁפּוט אֶת הָאָרֶץ: הודוּ לה'. כִּי טוב. כִּי לְעולָם חַסְדּו: וְאִמְרוּ. הושִׁיעֵנוּ אֱלהֵי יִשְׁעֵנוּ. וְקַבְּצֵנוּ וְהַצִּילֵנוּ מִן הַגּויִם.
Dankt de Eeuwige, roept Zijn naam aan; maakt onder de volken Zijn daden bekend; zingt voor Hem, speelt voor Hem; spreekt van al Zijn wonderen; beroemt u op Zijn heilige naam; laat het hart van wie de Eeuwige zoeken zich verheugen; zoekt de Eeuwige en Zijn kracht; zoekt steeds Zijn aangezicht; gedenkt Zijn wonderen die Hij gedaan heeft, Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond; o zaad van Jisraeel, Zijn dienaar, kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen; Hij is de Eeuwige, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde; gedenkt Zijn verbond voor eeuwig, het woord dat Hij geboden heeft tot in duizend geslachten; dat Hij met Abraham sloot, en Zijn eed aan Isaäk; en Hij stelde het voor Jakob vast als een inzetting, voor Jisraeel als een eeuwig verbond; zeggende: Aan u zal Ik het land Kanaän geven, het deel van uw erfenis; toen u gering in getal waart, zeer weinig, en vreemdelingen daarin; en zij zwierven van natie tot natie, van het ene koninkrijk tot een ander volk; Hij liet niemand toe hen te verdrukken, en Hij bestrafte koningen omwille van hen; Raakt Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad; zingt voor de Eeuwige, gij gehele aarde; verkondigt Zijn heil van dag tot dag; verhaalt Zijn eer onder de naties, Zijn wonderen onder alle volken; want groot is de Eeuwige en hooggeprezen, en Hij is te vrezen boven alle goden; want alle goden van de volken zijn afgoden [pauze hier], maar de Eeuwige heeft de hemelen gemaakt; luister en majesteit zijn voor Hem, kracht en vreugde in Zijn plaats; geeft de Eeuwige, o geslachten van de volken, geeft de Eeuwige eer en kracht; geeft de Eeuwige de eer van Zijn naam; brengt een offergave en komt voor Hem; aanbidt de Eeuwige in de luister van heiligheid; beeft voor Hem, gij gehele aarde; voorwaar, de wereld staat vast, zij zal niet wankelen; laat de hemelen zich verheugen, en laat de aarde zich verblijden; en laat men onder de naties zeggen: De Eeuwige regeert; laat de zee bruisen en al wat haar vult; laat het veld jubelen en al wat erin is; dan zullen de bomen van het woud zingen van vreugde voor de Eeuwige, want Hij komt om de aarde te oordelen; dankt de Eeuwige, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid duurt eeuwig; en zegt: Verlos ons, God van ons heil, en verzamel ons en bevrijd ons van de naties,
לְהדות לְשֵׁם קָדְשֶׁךָ. לְהִשְׁתַּבֵּחַ בִּתְהִלָּתֶךָ: בָּרוּךְ ה' אֱלהֵי יִשרָאֵל מִן הָעולָם וְעַד הָעולָם:
om Uw heilige naam te danken, om ons te beroemen op Uw lof; Gezegend is de Eeuwige, God van Jisraeel, van eeuwigheid tot eeuwigheid:
וַיּאמְרוּ כָל הָעָם אָמֵן וְהַלֵּל לה': רומְמוּ ה' אֱלהֵינוּ וְהִשְׁתַּחֲווּ לַהֲדם רַגְלָיו. קָדושׁ הוּא: רומְמוּ ה' אֱלהֵינוּ וְהִשְׁתַּחֲווּ לְהַר קָדְשׁו. כִּי קָדושׁ ה' אֱלהֵינוּ: וְהוּא רַחוּם יְכַפֵּר עָון וְלא יַשְׁחִית. וְהִרְבָּה לְהָשִׁיב אַפּו וְלא יָעִיר כָּל חֲמָתו: אַתָּה ה' לא תִכְלָא רַחֲמֶיךָ מִמֶּנִּי. חַסְדְּךָ וַאֲמִתְּךָ תָּמִיד יִצְּרוּנִי: זְכר רַחֲמֶיךָ ה'. וַחֲסָדֶיךָ. כִּי מֵעולָם הֵמָּה: תְּנוּ עז לֵאלהִים עַל יִשרָאֵל גַּאֲוָתו. וְעֻזּו בַּשְּׁחָקִים: נורָא אֱלהִים מִמִּקְדָּשֶׁיךָ. אֵל יִשרָאֵל.
הוּא נותֵן עז וְתַעֲצֻמות לָעָם. בָּרוּךְ אֱלהִים: אֵל נְקָמות ה'. אֵל נְקָמות הופִיעַ: הִנָּשא שׁפֵט הָאָרֶץ הָשֵׁב גְּמוּל עַל גֵּאִים: לה' הַיְשׁוּעָה. עַל עַמְּךָ בִרְכָתֶךָ סֶּלָה: ה' צְבָאות עִמָּנוּ. מִשגָּב לָנוּ אֱלהֵי יַעֲקב סֶלָה: ה' צְבָאות. אַשְׁרֵי אָדָם בּטֵחַ בָּךְ: ה' הושִׁיעָה. הַמֶּלֶךְ יַעֲנֵנוּ בְיום קָרְאֵנוּ: הושִׁיעָה אֶת עַמֶּךָ וּבָרֵךְ אֶת נַחֲלָתֶךָ. וּרְעֵם וְנַשּאֵם עַד הָעולָם: נַפְשֵׁנוּ חִכְּתָה לה'. עֶזְרֵנוּ וּמָגִנֵּנוּ הוּא: כִּי בו יִשמַח לִבֵּנוּ. כִּי בְשֵׁם קָדְשׁו בָטָחְנוּ: יְהִי חַסְדְּךָ ה' עָלֵינוּ. כַּאֲשֶׁר יִחַלְנוּ לָךְ: הַרְאֵנוּ ה' חַסְדֶּךָ. וְיֶשְׁעֲךָ תִּתֶּן לָנוּ: קוּמָה עֶזְרָתָה לָנוּ. וּפְדֵנוּ לְמַעַן חַסְדֶּךָ: אָנכִי ה' אֱלהֶיךָ הַמַּעַלְךָ מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם. הַרְחֶב פִּיךָ וַאֲמַלְאֵהוּ: אַשְׁרֵי הָעָם שֶׁכָּכָה לּו. אַשְׁרֵי הָעָם שֶׁה' אֱלהָיו: וַאֲנִי בְּחַסְדְּךָ בָטַחְתִּי. יָגֵל לִבִּי בִּישׁוּעָתֶךָ. אָשִׁירָה לה' כִּי גָמַל עָלָי:
En heel het volk zeide: Amen, en lof aan de Eeuwige. Verheft de Eeuwige, onze God, en buigt u neer voor Zijn voetbank; heilig is Hij. Verheft de Eeuwige, onze God, en buigt u neer naar Zijn heilige berg, want heilig is de Eeuwige, onze God. En Hij, de Barmhartige, verzoent de zonde en verderft niet; dikwijls wendt Hij Zijn toorn af en wekt niet al Zijn gramschap op. Gij, Eeuwige, zult Uw ontferming niet voor mij weerhouden; Uw goedertierenheid en Uw waarheid zullen mij altijd behoeden. Gedenk Uw ontferming, Eeuwige, en Uw genade, want zij zijn van eeuwigheid. Geeft sterkte aan God; over Israël is Zijn majesteit, en Zijn kracht is in de hemelen. Ontzagwekkend is God vanuit Uw heiligdommen; de God van Israël.
