Tehilliem

119

אַשְׁרֵי תְמִימֵי דָרֶךְ הַהֹלְכִים בְּתוֹרַת יְהוָה:

Gelukkig zijn zij wier weg volmaakt is, die wandelen in de wet van de Eeuwige.

אַשְׁרֵי נֹצְרֵי עֵדֹתָיו בְּכָל לֵב יִדְרְשׁוּהוּ:

Gelukkig zijn zij die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem met heel hun hart zoeken.

אַף לֹא פָעֲלוּ עַוְלָה בִּדְרָכָיו הָלָכוּ:

Niet alleen begingen zij geen onrecht, zij wandelden in Zijn wegen.

אַתָּה צִוִּיתָה פִקֻּדֶיךָ לִשְׁמֹר מְאֹד:

Gij hebt Uw bevelen geboden, om ze nauwgezet te onderhouden.

אַחֲלַי יִכֹּנוּ דְרָכָי לִשְׁמֹר חֻקֶּיךָ:

Mijn gebeden zijn dat mijn wegen bevestigd worden, om Uw inzettingen te onderhouden.

אָז לֹא אֵבוֹשׁ בְּהַבִּיטִי אֶל כָּל מִצְוֹתֶיךָ:

Dan zal ik niet beschaamd worden wanneer ik op al Uw geboden zie.

אוֹדְךָ בְּיֹשֶׁר לֵבָב בְּלָמְדִי מִשְׁפְּטֵי צִדְקֶךָ:

Ik zal U danken met een oprecht hart wanneer ik de oordelen van Uw gerechtigheid leer.

אֶת חֻקֶּיךָ אֶשְׁמֹר אַל תַּעַזְבֵנִי עַד מְאֹד:

Ik zal Uw inzettingen onderhouden; verlaat mij niet geheel en al.

(פ) בַּמֶּה יְזַכֶּה נַּעַר אֶת אָרְחוֹ לִשְׁמֹר כִּדְבָרֶךָ:

Op welke wijze zal een jongeling zijn weg zuiveren? Door zich te houden aan Uw woord.

בְּכָל לִבִּי דְרַשְׁתִּיךָ אַל תַּשְׁגֵּנִי מִמִּצְוֹתֶיךָ:

Met heel mijn hart heb ik U gezocht; laat mij niet afdwalen van Uw geboden.

בְּלִבִּי צָפַנְתִּי אִמְרָתֶךָ לְמַעַן לֹא אֶחֱטָא לָךְ:

In mijn hart heb ik Uw woord verborgen, opdat ik niet tegen U zou zondigen.

בָּרוּךְ אַתָּה יְהוָה לַמְּדֵנִי חֻקֶּיךָ:

Gezegend zijt Gij, o Eeuwige; leer mij Uw inzettingen.

בִּשְׂפָתַי סִפַּרְתִּי כֹּל מִשְׁפְּטֵי פִיךָ:

Met mijn lippen heb ik alle oordelen van Uw mond verkondigd.

בְּדֶרֶךְ עֵדְוֹתֶיךָ שַׂשְׂתִּי כְּעַל כָּל הוֹן:

Over de weg van Uw getuigenissen verheugde ik mij als over alle rijkdom.

בְּפִקֻּדֶיךָ אָשִׂיחָה וְאַבִּיטָה אֹרְחֹתֶיךָ:

Over Uw bevelen zal ik overpeinzen, en ik zal op Uw wegen letten.

בְּחֻקֹּתֶיךָ אֶשְׁתַּעֲשָׁע לֹא אֶשְׁכַּח דְּבָרֶךָ:

Met Uw inzettingen zal ik mij bezighouden; ik zal Uw woord niet vergeten.

(פ) גְּמֹל עַל עַבְדְּךָ אֶחְיֶה וְאֶשְׁמְרָה דְבָרֶךָ:

Bewijs goedheid aan Uw dienaar; ik zal leven en ik zal Uw woord onderhouden.

גַּל עֵינַי וְאַבִּיטָה נִפְלָאוֹת מִתּוֹרָתֶךָ:

Ontsluit mijn ogen, en ik zal de verborgen dingen uit Uw Tora aanschouwen.

גֵּר אָנֹכִי בָאָרֶץ אַל תַּסְתֵּר מִמֶּנִּי מִצְוֹתֶיךָ:

Ik ben een vreemdeling in het land; verberg Uw geboden niet voor mij.

גָּרְסָה נַפְשִׁי לְתַאֲבָה אֶל מִשְׁפָּטֶיךָ בְכָל עֵת:

Mijn ziel is verbrijzeld van verlangen naar Uw oordelen, te allen tijde.

גָּעַרְתָּ זֵדִים אֲרוּרִים הַשֹּׁגִים מִמִּצְוֹתֶיךָ:

Gij bestraft de vervloekte moedwillige zondaars die afdwalen van Uw geboden.

גַּל מֵעָלַי חֶרְפָּה וָבוּז כִּי עֵדֹתֶיךָ נָצָרְתִּי:

Neem van mij smaad en verachting weg, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.

גַּם יָשְׁבוּ שָׂרִים בִּי נִדְבָּרוּ עַבְדְּךָ יָשִׂיחַ בְּחֻקֶּיךָ:

Ook al zaten vorsten en spraken over mij, Uw dienaar overpeinsde Uw inzettingen.

