לְדָוִד בָּרְכִי נַפְשִׁי אֶת יְהוָה וְכָל קְרָבַי אֶת שֵׁם קָדְשׁוֹ:
Van David. Mijn ziel, zegen de Eeuwige, en al mijn binnenste, Zijn heilige naam.
בָּרְכִי נַפְשִׁי אֶת יְהוָה וְאַל תִּשְׁכְּחִי כָּל גְּמוּלָיו:
Mijn ziel, zegen de Eeuwige en vergeet geen van Zijn weldaden.
הַסֹּלֵחַ לְכָל עֲוֹנֵכִי הָרֹפֵא לְכָל תַּחֲלֻאָיְכִי:
Die al uw ongerechtigheid vergeeft, Die al uw ziekten geneest.
הַגּוֹאֵל מִשַּׁחַת חַיָּיְכִי הַמְעַטְּרֵכִי חֶסֶד וְרַחֲמִים:
Die uw leven verlost uit de groeve, Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid.
הַמַּשְׂבִּיַע בַּטּוֹב עֶדְיֵךְ תִּתְחַדֵּשׁ כַּנֶּשֶׁר נְעוּרָיְכִי:
Die uw mond verzadigt met het goede, zodat uw jeugd zich vernieuwt als die van de adelaar.
עֹשֵׂה צְדָקוֹת יְהוָה וּמִשְׁפָּטִים לְכָל עֲשׁוּקִים:
De Eeuwige verricht weldaden van gerechtigheid en recht voor alle verdrukten.
יוֹדִיעַ דְּרָכָיו לְמֹשֶׁה לִבְנֵי יִשְׂרָאֵל עֲלִילוֹתָיו:
Hij maakt Zijn wegen bekend aan Mozes, aan de kinderen van Israel Zijn daden.
רַחוּם וְחַנּוּן יְהוָה אֶרֶךְ אַפַּיִם וְרַב חָסֶד:
De Eeuwige is barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid.
לֹא לָנֶצַח יָרִיב וְלֹא לְעוֹלָם יִטּוֹר:
Hij zal niet altijd twisten, en Hij zal niet eeuwig de toorn behouden.
לֹא כַחֲטָאֵינוּ עָשָׂה לָנוּ וְלֹא כַעֲוֹנֹתֵינוּ גָּמַל עָלֵינוּ:
Hij heeft ons niet gedaan naar onze zonden, en ons niet vergolden naar onze ongerechtigheden.
כִּי כִגְבֹהַּ שָׁמַיִם עַל הָאָרֶץ גָּבַר חַסְדּוֹ עַל יְרֵאָיו:
Want zo hoog als de hemel is boven de aarde, zo groot is Zijn goedertierenheid over wie Hem vrezen.
כִּרְחֹק מִזְרָח מִמַּעֲרָב הִרְחִיק מִמֶּנּוּ אֶת פְּשָׁעֵינוּ:
Zo ver als het oosten is van het westen, zo ver heeft Hij onze overtredingen van ons verwijderd.
כְּרַחֵם אָב עַל בָּנִים רִחַם יְהוָה עַל יְרֵאָיו:
Zoals een vader zich ontfermt over kinderen, zo heeft de Eeuwige Zich ontfermd over wie Hem vrezen.
כִּי הוּא יָדַע יִצְרֵנוּ זָכוּר כִּי עָפָר אֲנָחְנוּ:
Want Hij kent ons maaksel; Hij gedenkt dat wij stof zijn.
אֱנוֹשׁ כֶּחָצִיר יָמָיו כְּצִיץ הַשָּׂדֶה כֵּן יָצִיץ:
Wat de mens betreft, zijn dagen zijn als gras; als een bloem van het veld, zo bloeit hij.
כִּי רוּחַ עָבְרָה בּוֹ וְאֵינֶנּוּ וְלֹא יַכִּירֶנּוּ עוֹד מְקוֹמוֹ:
Want een wind gaat erover en hij is er niet meer; en zijn plaats kent hem niet meer.
וְחֶסֶד יְהוָה מֵעוֹלָם וְעַד עוֹלָם עַל יְרֵאָיו וְצִדְקָתוֹ לִבְנֵי בָנִים:
Maar de goedertierenheid van de Eeuwige is van eeuwigheid tot eeuwigheid over wie Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid tot kindskinderen.
לְשֹׁמְרֵי בְרִיתוֹ וּלְזֹכְרֵי פִקֻּדָיו לַעֲשׂוֹתָם:
Voor wie Zijn verbond houden en wie aan Zijn geboden denken om ze te doen.
יְהוָה בַּשָּׁמַיִם הֵכִין כִּסְאוֹ וּמַלְכוּתוֹ בַּכֹּל מָשָׁלָה:
De Eeuwige heeft Zijn troon in de hemel gevestigd, en Zijn koningschap heerst over alles.
בָּרְכוּ יְהוָה מַלְאָכָיו גִּבֹּרֵי כֹחַ עֹשֵׂי דְבָרוֹ לִשְׁמֹעַ בְּקוֹל דְּבָרוֹ:
Zegen de Eeuwige, Zijn engelen, machtig van kracht, die Zijn woord volbrengen, om te luisteren naar de stem van Zijn woord.
בָּרְכוּ יְהוָה כָּל צְבָאָיו מְשָׁרְתָיו עֹשֵׂי רְצוֹנוֹ:
Zegen de Eeuwige, al Zijn heerscharen, Zijn dienaren, die Zijn wil doen.
בָּרְכוּ יְהוָה כָּל מַעֲשָׂיו בְּכָל מְקֹמוֹת מֶמְשַׁלְתּוֹ בָּרְכִי נַפְשִׁי אֶת יְהוָה:
Zegen de Eeuwige, al Zijn werken, op alle plaatsen van Zijn heerschappij; mijn ziel, zegen de Eeuwige.