לְדָוִד מִזְמוֹר חֶסֶד וּמִשְׁפָּט אָשִׁירָה לְךָ יְהוָה אֲזַמֵּרָה:
Van David, een lied. Ik zal zingen van goedertierenheid en recht; tot U, Eeuwige, zal ik zingen.
אַשְׂכִּילָה בְּדֶרֶךְ תָּמִים מָתַי תָּבוֹא אֵלָי אֶתְהַלֵּךְ בְּתָם לְבָבִי בְּקֶרֶב בֵּיתִי:
Ik zal acht slaan op de weg van oprechtheid. Wanneer zal die tot mij komen? Ik zal wandelen met de onschuld van mijn hart binnen mijn huis.
לֹא אָשִׁית לְנֶגֶד עֵינַי דְּבַר בְּלִיָּעַל עֲשֹׂה סֵטִים שָׂנֵאתִי לֹא יִדְבַּק בִּי:
Ik stel niets verachtelijks voor mijn ogen; ik haat het verkeerde daden te doen; het kleeft mij niet aan.
לֵבָב עִקֵּשׁ יָסוּר מִמֶּנִּי רָע לֹא אֵדָע:
Een verdorven hart wijkt van mij; ik wil van geen kwaad weten.
(מלושני) מְלָשְׁנִי בַסֵּתֶר רֵעֵהוּ אוֹתוֹ אַצְמִית גְּבַהּ עֵינַיִם וּרְחַב לֵבָב אֹתוֹ לֹא אוּכָל:
Wie zijn naaste in het geheim belastert, hem snijd ik af; wie hoogmoedige ogen heeft en een trots hart, hem kan ik niet verdragen.
עֵינַי בְּנֶאֶמְנֵי אֶרֶץ לָשֶׁבֶת עִמָּדִי הֹלֵךְ בְּדֶרֶךְ תָּמִים הוּא יְשָׁרְתֵנִי:
Mijn ogen zijn gericht op de getrouwen van het land, opdat zij bij mij wonen; wie wandelt op de weg van de onschuldige, hij zal mij dienen.
לֹא יֵשֵׁב בְּקֶרֶב בֵּיתִי עֹשֵׂה רְמִיָּה דֹּבֵר שְׁקָרִים לֹא יִכּוֹן לְנֶגֶד עֵינָי:
Wie bedrog pleegt zal niet binnen mijn huis wonen; wie leugens spreekt zal niet voor mijn ogen bestaan.
לַבְּקָרִים אַצְמִית כָּל רִשְׁעֵי אָרֶץ לְהַכְרִית מֵעִיר יְהוָה כָּל פֹּעֲלֵי אָוֶן:
Elke morgen snijd ik alle bozen van het land af; om uit de stad van de Eeuwige alle bedrijvers van geweld af te snijden.