גַּם עֵדֹתֶיךָ שַׁעֲשֻׁעָי אַנְשֵׁי עֲצָתִי:

Ook zijn Uw getuigenissen mijn vreugde, de mannen van mijn raad.

(פ) דָּבְקָה לֶעָפָר נַפְשִׁי חַיֵּנִי כִּדְבָרֶךָ:

Mijn ziel kleeft aan het stof; doe mij herleven naar Uw woord.

דְּרָכַי סִפַּרְתִּי וַתַּעֲנֵנִי לַמְּדֵנִי חֻקֶּיךָ:

Ik vertelde over mijn wegen, en Gij antwoordde mij; leer mij Uw inzettingen.

דֶּרֶךְ פִּקּוּדֶיךָ הֲבִינֵנִי וְאָשִׂיחָה בְּנִפְלְאוֹתֶיךָ:

Doe mij Uw bevelen verstaan, en ik zal van Uw wonderen spreken.

דָּלְפָה נַפְשִׁי מִתּוּגָה קַיְּמֵנִי כִּדְבָרֶךָ:

Mijn ziel druipt van verdriet; sterk mij naar Uw woord.

דֶּרֶךְ שֶׁקֶר הָסֵר מִמֶּנִּי וְתוֹרָתְךָ חָנֵּנִי:

Neem de weg der valsheid van mij weg, en begunstig mij met Uw Tora.

דֶּרֶךְ אֱמוּנָה בָחָרְתִּי מִשְׁפָּטֶיךָ שִׁוִּיתִי:

Ik heb de weg der trouw gekozen; Uw oordelen heb ik mij voor ogen gesteld.

דָּבַקְתִּי בְעֵדְוֹתֶיךָ יְהוָה אַל תְּבִישֵׁנִי:

Ik kleef aan Uw getuigenissen; o Eeuwige, stel mij niet te schande.

דֶּרֶךְ מִצְוֹתֶיךָ אָרוּץ כִּי תַרְחִיב לִבִּי:

De weg van Uw geboden zal ik lopen, want Gij zult mijn inzicht verruimen.

(פ) הוֹרֵנִי יְהוָה דֶּרֶךְ חֻקֶּיךָ וְאֶצְּרֶנָּה עֵקֶב:

Onderwijs mij, o Eeuwige, de weg van Uw inzettingen, en ik zal die bij elke stap onderhouden.

הֲבִינֵנִי וְאֶצְּרָה תוֹרָתֶךָ וְאֶשְׁמְרֶנָּה בְכָל לֵב:

Geef mij inzicht, en ik zal Uw Tora onderhouden, en ik zal die met heel mijn hart onderhouden.

הַדְרִיכֵנִי בִּנְתִיב מִצְוֹתֶיךָ כִּי בוֹ חָפָצְתִּי:

Leid mij op het pad van Uw geboden, want daarin heb ik mijn vreugde.

הַט לִבִּי אֶל עֵדְוֹתֶיךָ וְאַל אֶל בָּצַע:

Neig mijn hart tot Uw getuigenissen en niet tot geldgewin.

הַעֲבֵר עֵינַי מֵרְאוֹת שָׁוְא בִּדְרָכֶךָ חַיֵּנִי:

Wend mijn ogen af van het zien van ijdelheid; doe mij leven op Uw wegen.

הָקֵם לְעַבְדְּךָ אִמְרָתֶךָ אֲשֶׁר לְיִרְאָתֶךָ:

Vervul aan Uw dienaar Uw woord, dat tot Uw vrees leidt.

הַעֲבֵר חֶרְפָּתִי אֲשֶׁר יָגֹרְתִּי כִּי מִשְׁפָּטֶיךָ טוֹבִים:

Neem mijn smaad weg, die ik vreesde, want Uw oordelen zijn goed.

הִנֵּה תָּאַבְתִּי לְפִקֻּדֶיךָ בְּצִדְקָתְךָ חַיֵּנִי:

Zie, ik heb naar Uw bevelen verlangd; doe mij leven door Uw gerechtigheid.

(פ) וִיבֹאֻנִי חֲסָדֶךָ יְהוָה תְּשׁוּעָתְךָ כְּאִמְרָתֶךָ:

En mogen Uw daden van goedheid over mij komen, o Eeuwige, Uw redding naar Uw woord.

וְאֶעֱנֶה חֹרְפִי דָבָר כִּי בָטַחְתִּי בִּדְבָרֶךָ:

En ik zal een woord antwoorden aan wie mij smaden, want ik heb op Uw woord vertrouwd.

וְאַל תַּצֵּל מִפִּי דְבַר אֱמֶת עַד מְאֹד כִּי לְמִשְׁפָּטֶךָ יִחָלְתִּי:

En neem het woord der waarheid niet geheel uit mijn mond weg, want ik heb op Uw oordelen gehoopt.

וְאֶשְׁמְרָה תוֹרָתְךָ תָמִיד לְעוֹלָם וָעֶד:

En ik zal Uw Tora voortdurend onderhouden, voor eeuwig en altijd.

וְאֶתְהַלְּכָה בָרְחָבָה כִּי פִקֻּדֶיךָ דָרָשְׁתִּי:

En ik zal in ruime wegen wandelen, want ik heb Uw bevelen gezocht.