Hij geeft sterkte en machten aan het volk; gezegend zij God. God der wraak, Eeuwige; God der wraak, verschijn. Verhef U, Rechter der aarde; vergeld de hovaardigen naar hun verdienste. Bij de Eeuwige is de redding; over Uw volk zij Uw zegen. Sela. De Eeuwige der heerscharen is met ons; een burcht is voor ons de God van Jakob. Sela. Eeuwige der heerscharen, gelukkig de mens die op U vertrouwt. Eeuwige, red ons; de Koning antwoorde ons op de dag dat wij roepen. Red Uw volk en zegen Uw erfdeel; weid hen en draag hen tot in eeuwigheid. Onze ziel verwacht de Eeuwige; Hij is onze hulp en ons schild. Want in Hem verheugt zich ons hart, want op Zijn heilige Naam vertrouwen wij. Moge Uw goedertierenheid, Eeuwige, over ons zijn, zoals wij op U hopen. Toon ons, Eeuwige, Uw goedertierenheid, en geef ons Uw heil. Sta op tot hulp voor ons, en verlos ons omwille van Uw goedertierenheid. Ik ben de Eeuwige, uw God, die u heeft doen optrekken uit het land Egypte; open uw mond wijd, en Ik zal hem vullen. Gelukkig het volk wiens deel dit is; gelukkig het volk wiens God de Eeuwige is. En ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal juichen in Uw heil. Ik zal zingen voor de Eeuwige, want Hij heeft mij weldaden bewezen.
מִזְמור לְתודָה. הָרִיעוּ לה' כָּל הָאָרֶץ: עִבְדוּ אֶת ה' בְּשמְחָה. בּאוּ לְפָנָיו בִּרְנָנָה: דְּעוּ כִּי ה' הוּא אֱלהִים. הוּא עָשנוּ. וְלו אֲנַחְנוּ עַמּו וְצאן מַרְעִיתו: בּאוּ שְׁעָרָיו בְּתודָה. חֲצֵרתָיו בִּתְהִלָּה. הודוּ לו בָּרְכוּ שְׁמו: כִּי טוב ה'. לְעולָם חַסְדּו. וְעַד דּר וָדר אֱמוּנָתו:
Een psalm van dankzegging; juicht voor de Eeuwige, gij gehele aarde; dient de Eeuwige met blijdschap; komt voor Hem met vrolijk gezang; weet dat de Eeuwige, Hij is God; Hij heeft ons gemaakt, en wij zijn de Zijnen, Zijn volk en de kudde van Zijn weide; gaat Zijn poorten binnen met dankzegging, Zijn voorhoven met lofprijzing; dankt Hem, zegent Zijn naam; want de Eeuwige is goed; Zijn goedertierenheid duurt eeuwig, en Zijn trouw tot in alle geslachten:
יְהִי כְבוד ה' לְעולָם. יִשמַח ה' בְּמַעֲשיו: יְהִי שֵׁם ה' מְברָךְ. מֵעַתָּה וְעַד עולָם: מִמִּזְרַח שֶׁמֶשׁ עַד מְבואו. מְהֻלָּל שֵׁם ה': רָם עַל כָּל גּויִם ה'. עַל הַשָּׁמַיִם כְּבודו: ה' שִׁמְךָ לְעולָם. ה' זִכְרְךָ לְדור וָדור: ה' בַּשָׁמַיִם הֵכִין כִּסְאו. וּמַלְכוּתו בַּכּל מָשָׁלָה: יִשמְחוּ הַשָּׁמַיִם וְתָגֵל הָאָרֶץ. וְיאמְרוּ בַגּויִם ה' מָלָךְ: ה' מֶלֶךְ. ה' מָלָךְ. ה' יִמְלךְ לְעולָם וָעֶד: ה' מֶלֶךְ עולָם וָעֶד. אָבְדוּ גויִם מֵאַרְצו: ה' הֵפִיר עֲצַת גּויִם. הֵנִיא מַחְשְׁבות עַמִּים: רַבּות מַחֲשָׁבות בְּלֶב אִישׁ. וַעֲצַת ה' הִיא תָקוּם: עֲצַת ה' לְעולָם תַּעֲמד. מַחְשְׁבות לִבּו לְדר וָדר: כִּי הוּא אָמַר וַיֶּהִי. הוּא צִוָּה וַיַּעֲמד: כִּי בָחַר ה' בְּצִיּון. אִוָּהּ לְמושָׁב לו: כִּי יַעֲקב בָּחַר לו יָהּ. יִשרָאֵל לִסְגֻלָּתו: כִּי לא יִטּשׁ ה' עַמּו. וְנַחֲלָתו לא יַעֲזב: וְהוּא רַחוּם יְכַפֵּר עָון וְלא יַשְׁחִית. וְהִרְבָּה לְהָשִׁיב אַפּו. וְלא יָעִיר כָּל חֲמָתו: ה' הושִׁיעָה. הַמֶּלֶךְ יַעֲנֵנוּ בְיום קָרְאֵנוּ:
Moge de eer van de Eeuwige eeuwig duren; moge de Eeuwige zich verheugen in Zijn werken; moge de naam van de Eeuwige gezegend zijn van nu af en voor eeuwig; van de opgang van de zon tot haar ondergang is de naam van de Eeuwige geprezen; de Eeuwige is verheven boven alle naties, Zijn eer boven de hemelen; Eeuwige, Uw naam duurt eeuwig; Eeuwige, Uw gedachtenis is tot in alle geslachten; de Eeuwige heeft Zijn troon in de hemelen gevestigd, en Zijn koningschap heerst over alles; laat de hemelen zich verheugen, en laat de aarde zich verblijden, en laat men onder de naties zeggen: De Eeuwige regeert; de Eeuwige regeert; de Eeuwige heeft geregeerd; de Eeuwige zal regeren voor eeuwig en altijd; de Eeuwige regeert over de wereld voor eeuwig; naties zijn van Zijn land vergaan; de Eeuwige heeft de raad van naties verijdeld; Hij heeft de plannen van volken verstoord; vele zijn de gedachten in het hart van de mens, maar de raad van de Eeuwige zal standhouden; de raad van de