תְּפִלָּה לְדָוִד שִׁמְעָה יְהוָה צֶדֶק הַקְשִׁיבָה רִנָּתִי הַאֲזִינָה תְפִלָּתִי בְּלֹא שִׂפְתֵי מִרְמָה:
Een gebed van David; hoor, o Eeuwige, naar de gerechtigheid, luister naar mijn roepen, neem mijn gebed ter ore, [dat komt] zonder bedrieglijke lippen.
מִלְּפָנֶיךָ מִשְׁפָּטִי יֵצֵא עֵינֶיךָ תֶּחֱזֶינָה מֵישָׁרִים:
Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan; mogen Uw ogen op de oprechtheid zien.
בָּחַנְתָּ לִבִּי פָּקַדְתָּ לַּיְלָה צְרַפְתַּנִי בַל תִּמְצָא זַמֹּתִי בַּל יַעֲבָר פִּי:
Gij hebt mijn hart beproefd; Gij hebt mij des nachts bezocht. Gij hebt mij gelouterd en niets gevonden; indien ik kwaad bedacht, het ging mijn mond niet voorbij.
לִפְעֻלּוֹת אָדָם בִּדְבַר שְׂפָתֶיךָ אֲנִי שָׁמַרְתִּי אָרְחוֹת פָּרִיץ:
Wat de daden van de mens betreft, door het woord van Uw lippen heb ik mij gewacht voor de paden van de geweldenaar.
תָּמֹךְ אֲשֻׁרַי בְּמַעְגְּלוֹתֶיךָ בַּל נָמוֹטּוּ פְעָמָי:
Mijn schreden hielden vast aan Uw paden; mijn voeten wankelden niet.
אֲנִי קְרָאתִיךָ כִי תַעֲנֵנִי אֵל הַט אָזְנְךָ לִי שְׁמַע אִמְרָתִי:
Ik roep U aan, want Gij zult mij antwoorden, o God. Neig Uw oor tot mij; hoor mijn woord.
הַפְלֵה חֲסָדֶיךָ מוֹשִׁיעַ חוֹסִים מִמִּתְקוֹמְמִים בִּימִינֶךָ:
Toon de wonderen van Uw goedertierenheid, Gij die met Uw rechterhand verlost wie bij U schuilen voor hen die tegen [hen] opstaan.
שָׁמְרֵנִי כְּאִישׁוֹן בַּת עָיִן בְּצֵל כְּנָפֶיךָ תַּסְתִּירֵנִי:
Bewaar mij als de oogappel van het oog; verberg mij in de schaduw van Uw vleugels,
מִפְּנֵי רְשָׁעִים זוּ שַׁדּוּנִי אֹיְבַי בְּנֶפֶשׁ יַקִּיפוּ עָלָי:
voor de goddelozen die mij verwoesten; mijn doodsvijanden die mij omsingelen.
חֶלְבָּמוֹ סָּגְרוּ פִּימוֹ דִּבְּרוּ בְגֵאוּת:
[Met] hun vet hebben zij zich afgesloten; met hun mond spreken zij hoogmoedig.
אַשֻּׁרֵינוּ עַתָּה (סבבוני) סְבָבוּנוּ עֵינֵיהֶם יָשִׁיתוּ לִנְטוֹת בָּאָרֶץ:
[Bij] onze schreden omringen zij ons nu; zij richten hun ogen om ons ter aarde neer te werpen.
דִּמְיֹנוֹ כְּאַרְיֵה יִכְסוֹף לִטְרוֹף וְכִכְפִיר יֹשֵׁב בְּמִסְתָּרִים:
Hij gelijkt op een leeuw die naar buit smacht, en op een jonge leeuw die in verborgen plaatsen loert.
קוּמָה יְהוָה קַדְּמָה פָנָיו הַכְרִיעֵהוּ פַּלְּטָה נַפְשִׁי מֵרָשָׁע חַרְבֶּךָ:
Sta op, o Eeuwige, treed hem tegemoet, breng hem op de knieën; red mijn ziel van de goddeloze door Uw zwaard.
מִמְתִים יָדְךָ יְהוָה מִמְתִים מֵחֶלֶד חֶלְקָם בַּחַיִּים (וצפינך) וּצְפוּנְךָ תְּמַלֵּא בִטְנָם יִשְׂבְּעוּ בָנִים וְהִנִּיחוּ יִתְרָם לְעוֹלְלֵיהֶם:
Van hen die sterven door Uw hand, o Eeuwige, van hen die sterven van ouderdom, wier deel in dit leven is, en wier buik Gij vult met Uw verborgen schat, die kinderen in overvloed hebben en hun overvloed nalaten aan hun kleinen.
אֲנִי בְּצֶדֶק אֶחֱזֶה פָנֶיךָ אֶשְׂבְּעָה בְהָקִיץ תְּמוּנָתֶךָ:
Maar ik zal in gerechtigheid Uw aangezicht aanschouwen; bij het ontwaken zal ik verzadigd worden met Uw gestalte.