וַאֲדַבְּרָה בְעֵדֹתֶיךָ נֶגֶד מְלָכִים וְלֹא אֵבוֹשׁ:

En ik zal over Uw getuigenissen spreken in aanwezigheid van koningen, en ik zal niet beschaamd worden.

וְאֶשְׁתַּעֲשַׁע בְּמִצְוֹתֶיךָ אֲשֶׁר אָהָבְתִּי:

En ik zal mij bezighouden met Uw geboden, die ik liefheb.

וְאֶשָּׂא כַפַּי אֶל מִצְוֹתֶיךָ אֲשֶׁר אָהָבְתִּי וְאָשִׂיחָה בְחֻקֶּיךָ:

En ik zal mijn handen opheffen tot Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal over Uw inzettingen overpeinzen.

(פ) זְכֹר דָּבָר לְעַבְדֶּךָ עַל אֲשֶׁר יִחַלְתָּנִי:

Gedenk het woord aan Uw dienaar, waardoor Gij mij hoop hebt gegeven.

זֹאת נֶחָמָתִי בְעָנְיִי כִּי אִמְרָתְךָ חִיָּתְנִי:

Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw woord heeft mij in leven gehouden.

זֵדִים הֱלִיצֻנִי עַד מְאֹד מִתּוֹרָתְךָ לֹא נָטִיתִי:

Moedwillige zondaars bespotten mij hevig; ik week niet af van Uw Tora.

זָכַרְתִּי מִשְׁפָּטֶיךָ מֵעוֹלָם יְהוָה וָאֶתְנֶחָם:

Ik gedacht Uw oordelen van ouds, o Eeuwige, en ik werd getroost.

זַלְעָפָה אֲחָזַתְנִי מֵרְשָׁעִים עֹזְבֵי תּוֹרָתֶךָ:

Beving greep mij aan vanwege de goddelozen die Uw Tora verlieten.

זְמִרוֹת הָיוּ לִי חֻקֶּיךָ בְּבֵית מְגוּרָי:

Uw inzettingen waren mij als liederen in het huis van mijn vreemdelingschap.

זָכַרְתִּי בַלַּיְלָה שִׁמְךָ יְהוָה וָאֶשְׁמְרָה תּוֹרָתֶךָ:

Des nachts gedacht ik Uw Naam, o Eeuwige, en ik onderhield Uw Tora.

זֹאת הָיְתָה לִּי כִּי פִקֻּדֶיךָ נָצָרְתִּי:

Dit overkwam mij, omdat ik Uw bevelen onderhield.

(פ) חֶלְקִי יְהוָה אָמַרְתִּי לִשְׁמֹר דְּבָרֶיךָ:

“De Eeuwige is mijn deel,” zei ik, om Uw woorden te onderhouden.

חִלִּיתִי פָנֶיךָ בְכָל לֵב חָנֵּנִי כְּאִמְרָתֶךָ:

Ik smeekte U met heel mijn hart; begunstig mij naar Uw woord.

חִשַּׁבְתִּי דְרָכָי וָאָשִׁיבָה רַגְלַי אֶל עֵדֹתֶיךָ:

Ik overwoog mijn wegen, en ik richtte mijn voeten terug naar Uw getuigenissen.

חַשְׁתִּי וְלֹא הִתְמַהְמָהְתִּי לִשְׁמֹר מִצְוֹתֶיךָ:

Ik haastte mij en talmde niet om Uw geboden te onderhouden.

חֶבְלֵי רְשָׁעִים עִוְּדֻנִי תּוֹרָתְךָ לֹא שָׁכָחְתִּי:

Benden van goddelozen beroofden mij; ik vergat Uw Tora niet.

חֲצוֹת לַיְלָה אָקוּם לְהוֹדוֹת לָךְ עַל מִשְׁפְּטֵי צִדְקֶךָ:

Te middernacht sta ik op om U te danken voor Uw rechtvaardige oordelen.

חָבֵר אָנִי לְכָל אֲשֶׁר יְרֵאוּךָ וּלְשֹׁמְרֵי פִּקּוּדֶיךָ:

Ik ben een metgezel van allen die U vrezen en van hen die Uw bevelen onderhouden.

חַסְדְּךָ יְהוָה מָלְאָה הָאָרֶץ חֻקֶּיךָ לַמְּדֵנִי:

O Eeuwige, de aarde is vol van Uw goedheid; leer mij Uw inzettingen.

(פ) טוֹב עָשִׂיתָ עִם עַבְדְּךָ יְהוָה כִּדְבָרֶךָ:

Gij hebt goed gedaan aan Uw dienaar, o Eeuwige, naar Uw woord.

טוּב טַעַם וָדַעַת לַמְּדֵנִי כִּי בְמִצְוֹתֶיךָ הֶאֱמָנְתִּי:

Het beste van rede en kennis, leer mij, want ik geloof in Uw geboden.

טֶרֶם אֶעֱנֶה אֲנִי שֹׁגֵג וְעַתָּה אִמְרָתְךָ שָׁמָרְתִּי:

Voordat ik gestraft werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.

טוֹב אַתָּה וּמֵטִיב לַמְּדֵנִי חֻקֶּיךָ:

Gij zijt goed en Gij doet goed; leer mij Uw inzettingen.

