אַשְׁרֵי הָאִישׁ אֲשֶׁר לֹא הָלַךְ בַּעֲצַת רְשָׁעִים וּבְדֶרֶךְ חַטָּאִים לֹא עָמָד וּבְמוֹשַׁב לֵצִים לֹא יָשָׁב:
Gelukkig is de man die niet wandelt naar de raad van de goddelozen, die niet staat op de weg van de zondaars en niet zit in de kring van de spotters.
כִּי אִם בְּתוֹרַת יְהוָה חֶפְצוֹ וּבְתוֹרָתוֹ יֶהְגֶּה יוֹמָם וָלָיְלָה:
Maar zijn verlangen is in de leer van de Eeuwige, en in Zijn leer overpeinst hij dag en nacht.
וְהָיָה כְּעֵץ שָׁתוּל עַל פַּלְגֵי מָיִם אֲשֶׁר פִּרְיוֹ יִתֵּן בְּעִתּוֹ וְעָלֵהוּ לֹא יִבּוֹל וְכֹל אֲשֶׁר יַעֲשֶׂה יַצְלִיחַ:
Hij zal zijn als een boom geplant aan waterstromen, die zijn vrucht voortbrengt op zijn tijd en waarvan de bladeren niet verwelken; en alles wat hij doet, gelukt.
לֹא כֵן הָרְשָׁעִים כִּי אִם כַּמֹּץ אֲשֶׁר תִּדְּפֶנּוּ רוּחַ:
Niet zo de goddelozen, maar [zij zijn] als kaf dat de wind verstrooit.
עַל כֵּן לֹא יָקֻמוּ רְשָׁעִים בַּמִּשְׁפָּט וְחַטָּאִים בַּעֲדַת צַדִּיקִים:
Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de gemeente van de rechtvaardigen.
כִּי יוֹדֵעַ יְהוָה דֶּרֶךְ צַדִּיקִים וְדֶרֶךְ רְשָׁעִים תֹּאבֵד:
Want de Eeuwige kent de weg van de rechtvaardigen, maar de weg van de goddelozen zal vergaan.