מִזְמוֹר לְדָוִד בְּבָרְחוֹ מִפְּנֵי אַבְשָׁלוֹם בְּנוֹ:
Een lied van David, toen hij vluchtte voor Absalom, zijn zoon.
יְהוָה מָה רַבּוּ צָרָי רַבִּים קָמִים עָלָי:
O Eeuwige, hoe talrijk zijn mijn tegenstanders geworden! Velen staan tegen mij op.
רַבִּים אֹמְרִים לְנַפְשִׁי אֵין יְשׁוּעָתָה לּוֹ בֵאלֹהִים סֶלָה:
Velen zeggen van mijn ziel: "Hij heeft geen heil bij God in eeuwigheid."
וְאַתָּה יְהוָה מָגֵן בַּעֲדִי כְּבוֹדִי וּמֵרִים רֹאשִׁי:
Maar Gij, o Eeuwige, zijt een schild om mij heen, mijn eer en Hij die mijn hoofd opheft.
קוֹלִי אֶל יְהוָה אֶקְרָא וַיַּעֲנֵנִי מֵהַר קָדְשׁוֹ סֶלָה:
Met mijn stem roep ik tot de Eeuwige, en Hij antwoordde mij van Zijn heilige berg, in eeuwigheid.
אֲנִי שָׁכַבְתִּי וָאִישָׁנָה הֱקִיצוֹתִי כִּי יְהוָה יִסְמְכֵנִי:
Ik legde mij neer en sliep; ik ontwaakte, want de Eeuwige ondersteunt mij.
לֹא אִירָא מֵרִבְבוֹת עָם אֲשֶׁר סָבִיב שָׁתוּ עָלָי:
Ik vrees niet voor tienduizenden van het volk, die zich rondom tegen mij hebben opgesteld.
קוּמָה יְהוָה הוֹשִׁיעֵנִי אֱלֹהַי כִּי הִכִּיתָ אֶת כָּל אֹיְבַי לֶחִי שִׁנֵּי רְשָׁעִים שִׁבַּרְתָּ:
Sta op, o Eeuwige, verlos mij, mijn God, want Gij hebt al mijn vijanden op de kaak geslagen; de tanden van de goddelozen hebt Gij verbroken.
לַיהוָה הַיְשׁוּעָה עַל עַמְּךָ בִרְכָתֶךָ סֶּלָה:
Bij de Eeuwige is het heil; over Uw volk zij Uw zegen, in eeuwigheid.