טָפְלוּ עָלַי שֶׁקֶר זֵדִים אֲנִי בְּכָל לֵב אֱצֹּר פִּקּוּדֶיךָ:

Moedwillige zondaars hebben valse beschuldigingen tegen mij opgestapeld, maar ik onderhoud Uw bevelen met heel mijn hart.

טָפַשׁ כַּחֵלֶב לִבָּם אֲנִי תּוֹרָתְךָ שִׁעֲשָׁעְתִּי:

Dik als vet is hun hart, maar ik houd mij bezig met Uw Tora.

טוֹב לִי כִי עֻנֵּיתִי לְמַעַן אֶלְמַד חֻקֶּיךָ:

Het is goed voor mij dat ik verdrukt werd, opdat ik Uw inzettingen leer.

טוֹב לִי תוֹרַת פִּיךָ מֵאַלְפֵי זָהָב וָכָסֶף:

Het onderricht van Uw mond is beter voor mij dan duizenden stukken goud en zilver.

(פ) יָדֶיךָ עָשׂוּנִי וַיְכוֹנְנוּנִי הֲבִינֵנִי וְאֶלְמְדָה מִצְוֹתֶיךָ:

Uw handen hebben mij gemaakt en gevormd; geef mij inzicht, en ik zal Uw geboden leren.

יְרֵאֶיךָ יִרְאוּנִי וְיִשְׂמָחוּ כִּי לִדְבָרְךָ יִחָלְתִּי:

Wie U vrezen, zullen mij zien en zich verheugen, want ik heb op Uw woord gehoopt.

יָדַעְתִּי יְהוָה כִּי צֶדֶק מִשְׁפָּטֶיךָ וֶאֱמוּנָה עִנִּיתָנִי:

Ik weet, o Eeuwige, dat Uw oordelen rechtvaardig zijn, en dat Gij mij in trouw hebt verdrukt.

יְהִי נָא חַסְדְּךָ לְנַחֲמֵנִי כְּאִמְרָתְךָ לְעַבְדֶּךָ:

Moge Uw goedheid nu over mij zijn om mij te troosten, naar Uw woord aan Uw dienaar.

יְבֹאוּנִי רַחֲמֶיךָ וְאֶחְיֶה כִּי תוֹרָתְךָ שַׁעֲשֻׁעָי:

Moge Uw barmhartigheid over mij komen, opdat ik leve, want Uw Tora is mijn vreugde.

יֵבֹשׁוּ זֵדִים כִּי שֶׁקֶר עִוְּתוּנִי אֲנִי אָשִׂיחַ בְּפִקּוּדֶיךָ:

Mogen de moedwillige zondaars beschaamd worden, want zij hebben mij ten onrechte veroordeeld; ik zal over Uw bevelen overpeinzen.

יָשׁוּבוּ לִי יְרֵאֶיךָ (וידעו) וְיֹדְעֵי עֵדֹתֶיךָ:

Mogen zij die U vrezen en zij die Uw getuigenissen kennen, tot mij terugkeren.

יְהִי לִבִּי תָמִים בְּחֻקֶּיךָ לְמַעַן לֹא אֵבוֹשׁ:

Moge mijn hart volmaakt zijn in Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.

(פ) כָּלְתָה לִתְשׁוּעָתְךָ נַפְשִׁי לִדְבָרְךָ יִחָלְתִּי:

Mijn ziel smacht naar Uw redding; op Uw woord hoop ik.

כָּלוּ עֵינַי לְאִמְרָתֶךָ לֵאמֹר מָתַי תְּנַחֲמֵנִי:

Mijn ogen smachten naar Uw woord, zeggend: “Wanneer zult Gij mij troosten?”

כִּי הָיִיתִי כְּנֹאד בְּקִיטוֹר חֻקֶּיךָ לֹא שָׁכָחְתִּי:

Want ik ben geworden als een wijnzak in de rook; Uw inzettingen heb ik niet vergeten.

כַּמָּה יְמֵי עַבְדֶּךָ מָתַי תַּעֲשֶׂה בְרֹדְפַי מִשְׁפָּט:

Hoeveel zijn de dagen van Uw dienaar? Wanneer zult Gij oordelen voltrekken aan mijn vervolgers?

כָּרוּ לִי זֵדִים שִׁיחוֹת אֲשֶׁר לֹא כְתוֹרָתֶךָ:

Moedwillige zondaars hebben kuilen voor mij gegraven, wat niet naar Uw Tora is.

כָּל מִצְוֹתֶיךָ אֱמוּנָה שֶׁקֶר רְדָפוּנִי עָזְרֵנִי:

Al Uw geboden zijn getrouw; zij vervolgden mij zonder reden; help mij.

כִּמְעַט כִּלּוּנִי בָאָרֶץ וַאֲנִי לֹא עָזַבְתִּי פִקֻּודֶיךָ:

Zij hadden mij bijna van de aarde verdelgd, maar ik verliet Uw bevelen niet.

כְּחַסְדְּךָ חַיֵּנִי וְאֶשְׁמְרָה עֵדוּת פִּיךָ:

Naar Uw goedheid, doe mij leven, en ik zal de getuigenis van Uw mond onderhouden.