Eeuwige houdt eeuwig stand, de gedachten van Zijn hart tot in alle geslachten; want Hij sprak, en het was er; Hij gebood, en het stond vast; want de Eeuwige heeft Sion verkoren; Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats; want de Eeuwige heeft Jakob voor Zich verkoren, Jisraeel als Zijn kostbaar bezit; want de Eeuwige zal Zijn volk niet verlaten, noch Zijn erfenis prijsgeven; en Hij, de Barmhartige, zal de ongerechtigheid verzoenen en niet verderven; Hij heeft dikwijls Zijn toorn afgewend en wekt niet al Zijn gramschap op; Eeuwige, verlos ons; moge de Koning ons antwoorden op de dag dat wij roepen:
אַשְׁרֵי יושְׁבֵי בֵיתֶךָ. עוד יְהַלְלוּךָ סֶּלָה: אַשְׁרֵי הָעָם שֶׁכָּכָה לּו. אַשְׁרֵי הָעָם שֶׁה' אֱלהָיו: תְּהִלָּה לְדָוִד. אֲרומִמְךָ אֱלוהַי הַמֶּלֶךְ. וַאֲבָרְכָה שִׁמְךָ לְעולָם וָעֶד: בְּכָל יום אֲבָרְכֶךָּ. וַאֲהַלְלָה שִׁמְךָ לְעולָם וָעֶד: גָּדול ה' וּמְהֻלָּל מְאד. וְלִגְדֻלָּתו אֵין חֵקֶר: דּור לְדור יְשַׁבַּח מַעֲשיךָ. וּגְבוּרתֶיךָ יַגִּידוּ: הֲדַר כְּבוד הודֶךָ. וְדִבְרֵי נִפְלְאתֶיךָ אָשיחָה: וֶעֱזוּז נורְאתֶיךָ יאמֵרוּ. וּגְדֻלָּתְךָ אֲסַפְּרֶנָּה: זֵכֶר רַב טוּבְךָ יַבִּיעוּ. וְצִדְקָתְךָ יְרַנֵּנוּ: חַנּוּן וְרַחוּם ה'. אֶרֶךְ אַפַּיִם וּגְדָל חָסֶד: טוב ה' לַכּל. וְרַחֲמָיו עַל כָּל מַעֲשיו: יודוּךָ ה' כָּל מַעֲשיךָ. וַחֲסִידֶיךָ יְבָרְכוּכָה: כְּבוד מַלְכוּתְךָ יאמֵרוּ. וּגְבוּרָתְךָ יְדַבֵּרוּ: לְהודִיעַ לִבְנֵי הָאָדָם גְּבוּרתָיו. וּכְבוד הֲדַר מַלְכוּתו: מַלְכוּתְךָ מַלְכוּת כָּל עולָמִים. וּמֶמְשַׁלְתְּךָ בְּכָל דּור וָדר: סומֵךְ ה' לְכָל הַנּפְלִים. וְזוקֵף לְכָל הַכְּפוּפִים: עֵינֵי כל אֵלֶיךָ יְשבֵּרוּ. וְאַתָּה נותֵן לָהֶם אֶת אָכְלָם בְּעִתּו: פּותֵחַ אֶת יָדֶךָ. וּמַשבִּיעַ לְכָל חַי רָצון: צַדִּיק ה' בְּכָל דְּרָכָיו. וְחָסִיד בְּכָל מַעֲשיו קָרוב ה' לְכָל קרְאָיו. לְכל אֲשֶׁר יִקְרָאֻהוּ בֶאֱמֶת: רְצון יְרֵאָיו יַעֲשה. וְאֶת שַׁוְעָתָם יִשְׁמַע וְיושִׁיעֵם: שׁומֵר ה' אֶת כָּל אהֲבָיו. וְאֵת כָּל הָרְשָׁעִים יַשְׁמִיד: תְּהִלַּת ה' יְדַבֶּר פִּי. וִיבָרֵךְ כָּל בָּשר שֵׁם קָדְשׁו לְעולָם וָעֶד: וַאֲנַחְנוּ נְבָרֵךְ יָהּ מֵעַתָּה וְעַד עולָם. הַלְלוּיָהּ:
Gelukkig zij die in Uw huis wonen; zij zullen U immer prijzen, sela; gelukkig het volk voor wie het zo is; gelukkig het volk welks God de Eeuwige is; een psalm van David: Ik zal U verheffen, mijn God de Koning, en ik zal Uw naam zegenen voor eeuwig en altijd; elke dag zal ik U zegenen, en ik zal Uw naam prijzen voor eeuwig en altijd; groot is de Eeuwige en hooggeprezen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk; het ene geslacht zal het andere Uw werken prijzen, en zij zullen Uw machtige daden verkondigen; de luister van de heerlijkheid van Uw majesteit en de woorden van Uw wonderen zal ik verhalen; en zij zullen spreken van de macht van Uw ontzagwekkende daden, en ik zal Uw grootheid verhalen; zij zullen de gedachtenis van Uw grote goedheid uitstorten, en zij zullen van Uw gerechtigheid zingen; de Eeuwige is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot in goedertierenheid; de Eeuwige is goed voor allen, en Zijn ontfermingen zijn over al Zijn werken; al Uw werken zullen U danken, Eeuwige, en Uw vromen zullen U zegenen; zij zullen spreken van de eer van Uw koningschap en van Uw macht gewagen; om aan de kinderen der mensen Zijn machtige daden bekend te maken en de heerlijke luister van Zijn koningschap; Uw koningschap is een koningschap van alle werelden, en Uw heerschappij is in elk geslacht; de Eeuwige ondersteunt allen die vallen en richt allen op die gebogen zijn; de ogen van allen zien op U, en U geeft hun hun voedsel op zijn tijd; U opent Uw hand en verzadigt de begeerte van al wat leeft; de Eeuwige is rechtvaardig in al Zijn wegen en goedertieren in al Zijn daden; de Eeuwige is nabij allen die Hem aanroepen, allen die Hem aanroepen in waarheid; Hij zal de begeerte vervullen van hen die Hem vrezen, en Hij zal hun geroep horen en hen verlossen; de Eeuwige bewaart allen die Hem liefhebben, en alle goddelozen zal Hij verdelgen; mijn mond zal de lof van de Eeuwige spreken, en alle vlees zal Zijn heilige naam zegenen voor eeuwig en altijd; en wij zullen de Eeuwige zegenen van nu af en voor eeuwig; Halleluja:
