שִׁיר הַמַּעֲלוֹת אֶל יְהוָה בַּצָּרָתָה לִּי קָרָאתִי וַיַּעֲנֵנִי:
Een lied van de opgangen. In mijn benauwdheid riep ik tot de Eeuwige, en Hij antwoordde mij.
יְהוָה הַצִּילָה נַפְשִׁי מִשְּׂפַת שֶׁקֶר מִלָּשׁוֹן רְמִיָּה:
Eeuwige, red mijn ziel van valse lippen, van een bedrieglijke tong.
מַה יִּתֵּן לְךָ וּמַה יֹּסִיף לָךְ לָשׁוֹן רְמִיָּה:
Wat kan Hij u geven, en wat kan Hij u toevoegen, bedrieglijke tong?
חִצֵּי גִבּוֹר שְׁנוּנִים עִם גַּחֲלֵי רְתָמִים:
Gescherpte pijlen van een machtige man met gloeiende kolen van bremstruiken.
אוֹיָה לִי כִּי גַרְתִּי מֶשֶׁךְ שָׁכַנְתִּי עִם אָהֳלֵי קֵדָר:
Wee mij, want ik heb als vreemdeling in Mesech verbleven; ik woonde tussen de tenten van Kedar.
רַבַּת שָׁכְנָה לָּהּ נַפְשִׁי עִם שׂוֹנֵא שָׁלוֹם:
Lange tijd woonde mijn ziel bij hen die de vrede haten.
אֲנִי שָׁלוֹם וְכִי אֲדַבֵּר הֵמָּה לַמִּלְחָמָה:
Ik ben de vrede toegedaan, maar wanneer ik spreek, zijn zij uit op oorlog.