(פ) לְעוֹלָם יְהוָה דְּבָרְךָ נִצָּב בַּשָּׁמָיִם:

Voor eeuwig, o Eeuwige, staat Uw woord vast in de hemelen.

לְדֹר וָדֹר אֱמוּנָתֶךָ כּוֹנַנְתָּ אֶרֶץ וַתַּעֲמֹד:

Uw trouw is tot elk geslacht; Gij hebt de aarde gegrondvest en zij blijft bestaan.

לְמִשְׁפָּטֶיךָ עָמְדוּ הַיּוֹם כִּי הַכֹּל עֲבָדֶיךָ:

Naar Uw oordelen staan zij heden, want allen zijn Uw dienaren.

לוּלֵי תוֹרָתְךָ שַׁעֲשֻׁעָי אָז אָבַדְתִּי בְעָנְיִי:

Was Uw Tora niet mijn vreugde geweest, dan was ik in mijn ellende vergaan.

לְעוֹלָם לֹא אֶשְׁכַּח פִּקּוּדֶיךָ כִּי בָם חִיִּיתָנִי:

Nooit zal ik Uw bevelen vergeten, want door hen hebt Gij mij in leven gehouden.

לְךָ אֲנִי הוֹשִׁיעֵנִי כִּי פִקּוּדֶיךָ דָרָשְׁתִּי:

Ik ben de Uwe; red mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.

לִי קִוּוּ רְשָׁעִים לְאַבְּדֵנִי עֵדֹתֶיךָ אֶתְבּוֹנָן:

Wat mij betreft: de goddelozen hoopten mij te vernietigen; ik zal Uw getuigenissen overdenken.

לְכָל תִּכְלָה רָאִיתִי קֵץ רְחָבָה מִצְוָתְךָ מְאֹד:

Van al wat eindig is heb ik het einde gezien; Uw geboden zijn zeer ruim.

(פ) מָה אָהַבְתִּי תוֹרָתֶךָ כָּל הַיּוֹם הִיא שִׂיחָתִי:

Hoe heb ik Uw Tora lief! De hele dag is zij mijn overpeinzing.

מֵאֹיְבַי תְּחַכְּמֵנִי מִצְוֹתֶךָ כִּי לְעוֹלָם הִיא לִי:

Elk van Uw geboden maakt mij wijzer dan mijn vijanden, want het is altijd het mijne.

מִכָּל מְלַמְּדַי הִשְׂכַּלְתִּי כִּי עֵדְוֹתֶיךָ שִׂיחָה לִֿי:

Van al mijn leraren heb ik inzicht verkregen, want Uw getuigenissen zijn mijn overpeinzing.

מִזְּקֵנִים אֶתְבּוֹנָן כִּי פִקּוּדֶיךָ נָצָרְתִּי:

Van de wijze ouderen verkrijg ik inzicht, want ik heb Uw bevelen onderhouden.

מִכָּל אֹרַח רָע כָּלִאתִי רַגְלָי לְמַעַן אֶשְׁמֹר דְּבָרֶךָ:

Van elke kwade weg heb ik mijn voeten weerhouden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.

מִמִּשְׁפָּטֶיךָ לֹא סָרְתִּי כִּי אַתָּה הוֹרֵתָנִי:

Van Uw oordelen ben ik niet afgeweken, want U hebt mij geleid.

מַה נִּמְלְצוּ לְחִכִּי אִמְרָתֶךָ מִדְּבַשׁ לְפִי:

Hoe zoet zijn Uw woorden aan mijn gehemelte, meer dan honing aan mijn mond!

מִפִּקּוּדֶיךָ אֶתְבּוֹנָן עַל כֵּן שָׂנֵאתִי כָּל אֹרַח שָׁקֶר:

Uit Uw bevelen verkrijg ik inzicht; daarom haat ik alle wegen van leugen.

(פ) נֵר לְרַגְלִי דְבָרֶךָ וְאוֹר לִנְתִיבָתִי:

Uw woord is een lamp voor mijn voet en licht voor mijn pad.

נִשְׁבַּעְתִּי וָאֲקַיֵּמָה לִשְׁמֹר מִשְׁפְּטֵי צִדְקֶךָ:

Ik heb gezworen en ik heb het volbracht, om de oordelen van Uw gerechtigheid te onderhouden.

נַעֲנֵיתִי עַד מְאֹד יְהוָה חַיֵּנִי כִדְבָרֶךָ:

Ik ben uitermate vernederd; Eeuwige, houd mij staande naar Uw woord.

נִדְבוֹת פִּי רְצֵה נָא יְהוָה וּמִשְׁפָּטֶיךָ לַמְּדֵנִי:

De vrijwillige offers van mijn mond, aanvaard ze nu, Eeuwige, en leer mij Uw oordelen.

נַפְשִׁי בְכַפִּי תָמִיד וְתוֹרָתְךָ לֹא שָׁכָחְתִּי:

Mijn ziel is voortdurend in mijn hand, en ik heb Uw Tora niet vergeten.

נָתְנוּ רְשָׁעִים פַּח לִי וּמִפִּקּוּדֶיךָ לֹא תָעִיתִי:

De goddelozen hebben een strik voor mij gelegd, maar ik ben niet afgedwaald van Uw bevelen.

