הַלְלוּיָהּ הַלְלוּ אֶת שֵׁם יְהוָה הַלְלוּ עַבְדֵי יְהוָה:
Halleluja, prijs de Naam van de Eeuwige, prijs Hem, dienaren van de Eeuwige,
שֶׁעֹמְדִים בְּבֵית יְהוָה בְּחַצְרוֹת בֵּית אֱלֹהֵינוּ:
Die staan in het huis van de Eeuwige, in de voorhoven van het huis van onze God.
הַלְלוּיָהּ כִּי טוֹב יְהוָה זַמְּרוּ לִשְׁמוֹ כִּי נָעִים:
Prijs God, want de Eeuwige is goed; zing voor Zijn Naam, want dat is liefelijk.
כִּי יַעֲקֹב בָּחַר לוֹ יָהּ יִשְׂרָאֵל לִסְגֻלָּתוֹ:
Want God heeft Jakob voor Zichzelf verkozen, Israeel tot Zijn kostbaar bezit.
כִּי אֲנִי יָדַעְתִּי כִּי גָדוֹל יְהוָה וַאֲדֹנֵינוּ מִכָּל אֱלֹהִים:
Want ik weet dat de Eeuwige groot is, en onze Heer is boven alle machten.
כֹּל אֲשֶׁר חָפֵץ יְהוָה עָשָׂה בַּשָּׁמַיִם וּבָאָרֶץ בַּיַּמִּים וְכָל תְּהוֹמוֹת:
Al wat de Eeuwige wilde, deed Hij in de hemel en op de aarde, in de zeeën en alle diepten.
מַעֲלֶה נְשִׂאִים מִקְצֵה הָאָרֶץ בְּרָקִים לַמָּטָר עָשָׂה מוֹצֵא רוּחַ מֵאוֹצְרוֹתָיו:
Hij doet de wolken opstijgen van het einde van de aarde; Hij maakte bliksems voor de regen; Hij brengt de wind uit Zijn schatkamers.
שֶׁהִכָּה בְּכוֹרֵי מִצְרָיִם מֵאָדָם עַד בְּהֵמָה:
Hij sloeg de eerstgeborenen van Egypte, van mens tot dier.
שָׁלַח אֹתוֹת וּמֹפְתִים בְּתוֹכֵכִי מִצְרָיִם בְּפַרְעֹה וּבְכָל עֲבָדָיו:
Hij zond tekenen en wonderen in het midden van Egypte, over Farao en over al zijn dienaren.
שֶׁהִכָּה גּוֹיִם רַבִּים וְהָרַג מְלָכִים עֲצוּמִים:
Hij sloeg grote volken neer en doodde machtige koningen.
לְסִיחוֹן מֶלֶךְ הָאֱמֹרִי וּלְעוֹג מֶלֶךְ הַבָּשָׁן וּלְכֹל מַמְלְכוֹת כְּנָעַן:
Sichon, de koning van de Amorieten, en Og, de koning van Basan, en alle koninkrijken van Kanaän.
וְנָתַן אַרְצָם נַחֲלָה נַחֲלָה לְיִשְׂרָאֵל עַמּוֹ:
En Hij gaf hun land tot een erfdeel, een erfdeel aan Israeel, Zijn volk.
יְהוָה שִׁמְךָ לְעוֹלָם יְהוָה זִכְרְךָ לְדֹר וָדֹר:
Eeuwige, Uw Naam is eeuwig; Eeuwige, Uw gedachtenis is door alle geslachten heen.
כִּי יָדִין יְהוָה עַמּוֹ וְעַל עֲבָדָיו יִתְנֶחָם:
Want de Eeuwige zal Zijn volk recht doen en Zich ontfermen over Zijn dienaren.
עֲצַבֵּי הַגּוֹיִם כֶּסֶף וְזָהָב מַעֲשֵׂה יְדֵי אָדָם:
De afgoden van de volken zijn zilver en goud, het werk van mensenhanden.
פֶּה לָהֶם וְלֹא יְדַבֵּרוּ עֵינַיִם לָהֶם וְלֹא יִרְאוּ:
Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet.
אָזְנַיִם לָהֶם וְלֹא יַאֲזִינוּ אַף אֵין יֶשׁ רוּחַ בְּפִיהֶם:
Zij hebben oren, maar luisteren niet; er is ook geen adem in hun mond.
כְּמוֹהֶם יִהְיוּ עֹשֵׂיהֶם כֹּל אֲשֶׁר בֹּטֵחַ בָּהֶם:
Aan hen gelijk zullen worden zij die ze maken, allen die op ze vertrouwen.
בֵּית יִשְׂרָאֵל בָּרְכוּ אֶת יְהוָה בֵּית אַהֲרֹן בָּרְכוּ אֶת יְהוָה:
Huis van Israeel, zegen de Eeuwige; huis van Aäron, zegen de Eeuwige.
בֵּית הַלֵּוִי בָּרְכוּ אֶת יְהוָה יִרְאֵי יְהוָה בָּרְכוּ אֶת יְהוָה:
Huis van Levi, zegen de Eeuwige; gij die de Eeuwige vreest, zegen de Eeuwige.
בָּרוּךְ יְהוָה מִצִּיּוֹן שֹׁכֵן יְרוּשָׁלִָם הַלְלוּיָהּ:
Gezegend is de Eeuwige vanuit Sion, Hij Die in Jeruzalem woont. Halleluja!