לַמְנַצֵּחַ מִזְמוֹר לְדָוִד:
Voor de koorleider, een lied van David.
בְּךָ יְהוָה חָסִיתִי אַל אֵבוֹשָׁה לְעוֹלָם בְּצִדְקָתְךָ פַלְּטֵנִי:
Bij U heb ik mijn toevlucht gezocht, Eeuwige; laat mij nimmer beschaamd worden; red mij door Uw gerechtigheid.
הַטֵּה אֵלַי אָזְנְךָ מְהֵרָה הַצִּילֵנִי הֱיֵה לִי לְצוּר מָעוֹז לְבֵית מְצוּדוֹת לְהוֹשִׁיעֵנִי:
Neig Uw oor tot mij, red mij snel; wees mij een rots van sterkte, een vesting om mij te verlossen.
כִּי סַלְעִי וּמְצוּדָתִי אָתָּה וּלְמַעַן שִׁמְךָ תַּנְחֵנִי וּתְנַהֲלֵנִי:
Want U bent mijn Rots en mijn Vesting, en omwille van Uw Naam zult U mij leiden en mij geleiden.
תּוֹצִיאֵנִי מֵרֶשֶׁת זוּ טָמְנוּ לִי כִּי אַתָּה מָעוּזִּי:
U zult mij bevrijden uit dit net dat zij voor mij hebben verborgen, want U bent mijn vesting.
בְּיָדְךָ אַפְקִיד רוּחִי פָּדִיתָה אוֹתִי יְהוָה אֵל אֱמֶת:
In Uw hand vertrouw ik mijn geest toe; U hebt mij verlost, Eeuwige, God van waarheid.
שָׂנֵאתִי הַשֹּׁמְרִים הַבְלֵי שָׁוְא וַאֲנִי אֶל יְהוָה בָּטָחְתִּי:
Ik haatte hen die waardeloze ijdelheden vereren, maar ik hoopte op de Eeuwige.
אָגִילָה וְאֶשְׂמְחָה בְּחַסְדֶּךָ אֲשֶׁר רָאִיתָ אֶת עָנְיִי יָדַעְתָּ בְּצָרוֹת נַפְשִׁי:
Ik zal jubelen en mij verheugen in Uw goedertierenheid, want U hebt mijn ellende gezien; U hebt de benauwdheden van mijn ziel gekend.
וְלֹא הִסְגַּרְתַּנִי בְּיַד אוֹיֵב הֶעֱמַדְתָּ בַמֶּרְחָב רַגְלָי:
En U hebt mij niet overgeleverd in de handen van een vijand; U hebt mijn voeten in een ruime plaats gezet.
חָנֵּנִי יְהוָה כִּי צַר לִי עָשְׁשָׁה בְכַעַס עֵינִי נַפְשִׁי וּבִטְנִי:
Wees mij genadig, Eeuwige, want ik ben in nood; mijn oog is verzwakt van verdriet, mijn ziel en mijn lichaam.
כִּי כָלוּ בְיָגוֹן חַיַּי וּשְׁנוֹתַי בַּאֲנָחָה כָּשַׁל בַּעֲוֹנִי כֹחִי וַעֲצָמַי עָשֵׁשׁוּ:
Want mijn leven is verteerd in droefheid en mijn jaren in zuchten; mijn kracht is bezweken vanwege mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn vergaan.
מִכָּל צֹרְרַי הָיִיתִי חֶרְפָּה וְלִשֲׁכֵנַי מְאֹד וּפַחַד לִמְיֻדָּעָי רֹאַי בַּחוּץ נָדְדוּ מִמֶּנִּי:
Door al mijn kwellers ben ik een smaad geworden, en wel zeer voor mijn buren, en een schrik voor mijn bekenden; zij die mij buiten zien mijden mij.
נִשְׁכַּחְתִּי כְּמֵת מִלֵּב הָיִיתִי כִּכְלִי אֹבֵד:
Ik werd vergeten als een dode, uit het hart; ik was als een verloren voorwerp.