נָחַלְתִּי עֵדְוֹתֶיךָ לְעוֹלָם כִּי שְׂשׂוֹן לִבִּי הֵמָּה:

Ik heb Uw getuigenissen voor eeuwig geërfd, want zij zijn de vreugde van mijn hart.

נָטִיתִי לִבִּי לַעֲשׂוֹת חֻקֶּיךָ לְעוֹלָם עֵקֶב:

Ik heb mijn hart geneigd om Uw inzettingen voor eeuwig te volbrengen, op hun paden.

(פ) סֵעֲפִים שָׂנֵאתִי וְתוֹרָתְךָ אָהָבְתִּי:

Ik haat hen die onrechtvaardige gedachten koesteren, maar Uw Tora heb ik lief.

סִתְרִי וּמָגִנִּי אָתָּה לִדְבָרְךָ יִחָלְתִּי:

U bent mijn bescherming en mijn schild; ik hoopte op Uw woord.

סוּרוּ מִמֶּנִּי מְרֵעִים וְאֶצְּרָה מִצְוֹת אֱלֹהָי:

Ga weg van mij, kwaaddoeners, en ik zal de geboden van mijn God onderhouden.

סָמְכֵנִי כְאִמְרָתְךָ וְאֶחְיֶה וְאַל תְּבִישֵׁנִי מִשִּׂבְרִי:

Ondersteun mij naar Uw woord, en ik zal leven, en stel mij niet teleur vanwege mijn hoop.

סְעָדֵנִי וְאִוָּשֵׁעָה וְאֶשְׁעָה בְחֻקֶּיךָ תָמִיד:

Houd mij staande en ik zal gered worden, en ik zal mij voortdurend met Uw inzettingen bezighouden.

סָלִיתָ כָּל שׁוֹגִים מֵחֻקֶּיךָ כִּי שֶׁקֶר תַּרְמִיתָם:

U hebt allen vertrapt die afdwalen van Uw inzettingen, want hun bedrog is vals.

סִגִים הִשְׁבַּתָּ כָל רִשְׁעֵי אָרֶץ לָכֵן אָהַבְתִּי עֵדֹתֶיךָ:

Als schuim hebt U alle goddelozen van de aarde weggesneden; daarom heb ik Uw getuigenissen lief.

סָמַר מִפַּחְדְּךָ בְשָׂרִי וּמִמִּשְׁפָּטֶיךָ יָרֵאתִי:

Mijn vlees huivert van vrees voor U, en ik vrees Uw oordelen.

(פ) עָשִׂיתִי מִשְׁפָּט וָצֶדֶק בַּל תַּנִּיחֵנִי לְעֹשְׁקָי:

Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; laat mij niet over aan mijn onderdrukkers.

עֲרֹב עַבְדְּךָ לְטוֹב אַל יַעַשְׁקֻנִי זֵדִים:

Wees borg voor Uw dienaar ten goede; laat de moedwillige zondaars mij niet onderdrukken.

עֵינַי כָּלוּ לִישׁוּעָתֶךָ וּלְאִמְרַת צִדְקֶךָ:

Mijn ogen smachtten naar Uw verlossing en naar het woord van Uw gerechtigheid.

עֲשֵׂה עִם עַבְדְּךָ כְחַסְדֶּךָ וְחֻקֶּיךָ לַמְּדֵנִי:

Handel met Uw dienaar naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.

עַבְדְּךָ אָנִי הֲבִינֵנִי וְאֵדְעָה עֵדֹתֶיךָ:

Ik ben Uw dienaar; geef mij inzicht, en ik zal Uw getuigenissen kennen.

עֵת לַעֲשׂוֹת לַיהוָה הֵפֵרוּ תּוֹרָתֶךָ:

Het is tijd om te handelen voor de Eeuwige; zij hebben Uw Tora krachteloos gemaakt.

עַל כֵּן אָהַבְתִּי מִצְוֹתֶיךָ מִזָּהָב וּמִפָּז:

Omdat ik Uw geboden meer liefhad dan goud, ja zelfs meer dan fijn goud.

עַל כֵּן כָּל פִּקּוּדֵי כֹל יִשָּׁרְתִּי כָּל אֹרַח שֶׁקֶר שָׂנֵאתִי:

Omdat ik alle bevelen aangaande alle dingen voor recht hield; en elke valse weg heb ik gehaat.

(פ) פְּלָאוֹת עֵדְוֹתֶיךָ עַל כֵּן נְצָרָתַם נַפְשִׁי:

Uw getuigenissen zijn verborgen; daarom heeft mijn ziel ze onderhouden.

פֵּתַח דְּבָרֶיךָ יָאִיר מֵבִין פְּתָיִים:

Het begin van Uw woorden verlicht; U geeft de eenvoudigen inzicht.

פִּי פָעַרְתִּי וָאֶשְׁאָפָה כִּי לְמִצְוֹתֶיךָ יָאָבְתִּי:

Ik opende mijn mond en hijgde, want ik verlangde naar Uw geboden.

פְּנֵה אֵלַי וְחָנֵּנִי כְּמִשְׁפָּט לְאֹהֲבֵי שְׁמֶךָ:

Wend U tot mij en wees mij genadig, zoals Uw gewoonte is met hen die Uw Naam liefhebben.