הַלְלוּיָהּ. הַלְלִי נַפְשִׁי אֶת ה': אֲהַלְלָה ה' בְּחַיָּי. אֲזַמְּרָה לֵאלהַי בְּעודִי: אַל תִּבְטְחוּ בִנְדִיבִים. בְּבֶן אָדָם שֶׁאֵין לו תְשׁוּעָה: תֵּצֵא רוּחו יָשֻׁב לְאַדְמָתו. בַּיּום הַהוּא אָבְדוּ עֶשְׁתּנתָיו: אַשְׁרֵי שֶׁאֵל יַעֲקב בְּעֶזְרו. שבְרו עַל ה' אֱלהָיו: עשה שָׁמַיִם וָאָרֶץ. אֶת הַיָּם וְאֶת כָּל אֲשֶׁר בָּם. הַשּׁמֵר אֱמֶת לְעולָם: עשה מִשְׁפָּט לַעֲשׁוּקִים. נתֵן לֶחֶם לָרְעֵבִים. ה' מַתִּיר אֲסוּרִים: ה' פּקֵחַ עִוְרִים. ה' זוקֵף כְּפוּפִים. ה' אהֵב צַדִּיקִים: ה' שׁמֵר אֶת גֵּרִים. יָתום וְאַלְמָנָה יְעודֵד. וְדֶרֶךְ רְשָׁעִים יְעַוֵּת: יִמְלךְ ה' לְעולָם. אֱלהַיִךְ צִיּון לְדר וָדר. הַלְלוּיָהּ:
Halleluja; prijs de Eeuwige, o mijn ziel; ik zal de Eeuwige prijzen mijn leven lang; ik zal voor mijn God zingen zolang ik besta; vertrouwt niet op edelen, op een mensenkind dat geen heil heeft; zijn geest gaat uit, hij keert terug tot zijn aarde; op die dag vergaan zijn plannen; gelukkig hij wiens hulp de God van Jakob is, wiens hoop is op de Eeuwige, zijn God; die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en al wat erin is, die trouw houdt voor eeuwig; die recht doet aan de verdrukten, die brood geeft aan de hongerigen; de Eeuwige bevrijdt de gebondenen; de Eeuwige opent de ogen van de blinden; de Eeuwige richt op die gebogen zijn; de Eeuwige heeft de rechtvaardigen lief; de Eeuwige bewaart de vreemdelingen; Hij ondersteunt de wees en de weduwe, en de weg van de goddelozen maakt Hij krom; de Eeuwige zal regeren voor eeuwig, uw God, o Sion, tot in alle geslachten; Halleluja:
הַלְלוּיָהּ. כִּי טוב זַמְּרָה אֱלהֵינוּ. כִּי נָעִים נָאוָה תְהִלָּה: בּונֵה יְרוּשָׁלַיִם ה'. נִדְחֵי יִשרָאֵל יְכַנֵּס: הָרופֵא לִשְׁבוּרֵי לֵב. וּמְחַבֵּשׁ לְעַצְּבותָם: מונֶה מִסְפָּר לַכּוכָבִים. לְכֻלָּם שֵׁמות יִקְרָא: גָּדול אֲדונֵינוּ וְרַב כּחַ. לִתְבוּנָתו אֵין מִסְפָּר: מְעודֵד עֲנָוִים ה'. מַשְׁפִּיל רְשָׁעִים עֲדֵי אָרֶץ: עֱנוּ לה' בְּתודָה. זַמְּרוּ לֵאלהֵינוּ בְכִנּור: הַמְכַסֶּה שָׁמַיִם בְּעָבִים. הַמֵּכִין לָאָרֶץ מָטָר. הַמַּצְמִיחַ הָרִים חָצִיר: נותֵן לִבְהֵמָה לַחְמָהּ. לִבְנֵי ערֵב אֲשֶׁר יִקְרָאוּ: לא בִגְבוּרַת הַסּוּס יֶחְפָּץ. לא בְשׁוקֵי הָאִישׁ יִרְצֶה: רוצֶה ה' אֶת יְרֵאָיו. אֶת הַמְיַחֲלִים לְחַסְדּו: שַׁבְּחִי יְרוּשָׁלַיִם אֶת ה'. הַלְלִי אֱלהַיִךְ צִיּון: כִּי חִזַּק בְּרִיחֵי שְׁעָרָיִךְ. בֵּרַךְ בָּנַיִךְ בְּקִרְבֵּךְ: הַשּם גְּבוּלֵךְ שָׁלום. חֵלֶב חִטִּים יַשבִּיעֵךְ: הַשּׁלֵחַ אִמְרָתו אָרֶץ. עַד מְהֵרָה יָרוּץ דְּבָרו: הַנּתֵן שֶׁלֶג כַּצָּמֶר. כְּפור כָּאֵפֶר יְפַזֵּר: מַשְׁלִיךְ קַרְחו כְפִתִּים. לִפְנֵי קָרָתו מִי יַעֲמד: יִשְׁלַח דְּבָרו וְיַמְסֵם. יַשֵּׁב רוּחו יִזְּלוּ מָיִם: מַגִּיד דְּבָרָיו לְיַעֲקב. חֻקָּיו וּמִשְׁפָּטָיו לְיִשרָאֵל: לא עָשה כֵן לְכָל גּוי. וּמִשְׁפָּטִים בַּל יְדָעוּם. הַלְלוּיָהּ:
Halleluja; want het is goed voor onze God te zingen, want het is liefelijk, en lof is passend; de Eeuwige bouwt Jeruzalem; Hij verzamelt de verstrooiden van Jisraeel; Hij geneest de gebrokenen van hart en verbindt hun smarten; Hij telt het getal van de sterren; Hij noemt ze alle bij name; groot is onze Heer en rijk aan kracht; Zijn inzicht is oneindig; de Eeuwige bemoedigt de nederigen; Hij werpt de goddelozen ter aarde; antwoordt de Eeuwige met dankzegging; zingt voor onze God met de harp; die de hemelen met wolken bedekt, die regen voor de aarde bereidt, die gras op de bergen doet groeien; die voedsel geeft aan het vee, aan de jonge raven die roepen; Hij heeft geen behagen in de kracht van het paard; Hij schept geen vreugde in de benen van een man; de Eeuwige schept vreugde in hen die Hem vrezen, in hen die hopen op Zijn goedertierenheid; prijs de Eeuwige, o Jeruzalem; prijs uw God, o Sion; want Hij heeft de grendels van uw poorten versterkt; Hij heeft uw kinderen in uw midden gezegend; Hij stelt uw grenzen in vrede; met het vette van de tarwe verzadigt Hij u; Hij zendt Zijn bevel naar de aarde; Zijn woord loopt snel; Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit rijp uit als as; Hij werpt Zijn ijs neer als brokken; wie kan bestaan voor Zijn koude; Hij zendt Zijn woord uit en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, en de wateren stromen; Hij verkondigt Zijn woorden aan Jakob, Zijn inzettingen en Zijn oordelen aan Jisraeel; Hij heeft zo voor geen enkele natie gedaan, en Zijn oordelen kennen zij niet; Halleluja:
