לֹא לָנוּ יְהוָה לֹא לָנוּ כִּי לְשִׁמְךָ תֵּן כָּבוֹד עַל חַסְדְּךָ עַל אֲמִתֶּךָ:
Niet ons, o Eeuwige, niet ons, maar Uw Naam geef eer, omwille van Uw goedheid en omwille van Uw waarachtigheid.
לָמָּה יֹאמְרוּ הַגּוֹיִם אַיֵּה נָא אֱלֹהֵיהֶם:
Waarom zouden de volken zeggen: “Waar is nu hun God?”
וֵאלֹהֵינוּ בַשָּׁמָיִם כֹּל אֲשֶׁר חָפֵץ עָשָׂה:
Maar onze God is in de hemel; al wat Hij wil, doet Hij.
עֲצַבֵּיהֶם כֶּסֶף וְזָהָב מַעֲשֵׂה יְדֵי אָדָם:
Hun afgoden zijn zilver en goud, het werk van mensenhanden.
פֶּה לָהֶם וְלֹא יְדַבֵּרוּ עֵינַיִם לָהֶם וְלֹא יִרְאוּ:
Zij hebben een mond, maar zij spreken niet; zij hebben ogen, maar zij zien niet.
אָזְנַיִם לָהֶם וְלֹא יִשְׁמָעוּ אַף לָהֶם וְלֹא יְרִיחוּן:
Zij hebben oren, maar zij horen niet; zij hebben een neus, maar zij ruiken niet.
יְדֵיהֶם וְלֹא יְמִישׁוּן רַגְלֵיהֶם וְלֹא יְהַלֵּכוּ לֹא יֶהְגּוּ בִּגְרוֹנָם:
Hun handen, maar zij voelen niet; hun voeten, maar zij lopen niet; zij brengen geen geluid voort uit hun keel.
כְּמוֹהֶם יִהְיוּ עֹשֵׂיהֶם כֹּל אֲשֶׁר בֹּטֵחַ בָּהֶם:
Zoals zij, zo zullen worden wie hen maken, allen die op hen vertrouwen.
יִשְׂרָאֵל בְּטַח בַּיהוָה עֶזְרָם וּמָגִנָּם הוּא:
Israël, vertrouw op de Eeuwige; Hij is hun hulp en hun schild.
בֵּית אַהֲרֹן בִּטְחוּ בַיהוָה עֶזְרָם וּמָגִנָּם הוּא:
Huis van Aäron, vertrouw op de Eeuwige; Hij is hun hulp en hun schild.
יִרְאֵי יְהוָה בִּטְחוּ בַיהוָה עֶזְרָם וּמָגִנָּם הוּא:
Gij die de Eeuwige vreest, vertrouw op de Eeuwige; Hij is hun hulp en hun schild.
יְהוָה זְכָרָנוּ יְבָרֵךְ יְבָרֵךְ אֶת בֵּית יִשְׂרָאֵל יְבָרֵךְ אֶת בֵּית אַהֲרֹן:
De Eeuwige, die aan ons heeft gedacht, zal zegenen; Hij zal het huis van Israël zegenen; Hij zal het huis van Aäron zegenen.
יְבָרֵךְ יִרְאֵי יְהוָה הַקְּטַנִּים עִם הַגְּדֹלִים:
Hij zal hen zegenen die de Eeuwige vrezen, de kleinen samen met de groten.
יֹסֵף יְהוָה עֲלֵיכֶם עֲלֵיכֶם וְעַל בְּנֵיכֶם:
Moge de Eeuwige u vermeerderen, u en uw kinderen.
בְּרוּכִים אַתֶּם לַיהוָה עֹשֵׂה שָׁמַיִם וָאָרֶץ:
Gezegend zijt gij door de Eeuwige, de Maker van hemel en aarde.
הַשָּׁמַיִם שָׁמַיִם לַיהוָה וְהָאָרֶץ נָתַן לִבְנֵי אָדָם:
De hemelen zijn de hemelen van de Eeuwige, maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven.
לֹא הַמֵּתִים יְהַלְלוּ יָהּ וְלֹא כָּל יֹרְדֵי דוּמָה:
Niet de doden zullen God prijzen, noch allen die afdalen in het graf.
וַאֲנַחְנוּ נְבָרֵךְ יָהּ מֵעַתָּה וְעַד עוֹלָם הַלְלוּיָהּ:
Maar wij zullen God zegenen, van nu af tot in eeuwigheid. Halleloeja!