פְּעָמַי הָכֵן בְּאִמְרָתֶךָ וְאַל תַּשְׁלֶט בִּי כָל אָוֶן:

Maak mijn stappen vast met Uw woord, en laat geen enkel onrecht over mij heersen.

פְּדֵנִי מֵעֹשֶׁק אָדָם וְאֶשְׁמְרָה פִּקּוּדֶיךָ:

Verlos mij van de onderdrukking door de mens, en ik zal Uw bevelen onderhouden.

פָּנֶיךָ הָאֵר בְּעַבְדֶּךָ וְלַמְּדֵנִי אֶת חֻקֶּיךָ:

Laat Uw aangezicht over Uw dienaar lichten en leer mij Uw inzettingen.

פַּלְגֵי מַיִם יָרְדוּ עֵינָי עַל לֹא שָׁמְרוּ תוֹרָתֶךָ:

Stromen water vloeiden uit mijn ogen, omdat zij Uw Tora niet onderhielden.

(פ) צַדִּיק אַתָּה יְהוָה וְיָשָׁר מִשְׁפָּטֶיךָ:

U bent rechtvaardig, Eeuwige, en Uw oordelen zijn recht.

צִוִּיתָ צֶדֶק עֵדֹתֶיךָ וֶאֱמוּנָה מְאֹד:

U hebt Uw getuigenissen geboden, die gerechtigheid zijn, en zij zijn uitermate getrouw.

צִמְּתַתְנִי קִנְאָתִי כִּי שָׁכְחוּ דְבָרֶיךָ צָרָי:

Mijn ijver verteert mij, want mijn tegenstanders hebben Uw woorden vergeten.

צְרוּפָה אִמְרָתְךָ מְאֹד וְעַבְדְּךָ אֲהֵבָהּ:

Uw woord is zeer zuiver, en Uw dienaar heeft het lief.

צָעִיר אָנֹכִי וְנִבְזֶה פִּקֻּדֶיךָ לֹא שָׁכָחְתִּי:

Ik ben jong en veracht; ik heb Uw bevelen niet vergeten.

צִדְקָתְךָ צֶדֶק לְעוֹלָם וְתוֹרָתְךָ אֱמֶת:

Uw gerechtigheid is eeuwige gerechtigheid, en Uw Tora is waarheid.

צַר וּמָצוֹק מְצָאוּנִי מִצְוֹתֶיךָ שַׁעֲשֻׁעָי:

Benauwdheid en angst hebben mij overvallen; Uw geboden zijn mijn vreugde.

צֶדֶק עֵדְוֹתֶיךָ לְעוֹלָם הֲבִינֵנִי וְאֶחְיֶה:

De gerechtigheid van Uw getuigenissen is eeuwig; geef mij inzicht en ik zal leven.

(פ) קָרָאתִי בְכָל לֵב עֲנֵנִי יְהוָה חֻקֶּיךָ אֶצֹּרָה:

Ik riep met heel mijn hart; antwoord mij, Eeuwige; ik zal Uw inzettingen onderhouden.

קְרָאתִיךָ הוֹשִׁיעֵנִי וְאֶשְׁמְרָה עֵדֹתֶיךָ:

Ik riep tot U; red mij en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.

קִדַּמְתִּי בַנֶּשֶׁף וָאֲשַׁוֵּעָה (לדבריך) לִדְבָרְךָ יִחָלְתִּי:

Ik stond vroeg op, toen het nog nacht was, en ik riep; ik hoopte op Uw woord.

קִדְּמוּ עֵינַי אַשְׁמֻרוֹת לָשִׂיחַ בְּאִמְרָתֶךָ:

Mijn ogen gingen de nachtwaken vooruit om over Uw woord te spreken.

קוֹלִי שִׁמְעָה כְחַסְדֶּךָ יְהוָה כְּמִשְׁפָּטֶךָ חַיֵּנִי:

Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid; Eeuwige, houd mij staande naar Uw gewoonte.

קָרְבוּ רֹדְפֵי זִמָּה מִתּוֹרָתְךָ רָחָקוּ:

Zij die wandaden najagen zijn naderbij gekomen; van Uw Tora hebben zij zich verwijderd.

קָרוֹב אַתָּה יְהוָה וְכָל מִצְוֹתֶיךָ אֱמֶת:

U bent nabij, Eeuwige, en al Uw geboden zijn waarheid.

קֶדֶם יָדַעְתִּי מֵעֵדֹתֶיךָ כִּי לְעוֹלָם יְסַדְתָּם:

Van vroeger wist ik uit Uw getuigenissen, want U hebt ze voor eeuwig gegrondvest.

(פ) רְאֵה עָנְיִי וְחַלְּצֵנִי כִּי תוֹרָתְךָ לֹא שָׁכָחְתִּי:

Zie mijn ellende en bevrijd mij, want ik heb Uw Tora niet vergeten.

רִיבָה רִיבִי וּגְאָלֵנִי לְאִמְרָתְךָ חַיֵּנִי:

Bepleit mijn zaak en verlos mij; houd mij staande naar Uw woord.

רָחוֹק מֵרְשָׁעִים יְשׁוּעָה כִּי חֻקֶּיךָ לֹא דָרָשׁוּ:

Verlossing is verre van de goddelozen, want zij hebben Uw inzettingen niet gezocht.