הַלְלוּיָהּ. הַלְלוּ אֶת ה' מִן הַשָּׁמַיִם. הַלְלוּהוּ בַּמְּרומִים: הַלְלוּהוּ כָּל מַלְאָכָיו. הַלְלוּהוּ כָּל צְבָאָיו: הַלְלוּהוּ שֶׁמֶשׁ וְיָרֵחַ. הַלְלוּהוּ כָּל כּוכְבֵי אור: הַלְלוּהוּ שְׁמֵי הַשָּׁמָיִם. וְהַמַּיִם אֲשֶׁר מֵעַל הַשָּׁמָיִם: יְהַלְלוּ אֶת שֵׁם ה'. כִּי הוּא צִוָּה וְנִבְרָאוּ: וַיַּעֲמִידֵם לָעַד לְעולָם. חָק נָתַן וְלא יַעֲבור: הַלְלוּ אֶת ה' מִן הָאָרֶץ. תַּנִּינִים וְכָל תְּהמות: אֵשׁ וּבָרָד שֶׁלֶג וְקִיטור. רוּחַ סְעָרָה עשה דְבָרו: הֶהָרִים וְכָל גְבָעות. עֵץ פְּרִי וְכָל אֲרָזִים: הַחַיָּה וְכָל בְּהֵמָה. רֶמֶש וְצִפּור כָּנָף: מַלְכֵי אֶרֶץ וְכָל לְאֻמִּים. שרִים וְכָל שׁפְטֵי אָרֶץ: בַּחוּרִים וְגַם בְּתוּלות. זְקֵנִים עִם נְעָרִים: יְהַלְלוּ אֶת שֵׁם ה'. כִּי נִשגָּב שְׁמו לְבַדּו. הודו עַל אֶרֶץ וְשָׁמָיִם: וַיָּרֶם קֶרֶן לְעַמּו. תְּהִלָּה לְכָל חֲסִידָיו. לִבְנֵי יִשרָאֵל עַם קְרבו. הַלְלוּיָהּ:
Halleluja; prijst de Eeuwige uit de hemelen; prijst Hem in de hoogten; prijst Hem, al Zijn engelen; prijst Hem, al Zijn heerscharen; prijst Hem, zon en maan; prijst Hem, alle sterren van licht; prijst Hem, hemelen der hemelen, en de wateren die boven de hemelen zijn; laat hen de naam van de Eeuwige prijzen, want Hij gebood, en zij werden geschapen; en Hij stelde hen vast voor eeuwig en altijd; Hij gaf een verordening, en zij zal niet voorbijgaan; prijst de Eeuwige vanaf de aarde, zeemonsters en alle diepten; vuur en hagel, sneeuw en damp, stormwind die Zijn woord volbrengt; bergen en alle heuvelen, vruchtbomen en alle ceders; wilde dieren en al het vee, kruipend gedierte en gevleugelde vogels; koningen van de aarde en alle volken, vorsten en alle rechters van de aarde; jongelingen en ook maagden, ouden met jongeren; laat hen de naam van de Eeuwige prijzen, want Zijn naam alleen is verheven; Zijn luister is boven aarde en hemel; en Hij heeft een hoorn opgericht voor Zijn volk, een lof voor al Zijn vromen, voor de kinderen van Jisraeel, een volk dat Hem nabij is; Halleluja:
הַלְלוּיָהּ. שִׁירוּ לה' שִׁיר חָדָשׁ. תְּהִלָּתו בִּקְהַל חֲסִידִים: יִשמַח יִשרָאֵל בְּעשיו. בְּנֵי צִיּון יָגִילוּ בְמַלְכָּם: יְהַלְלוּ שְׁמו בְמָחול. בְּתף וְכִנּור יְזַמְּרוּ לו: כִּי רוצֶה ה' בְּעַמּו. יְפָאֵר עֲנָוִים בִּישׁוּעָה: יַעְלְזוּ חֲסִידִים בְּכָבוד. יְרַנְּנוּ עַל מִשְׁכְּבותָם: רומְמות אֵל בִּגְרונָם. וְחֶרֶב פִּיפִיּות בְּיָדָם: לַעֲשות נְקָמָה בַגּויִם. תּוכֵחות בַּלְאֻמִּים: לֶאְסר מַלְכֵיהֶם בְּזִקִּים. וְנִכְבְּדֵיהֶם בְּכַבְלֵי בַרְזֶל: לַעֲשות בָּהֶם מִשְׁפָּט כָּתוּב. הָדָר הוּא לְכָל חֲסִידָיו. הַלְלוּיָהּ:
Halleluja; zingt voor de Eeuwige een nieuw lied, Zijn lof in de vergadering van de vromen; laat Jisraeel zich verheugen in zijn Maker; laat de kinderen van Sion juichen over hun Koning; laat hen Zijn naam prijzen met reidans; met trommel en harp laat hen voor Hem spelen; want de Eeuwige schept vreugde in Zijn volk; Hij siert de nederigen met heil; laat de vromen juichen in heerlijkheid; laat hen van vreugde zingen op hun legersteden; de verheven lofprijzingen van God zijn in hun keel, en een tweesnijdend zwaard in hun hand; om wraak te oefenen aan de naties, bestraffingen aan de volken; om hun koningen met ketenen te binden en hun edelen met boeien van ijzer; om aan hen het geschreven oordeel te voltrekken; dit is een eer voor al Zijn vromen; Halleluja:
הַלְלוּיָהּ. הַלְלוּ אֵל בְּקָדְשׁו. הַלְלוּהוּ בִּרְקִיעַ עֻזּו: הַלְלוּהוּ בִּגְבוּרתָיו. הַלְלוּהוּ כְּרב גֻּדְלו: הַלְלוּהוּ בְּתֵקַע שׁופָר. הַלְלוּהוּ בְּנֵבֶל וְכִנּור: הַלְלוּהוּ בְּתף וּמָחול. הַלְלוּהוּ בְּמִנִּים וְעֻגָב: הַלְלוּהוּ בְּצִלְצְלֵי שָׁמַע. הַלְלוּהוּ בְּצִלְצְלֵי תְרוּעָה: כּל הַנְּשָׁמָה תְּהַלֵּל יָהּ. הַלְלוּיָהּ: כּל הַנְּשָׁמָה תְּהַלֵּל יָהּ. הַלְלוּיָהּ:
Halleluja; prijst God in Zijn heiligdom; prijst Hem in Zijn machtig uitspansel; prijst Hem om Zijn machtige daden; prijst Hem naar Zijn overvloedige grootheid; prijst Hem met het geschal van de sjofar; prijst Hem met harp en lier; prijst Hem met trommel en reidans; prijst Hem met snaren en fluit; prijst Hem met klinkende cimbalen; prijst Hem met schallende cimbalen; laat al wat adem heeft de Eeuwige prijzen; Halleluja; laat al wat adem heeft de Eeuwige prijzen; Halleluja:
בָּרוּךְ ה' לְעולָם. אָמֵן וְאָמֵן: בָּרוּךְ ה' מִצִּיּון שׁכֵן יְרוּשָׁלָיִם. הַלְלוּיָהּ: בָּרוּךְ ה' אֱלהִים אֱלהֵי יִשרָאֵל. עשה נִפְלָאות לְבַדּו: וּבָרוּךְ שֵׁם כְּבודו לְעולָם. וְיִמָּלֵא כְבודו אֶת כָּל הָאָרֶץ. אָמֵן וְאָמֵן:
Gezegend zij de Eeuwige voor eeuwig; Amen en Amen; Gezegend zij de Eeuwige uit Sion, die in Jeruzalem woont; Halleluja; Gezegend zij de Eeuwige God, de God van Jisraeel, die alleen wonderen doet; en gezegend zij Zijn heerlijke naam voor eeuwig, en moge Zijn heerlijkheid de gehele aarde vervullen; Amen en Amen:
וַיְבָרֶךְ דָּוִיד אֶת ה' לְעֵינֵי כָּל הַקָּהָל. וַיּאמֶר דָּוִיד. בָּרוּךְ אַתָּה ה' אֱלהֵי יִשרָאֵל אָבִינוּ. מֵעולָם וְעַד עולָם: לְךָ ה' הַגְּדֻלָּה וְהַגְּבוּרָה וְהַתִּפְאֶרֶת וְהַנֵּצַח וְהַהוד. כִּי כל בַּשָּׁמַיִם וּבָאָרֶץ. לְךָ ה' הַמַּמְלָכָה. וְהַמִּתְנַשּא לְכל לְראשׁ: וְהָעשֶׁר וְהַכָּבוד מִלְּפָנֶיךָ. וְאַתָּה מושֵׁל בַּכּל. וּבְיָדְךָ כּחַ וּגְבוּרָה. וּבְיָדְךָ לְגַדֵּל וּלְחַזֵּק לַכּל: וְעַתָּה אֱלהֵינוּ מודִים אֲנַחְנוּ לָךְ. וּמְהַלְלִים לְשֵׁם תִּפְאַרְתֶּךָ:
En David zegende de Eeuwige ten aanschouwen van de gehele vergadering; en David zei: Gezegend zijt Gij, Eeuwige, God van Jisraeel onze vader, van eeuwigheid tot eeuwigheid; Uw, Eeuwige, is de grootheid, de kracht, de heerlijkheid, de overwinning en de majesteit, want al wat in hemel en op aarde is, is van U; Uw, Eeuwige, is het koningschap, en U zijt verheven als hoofd boven alles; en rijkdom en eer komen van U, en U heerst over alles; en in Uw hand is kracht en macht, en in Uw hand is het groot te maken en aan allen sterkte te geven; en nu, onze God, danken wij U en prijzen wij Uw heerlijke naam:
אַתָּה הוּא ה' לְבַדֶּךָ. אַתָּה עָשיתָ אֶת הַשָּׁמַיִם. שְׁמֵי הַשָּׁמַיִם וְכָל צְבָאָם. הָאָרֶץ וְכָל אֲשֶׁר עָלֶיהָ. הַיַּמִּים וְכָל אֲשֶׁר בָּהֶם. וְאַתָּה מְחַיֶּה אֶת כֻּלָּם. וּצְבָא הַשָּׁמַיִם לְךָ מִשְׁתַּחֲוִים: אַתָּה הוּא ה' הָאֱלהִים. אֲשֶׁר בָּחַרְתָּ בְּאַבְרָם. וְהוצֵאתו מֵאוּר כַּשדִּים. וְשמְתָּ שְׁמו אַבְרָהָם: וּמָצָאתָ אֶת לְבָבו נֶאֱמָן לְפָנֶיךָ: וְכָרות עִמּו הַבְּרִית לָתֵת אֶת אֶרֶץ הַכְּנַעֲנִי. הַחִתִּי הָאֱמרִי וְהַפְּרִזִּי וְהַיְבוּסִי וְהַגִּרְגָּשִׁי לָתֵת לְזַרְעו. וַתָּקֶם אֶת דְּבָרֶיךָ כִּי צַדִּיק אָתָּה: וַתֵּרֶא אֶת עֳנִי אֲבותֵינוּ בְּמִצְרָיִם. וְאֶת זַעֲקָתָם שָׁמַעְתָּ עַל יַם סוּף: וַתִּתֵּן אתת וּמפְתִים בְּפַרְעה וּבְכָל עֲבָדָיו וּבְכָל עַם אַרְצו. כִּי יָדַעְתָּ כִּי הֵזִידוּ עֲלֵיהֶם וַתַּעַש לְךָ שֵׁם כְּהַיּום הַזֶּה: וְהַיָּם בָּקַעְתָּ לִפְנֵיהֶם וַיַּעַבְרוּ בְתוךְ הַיָּם בַּיַּבָּשָׁה. וְאֶת רדְפֵיהֶם הִשְׁלַכְתָּ בִמְצולת כְּמו אֶבֶן. בְּמַיִם עַזִּים:
U alleen zijt de Eeuwige; U hebt de hemelen gemaakt, de hemel der hemelen en al hun heir, de aarde en al wat erop is, de zeeën en al wat erin is; en U geeft hun allen leven, en het heir van de hemel buigt zich voor U neer; U zijt de Eeuwige God, die Abram verkoos en hem uit Ur der Chaldeeën bracht en hem de naam Abraham gaf; en U vond zijn hart trouw voor U; en U sloot een verbond met hem om het land van de Kanaäniet, de Hethiet, de Amoriet, de Pereziet, de Jebusiet en de Girgasiet te geven, om het aan zijn nageslacht te geven; en U hebt Uw woorden vervuld, want U zijt rechtvaardig; en U zaagt de ellende van onze vaderen in Egypte, en U hoorde hun geroep bij de Rietzee; en U gaf tekenen en wonderen tegen farao en al zijn dienaren en het gehele volk van zijn land, want U wist dat zij overmoedig tegen hen handelden, en U maakte Uzelf een naam zoals het op deze dag is; en U spleet de zee voor hen, en zij gingen door het midden van de zee op het droge; en hun vervolgers wierp U in de diepten, als een steen in machtige wateren:
וַיּושַׁע ה' בַּיּום הַהוּא אֶת יִשרָאֵל מִיַּד מִצְרָיִם. וַיַּרְא יִשרָאֵל אֶת מִצְרַיִם מֵת. עַל שפַת הַיָּם: וַיַּרְא יִשרָאֵל אֶת הַיָּד הַגְּדלָה אֲשֶׁר עָשה ה' בְּמִצְרַיִם. וַיִּירְאוּ הָעָם אֶת ה'. וַיַּאֲמִינוּ בה' וּבְמשֶׁה עַבְדּו:
En de Eeuwige verloste Jisraeel op die dag uit de hand van Egypte; en Jisraeel zag Egypte dood aan de oever van de zee; en Jisraeel zag de grote hand die de Eeuwige tegen Egypte gebruikte; en het volk vreesde de Eeuwige, en zij geloofden in de Eeuwige en in Mozes, Zijn dienaar:
אָז יָשִׁיר משֶׁה וּבְנֵי יִשרָאֵל אֶת הַשִּׁירָה הַזּאת לה'. וַיּאמְרוּ לֵאמר. אָשִׁירָה לה' כִּי גָּאה גָּאָה. סוּס וְרכְבו רָמָה בַיָּם: עָזִּי וְזִמְרָת יָהּ. וַיְהִי לִי לִישׁוּעָה. זֶה אֵלִי וְאַנְוֵהוּ. אֱלהֵי אָבִי וַאֲרמְמֶנְהוּ: ה' אִישׁ מִלְחָמָה. ה' שְׁמו: מַרְכְּבת פַּרְעה וְחֵילו יָרָה בַיָּם. וּמִבְחַר שָׁלִשָׁיו טֻבְּעוּ בְיַם סוּף: תְּהמת יְכַסְיֻמוּ. יָרְדוּ בִמְצולת כְּמו אָבֶן: יְמִינְךָ ה' נֶאְדָּרִי בַּכּחַ. יְמִינְךָ ה' תִּרְעַץ אויֵב: וּבְרב גְּאונְךָ תַּהֲרס קָמֶיךָ. תְּשַׁלַּח חֲרנְךָ יאכְלֵמו כַּקַּשׁ: וּבְרוּחַ אַפֶּיךָ נֶעֶרְמוּ מַיִם. נִצְּבוּ כְמו נֵד נזְלִים. קָפְאוּ תְהמת בְּלֶב יָם: אָמַר אויֵב אֶרְדּף אַשּיג אֲחַלֵּק שָׁלָל. תִּמְלָאֵמו נַפְשִׁי. אָרִיק חַרְבִּי. תּורִישֵׁמו יָדִי: נָשַׁפְתָּ בְרוּחֲךָ כִּסָּמו יָם. צָלֲלוּ כַּעופֶרֶת בְּמַיִם. אַדִּירִים: מִי כָמכָה בָּאֵלִם ה'. מִי כָּמכָה נֶאְדָּר בַּקּדֶשׁ. נורָא תְהִלּת עשה פֶלֶא: נָטִיתָ יְמִינְךָ תִּבְלָעֵמו אָרֶץ: נָחִיתָ בְחַסְדְּךָ עַם זוּ גָּאָלְתָּ. נֵהַלְתָּ בְעָזְּךָ אֶל נְוֵה קָדְשֶׁךָ: שָׁמְעוּ עַמִּים יִרְגָּזוּן. חִיל אָחַז ישְׁבֵי פְּלָשֶׁת: אָז נִבְהֲלוּ אַלּוּפֵי אֱדום. אֵילֵי מואָב יאחֲזֵמו רָעַד. נָמגוּ כּל ישְׁבֵי כְנָעַן: תִּפּל עֲלֵיהֶם אֵימָתָה וָפַחַד. בִּגְדל זְרועֲךָ יִדְּמוּ כָּאָבֶן. עַד יַעֲבר עַמְּךָ ה'. עַד יַעֲבר עַם זוּ קָנִיתָ: תְּבִאֵמו וְתִטָּעֵמו בְּהַר נַחֲלָתְךָ. מָכון לְשִׁבְתְּךָ פָּעַלְתָּ ה'. מִקְּדָשׁ. אֲדנָי כּונְנוּ יָדֶיךָ: ה' יִמְלךְ לְעלָם וָעֶד: ה' יִמְלךְ לְעלָם וָעֶד: ה' מַלְכוּתֵהּ קָאֵם לְעָלַם וּלְעָלְמֵי עָלְמַיָּא: כִּי בָא סוּס פַּרְעה בְּרִכְבּו וּבְפָרָשָׁיו בַּיָּם. וַיָּשֶׁב ה' עֲלֵיהֶם אֶת מֵי הַיָּם. וּבְנֵי יִשרָאֵל הָלְכוּ בַיַּבָּשָׁה בְּתוךְ הַיָּם: כִּי לה' הַמְּלוּכָה. וּמושֵׁל בַּגּויִם: וְעָלוּ מושִׁיעִים בְּהַר צִיּון לִשְׁפּט אֶת הַר עֵשו. וְהָיְתָה לה' הַמְּלוּכָה: וְהָיָה ה' לְמֶלֶךְ עַל כָּל הָאָרֶץ. בַּיּום הַהוּא יִהְיֶה ה' אֶחָד וּשְׁמו אֶחָד:
Toen zongen Mozes en de kinderen van Jisraeel dit lied voor de Eeuwige, en zij spraken, zeggende: Ik zal voor de Eeuwige zingen, want Hij is hoog verheven; het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen; mijn kracht en mijn lied is de Eeuwige, en Hij is mijn heil geworden; dit is mijn God, en ik zal Hem verheerlijken; de God van mijn vader, en ik zal Hem verheffen; de Eeuwige is een krijgsman; de Eeuwige is Zijn naam; de wagens van farao en zijn leger heeft Hij in de zee geworpen, en de keur van zijn officieren is verzonken in de Rietzee; de diepten bedekten hen; zij daalden in de diepten neer als een steen; Uw rechterhand, Eeuwige, heerlijk in kracht; Uw rechterhand, Eeuwige, verbrijzelt de vijand; en in de grootheid van Uw majesteit werpt U hen neer die tegen U opstaan; U zendt Uw toorn uit, hij verteert hen als stoppels; en door het blazen van Uw neus stapelden de wateren zich op; de vloeden stonden rechtop als een dam; de diepten stolden in het hart van de zee; de vijand zei: Ik zal vervolgen, ik zal inhalen, ik zal de buit verdelen; mijn begeerte zal aan hen verzadigd worden; ik zal mijn zwaard trekken, mijn hand zal hen verdelgen; U bliest met Uw wind, de