כִּי שָׁמַעְתִּי דִּבַּת רַבִּים מָגוֹר מִסָּבִיב בְּהִוָּסְדָם יַחַד עָלַי לָקַחַת נַפְשִׁי זָמָמוּ:
Want ik hoorde de laster van velen, schrik van alle kanten wanneer zij samen tegen mij beraadslagen; zij beraamden mijn ziel te nemen.
וַאֲנִי עָלֶיךָ בָטַחְתִּי יְהוָה אָמַרְתִּי אֱלֹהַי אָתָּה:
Maar ik vertrouwde op U, Eeuwige; ik zei: "U bent mijn God."
בְּיָדְךָ עִתֹּתָי הַצִּילֵנִי מִיַּד אוֹיְבַי וּמֵרֹדְפָי:
Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij uit de hand van mijn vijanden en van mijn vervolgers.
הָאִירָה פָנֶיךָ עַל עַבְדֶּךָ הוֹשִׁיעֵנִי בְחַסְדֶּךָ:
Doe Uw aangezicht over Uw dienaar lichten; red mij door Uw goedertierenheid.
יְהוָה אַל אֵבוֹשָׁה כִּי קְרָאתִיךָ יֵבֹשׁוּ רְשָׁעִים יִדְּמוּ לִשְׁאוֹל:
Eeuwige, laat mij niet beschaamd worden omdat ik U heb aangeroepen; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen verstommen tot in het graf.
תֵּאָלַמְנָה שִׂפְתֵי שָׁקֶר הַדֹּבְרוֹת עַל צַדִּיק עָתָק בְּגַאֲוָה וָבוּז:
Laat leugenachtige lippen stom worden, die in valsheid tegen een rechtvaardige spreken, met hoogmoed en verachting.
מָה רַב טוּבְךָ אֲשֶׁר צָפַנְתָּ לִּירֵאֶיךָ פָּעַלְתָּ לַחֹסִים בָּךְ נֶגֶד בְּנֵי אָדָם:
Hoe groot is Uw goedheid die U hebt weggelegd voor hen die U vrezen, die U hebt bewerkt voor hen die hun toevlucht bij U zoeken, in de tegenwoordigheid van de mensenkinderen!
תַּסְתִּירֵם בְּסֵתֶר פָּנֶיךָ מֵרֻכְסֵי אִישׁ תִּצְפְּנֵם בְּסֻכָּה מֵרִיב לְשֹׁנוֹת:
U zult hen verbergen in de verborgenheid van Uw aangezicht, weg van de samenscholingen van mensen; bescherm hen in een schuilplaats tegen de twist der tongen.
בָּרוּךְ יְהוָה כִּי הִפְלִיא חַסְדּוֹ לִי בְּעִיר מָצוֹר:
Gezegend is de Eeuwige, want Hij heeft mij wonderbaarlijk goedertieren bewezen in een belegerde stad.
וַאֲנִי אָמַרְתִּי בְחָפְזִי נִגְרַזְתִּי מִנֶּגֶד עֵינֶיךָ אָכֵן שָׁמַעְתָּ קוֹל תַּחֲנוּנַי בְּשַׁוְּעִי אֵלֶיךָ:
Maar ik zei in mijn haast: "Ik ben afgesneden van voor Uw ogen," maar U hoorde de stem van mijn smekingen toen ik tot U riep.
אֶהֱבוּ אֶת יְהוָה כָּל חֲסִידָיו אֱמוּנִים נֹצֵר יְהוָה וּמְשַׁלֵּם עַל יֶתֶר עֹשֵׂה גַאֲוָה:
Heb de Eeuwige lief, al Zijn vromen. De Eeuwige bewaart hen die [in Hem] geloven en Hij vergeldt rijkelijk hem die in hoogmoed handelt.
חִזְקוּ וְיַאֲמֵץ לְבַבְכֶם כָּל הַמְיַחֲלִים לַיהוָה:
Weest sterk, en Hij zal uw hart moed geven, allen die op de Eeuwige hopen.