לָמָּה רָגְשׁוּ גוֹיִם וּלְאֻמִּים יֶהְגּוּ רִיק:
Waarom hebben de volken zich verzameld, en waarom bedenken de naties ijdele dingen?
יִתְיַצְּבוּ מַלְכֵי אֶרֶץ וְרוֹזְנִים נוֹסְדוּ יָחַד עַל יְהוָה וְעַל מְשִׁיחוֹ:
De koningen van de aarde staan op, en de vorsten beraadslagen tezamen tegen de Eeuwige en tegen Zijn gezalfde?
נְנַתְּקָה אֶת מוֹסְרוֹתֵימוֹ וְנַשְׁלִיכָה מִמֶּנּוּ עֲבֹתֵימוֹ:
"Laat ons hun banden verbreken en hun touwen van ons werpen."
יוֹשֵׁב בַּשָּׁמַיִם יִשְׂחָק אֲדֹנָי יִלְעַג לָמוֹ:
Hij die in de hemel woont, lacht; de Eeuwige spot met hen.
אָז יְדַבֵּר אֵלֵימוֹ בְאַפּוֹ וּבַחֲרוֹנוֹ יְבַהֲלֵמוֹ:
Dan spreekt Hij tot hen in Zijn toorn, en verschrikt Hij hen in Zijn brandende gramschap.
וַאֲנִי נָסַכְתִּי מַלְכִּי עַל צִיּוֹן הַר קָדְשִׁי:
"Maar Ik heb Mijn koning gezalfd op Sion, Mijn heilige berg."
אֲסַפְּרָה אֶל חֹק יְהוָה אָמַר אֵלַי בְּנִי אַתָּה אֲנִי הַיּוֹם יְלִדְתִּיךָ:
Ik zal het besluit verkondigen; de Eeuwige zei tot mij: "Gij zijt Mijn zoon; heden heb Ik u verwekt.
שְׁאַל מִמֶּנִּי וְאֶתְּנָה גוֹיִם נַחֲלָתֶךָ וַאֲחֻזָּתְךָ אַפְסֵי אָרֶץ:
Vraag van Mij, en Ik zal de volken tot uw erfdeel maken en de einden van de aarde tot uw bezit.
תְּרֹעֵם בְּשֵׁבֶט בַּרְזֶל כִּכְלִי יוֹצֵר תְּנַפְּצֵם:
Gij zult hen verbrijzelen met een ijzeren staf; als een pottenbakkersvat zult gij hen verpletteren."
וְעַתָּה מְלָכִים הַשְׂכִּילוּ הִוָּסְרוּ שֹׁפְטֵי אָרֶץ:
En nu, [gij] koningen, weest wijs; laat u vermanen, [gij] rechters van de aarde.
עִבְדוּ אֶת יְהוָה בְּיִרְאָה וְגִילוּ בִּרְעָדָה:
Dient de Eeuwige met ontzag, en verheugt u met beving.
נַשְּׁקוּ בַר פֶּן יֶאֱנַף וְתֹאבְדוּ דֶרֶךְ כִּי יִבְעַר כִּמְעַט אַפּוֹ אַשְׁרֵי כָּל חוֹסֵי בוֹ:
Wapent u met zuiverheid, opdat Hij niet vertoornd worde en gij niet vergaat op de weg, want in een ogenblik zal Zijn toorn ontbranden; gelukkig zijn allen die bij Hem schuilen.