zee bedekte hen; zij zonken als lood in de machtige wateren; wie is als U onder de goden, Eeuwige; wie is als U, heerlijk in heiligheid, ontzagwekkend in lofzangen, wonderen doende; U strekte Uw rechterhand uit, de aarde verzwolg hen; U leidde in Uw goedertierenheid dit volk dat U verlost hebt; U voerde hen in Uw kracht naar Uw heilige woning; volken hoorden het, zij beefden; angst greep de inwoners van Filistea aan; toen werden de stamhoofden van Edom verschrikt; beving greep de machtige mannen van Moab; alle inwoners van Kanaän versmolten weg; verschrikking en angst vielen op hen; door de grootheid van Uw arm werden zij stil als een steen; totdat Uw volk overtrok, Eeuwige, totdat dit volk dat U verworven hebt overtrok; U bracht hen binnen en plantte hen op de berg van Uw erfenis, de plaats, Eeuwige, die U gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, Eeuwige, dat Uw handen gegrondvest hebben; de Eeuwige zal regeren voor eeuwig en altijd; de Eeuwige zal regeren voor eeuwig en altijd; het koningschap van de Eeuwige is gevestigd voor eeuwig en in alle eeuwigheid; want het paard van farao met zijn wagens en zijn ruiters ging de zee in, en de Eeuwige liet de wateren van de zee over hen terugkeren; maar de kinderen van Jisraeel liepen op het droge midden door de zee; want de heerschappij behoort de Eeuwige, en Hij heerst over de naties; en redders zullen de berg Sion bestijgen om de berg van Esau te oordelen, en het koningschap zal van de Eeuwige zijn; en de Eeuwige zal Koning zijn over de gehele aarde; op die dag zal de Eeuwige Eén zijn, en Zijn naam Eén:
יִשְׁתַּבַּח שִׁמְךָ לָעַד מַלְכֵּנוּ. הָאֵל הַמֶּלֶךְ הַגָּדול וְהַקָּדושׁ בַּשָּׁמַיִם וּבָאָרֶץ. כִּי לְךָ נָאֶה ה' אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ: שִׁיר וּשְׁבָחָה הַלֵּל וְזִמְרָה עז וּמֶמְשָׁלָה נֶצַח גְּדֻלָּה וּגְבוּרָה תְּהִלָּה וְתִפְאֶרֶת קְדֻשָּׁה וּמַלְכוּת: בְּרָכות וְהודָאות מֵעַתָּה וְעַד עולָם. בָּרוּךְ אַתָּה ה', אֵל מֶלֶךְ גָּדול בַּתִּשְׁבָּחות. אֵל הַהודָאות אֲדון הַנִּפְלָאות. הַבּוחֵר בְּשִׁירֵי זִמְרָה. מֶלֶךְ אֵל חֵי הָעולָמִים:
Moge Uw naam geprezen worden voor eeuwig, onze Koning, de God, de grote en heilige Koning in hemel en op aarde; want U, Eeuwige, onze God en God van onze vaderen, komen toe: lied en lofprijzing, roem en melodie, kracht en heerschappij, eeuwigheid, grootheid en macht, lof en luister, heiligheid en koningschap; zegeningen en dankzeggingen van nu af en voor eeuwig; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, God, Koning, groot in lofzangen, God van dankzeggingen, Heer van wonderen, die liederen van melodie verkiest, Koning, God, Leven van de werelden:
חזן: יִתְגַּדַּל וְיִתְקַדַּשׁ שְׁמֵהּ רַבָּא. [קהל: אמן]
בְּעָלְמָא דִּי בְרָא כִרְעוּתֵהּ וְיַמְלִיךְ מַלְכוּתֵהּ בְּחַיֵּיכון וּבְיומֵיכון וּבְחַיֵּי דְכָל בֵּית יִשרָאֵל בַּעֲגָלָא וּבִזְמַן קָרִיב, וְאִמְרוּ אָמֵן: [קהל: אמן]
קהל וחזן: יְהֵא שְׁמֵהּ רַבָּא מְבָרַךְ לְעָלַם וּלְעָלְמֵי עָלְמַיָּא:
יִתְבָּרַךְ וְיִשְׁתַּבַּח וְיִתְפָּאַר וְיִתְרומַם וְיִתְנַשּא וְיִתְהַדָּר וְיִתְעַלֶּה וְיִתְהַלָּל שְׁמֵהּ דְּקֻדְשָׁא. בְּרִיךְ הוּא. [קהל: בריך הוא:]
לְעֵלָּא מִן כָּל בִּרְכָתָא וְשִׁירָתָא תֻּשְׁבְּחָתָא וְנֶחֱמָתָא דַּאֲמִירָן בְּעָלְמָא. וְאִמְרוּ אָמֵן: [קהל: אמן]
Voorzanger: Moge Zijn grote naam verheven en geheiligd worden; [Gemeente: Amen]
In de wereld die Hij naar Zijn wil geschapen heeft, en moge Hij Zijn koningschap vestigen tijdens uw leven en in uw dagen, en tijdens het leven van het gehele huis van Jisraeel, spoedig en weldra, en zegt: Amen; [Gemeente: Amen]
Gemeente en Voorzanger: Moge Zijn grote naam gezegend zijn voor eeuwig en in alle eeuwigheid:
Moge gezegend, geprezen, verheerlijkt, verhoogd, geroemd, geëerd, opgeheven en bezongen worden de naam van de Heilige, gezegend zij Hij; [Gemeente: Gezegend zij Hij]
Boven alle zegeningen en lofzangen, lofprijzingen en vertroostingen die in de wereld worden uitgesproken; en zegt: Amen; [Gemeente: Amen]