רַחֲמֶיךָ רַבִּים יְהוָה כְּמִשְׁפָּטֶיךָ חַיֵּנִי:

Uw barmhartigheden, Eeuwige, zijn overvloedig; houd mij staande naar Uw gewoonte.

רַבִּים רֹדְפַי וְצָרָי מֵעֵדְוֹתֶיךָ לֹא נָטִיתִי:

Talrijk zijn mijn vervolgers en mijn tegenstanders; van Uw getuigenissen ben ik niet afgeweken.

רָאִיתִי בֹגְדִים וָאֶתְקוֹטָטָה אֲשֶׁר אִמְרָתְךָ לֹא שָׁמָרוּ:

Ik zag verraders en ik twistte met hen, omdat zij Uw woord niet onderhielden.

רְאֵה כִּי פִקּוּדֶיךָ אָהָבְתִּי יְהוָה כְּחַסְדְּךָ חַיֵּנִי:

Zie dat ik Uw bevelen liefheb, Eeuwige; houd mij staande naar Uw goedertierenheid.

רֹאשׁ דְּבָרְךָ אֱמֶת וּלְעוֹלָם כָּל מִשְׁפַּט צִדְקֶךָ:

Het begin van Uw woord is waarheid, en elk van Uw rechtvaardige oordelen is eeuwig.

(פ) שָׂרִים רְדָפוּנִי חִנָּם (ומדבריך) וּמִדְּבָרְךָ פָּחַד לִבִּי:

Vorsten vervolgden mij zonder reden, maar mijn hart vreesde Uw woord.

שָׂשׂ אָנֹכִי עַל אִמְרָתֶךָ כְּמוֹצֵא שָׁלָל רָב:

Ik verheug mij over Uw woord als iemand die grote buit vindt.

שֶׁקֶר שָׂנֵאתִי וַאֲתַעֵבָה תּוֹרָתְךָ אָהָבְתִּי:

Ik haat de leugen en ik verafschuw haar; Uw Tora heb ik lief.

שֶׁבַע בַּיּוֹם הִלַּלְתִּיךָ עַל מִשְׁפְּטֵי צִדְקֶךָ:

Zeven keer per dag prijs ik U om Uw rechtvaardige oordelen.

שָׁלוֹם רָב לְאֹהֲבֵי תוֹרָתֶךָ וְאֵין לָמוֹ מִכְשׁוֹל:

Er is overvloedige vrede voor hen die Uw Tora liefhebben, en zij kennen geen struikelblok.

שִׂבַּרְתִּי לִישׁוּעָתְךָ יְהוָה וּמִצְוֹתֶיךָ עָשִׂיתִי:

Ik hoopte op Uw verlossing, Eeuwige, en ik heb Uw geboden volbracht.

שָׁמְרָה נַפְשִׁי עֵדֹתֶיךָ וָאֹהֲבֵם מְאֹד:

Mijn ziel heeft Uw getuigenissen onderhouden, en ik heb ze uitermate lief.

שָׁמַרְתִּי פִקּוּדֶיךָ וְעֵדֹתֶיךָ כִּי כָל דְּרָכַי נֶגְדֶּךָ:

Ik heb Uw bevelen en Uw getuigenissen onderhouden, want al mijn wegen liggen voor U.

(פ) תִּקְרַב רִנָּתִי לְפָנֶיךָ יְהוָה כִּדְבָרְךָ הֲבִינֵנִי:

Moge mijn smeekgebed voor U naderen, Eeuwige; geef mij inzicht naar Uw woord.

תָּבוֹא תְּחִנָּתִי לְפָנֶיךָ כְּאִמְרָתְךָ הַצִּילֵנִי:

Moge mijn smeking voor U komen; red mij naar Uw woord.

תַּבַּעְנָה שְׂפָתַי תְּהִלָּה כִּי תְלַמְּדֵנִי חֻקֶּיךָ:

Mijn lippen zullen lof uiten wanneer U mij Uw inzettingen leert.

תַּעַן לְשׁוֹנִי אִמְרָתֶךָ כִּי כָל מִצְוֹתֶיךָ צֶּדֶק:

Mijn tong zal Uw woord verkondigen, want al Uw geboden zijn rechtvaardig.

תְּהִי יָדְךָ לְעָזְרֵנִי כִּי פִקּוּדֶיךָ בָחָרְתִּי:

Moge Uw hand gereed zijn om mij te helpen, want ik heb Uw bevelen verkozen.

תָּאַבְתִּי לִישׁוּעָתְךָ יְהוָה וְתוֹרָתְךָ שַׁעֲשֻׁעָי:

Ik verlangde naar Uw verlossing, Eeuwige, en Uw Tora is mijn vreugde.

תְּחִי נַפְשִׁי וּתְהַלְלֶךָּ וּמִשְׁפָּטֶךָ יַעֲזְרֻנִי:

Moge mijn ziel leven en U prijzen, en mogen Uw oordelen mij helpen.

תָּעִיתִי כְּשֶׂה אֹבֵד בַּקֵּשׁ עַבְדֶּךָ כִּי מִצְוֹתֶיךָ לֹא שָׁכָחְתִּי:

Ik dwaalde als een verloren lam; zoek Uw dienaar, want ik heb Uw geboden niet vergeten.