שִׁיר הַמַּעֲלוֹת לְדָוִד שָׂמַחְתִּי בְּאֹמְרִים לִי בֵּית יְהוָה נֵלֵךְ:
Een lied van de opgangen, van David. Ik verheugde mij toen zij tot mij zeiden: "Laten wij naar het huis van de Eeuwige gaan."
עֹמְדוֹת הָיוּ רַגְלֵינוּ בִּשְׁעָרַיִךְ יְרוּשָׁלִָם:
Onze voeten stonden binnen uw poorten, Jeruzalem.
יְרוּשָׁלִַם הַבְּנוּיָה כְּעִיר שֶׁחֻבְּרָה לָּהּ יַחְדָּו:
Het herbouwde Jeruzalem is als een stad die in zichzelf samengevoegd is.
שֶׁשָּׁם עָלוּ שְׁבָטִים שִׁבְטֵי יָהּ עֵדוּת לְיִשְׂרָאֵל לְהֹדוֹת לְשֵׁם יְהוָה:
Daarheen trokken de stammen op, de stammen van God, een getuigenis voor Israeel, om de Naam van de Eeuwige te danken.
כִּי שָׁמָּה יָשְׁבוּ כִסְאוֹת לְמִשְׁפָּט כִּסְאוֹת לְבֵית דָּוִיד:
Want daar stonden tronen voor het gericht, tronen voor het huis van David.
שַׁאֲלוּ שְׁלוֹם יְרוּשָׁלִָם יִשְׁלָיוּ אֹהֲבָיִךְ:
Bid om de vrede van Jeruzalem; mogen zij die u liefhebben rust genieten.
יְהִי שָׁלוֹם בְּחֵילֵךְ שַׁלְוָה בְּאַרְמְנוֹתָיִךְ:
Moge er vrede zijn binnen uw muur, rust in uw paleizen.
לְמַעַן אַחַי וְרֵעָי אֲדַבְּרָה נָּא שָׁלוֹם בָּךְ:
Omwille van mijn broeders en mijn metgezellen zal ik nu van vrede in u spreken.
לְמַעַן בֵּית יְהוָה אֱלֹהֵינוּ אֲבַקְשָׁה טוֹב לָךְ:
Omwille van het huis van de Eeuwige, onze God, zal ik het goede voor u zoeken.