לַמְנַצֵּחַ לִבְנֵי קֹרַח מִזְמוֹר:
Voor de koorleider; van de zonen van Korach, een lied.
כָּל הָעַמִּים תִּקְעוּ כָף הָרִיעוּ לֵאלֹהִים בְּקוֹל רִנָּה:
Alle volken, klap in de handen; juich voor God met een stem van lofprijzing.
כִּי יְהוָה עֶלְיוֹן נוֹרָא מֶלֶךְ גָּדוֹל עַל כָּל הָאָרֶץ:
Want de Eeuwige is de Allerhoogste; ja, geducht; een groot Koning over de hele aarde.
יַדְבֵּר עַמִּים תַּחְתֵּינוּ וּלְאֻמִּים תַּחַת רַגְלֵינוּ:
Hij zal volken onder ons brengen en koninkrijken onder onze voeten.
יִבְחַר לָנוּ אֶת נַחֲלָתֵנוּ אֶת גְּאוֹן יַעֲקֹב אֲשֶׁר אָהֵב סֶלָה:
Hij zal voor ons ons erfdeel kiezen, de trots van Jakob, die Hij liefheeft voor altijd.
עָלָה אֱלֹהִים בִּתְרוּעָה יְהוָֹה בְּקוֹל שׁוֹפָר:
God zal verheven worden met trompetgeschal; de Eeuwige, met het geluid van de sjofar.
זַמְּרוּ אֱלֹהִים זַמֵּרוּ זַמְּרוּ לְמַלְכֵּנוּ זַמֵּרוּ:
Zing voor God, zing; zing voor onze Koning, zing.
כִּי מֶלֶךְ כָּל הָאָרֶץ אֱלֹהִים זַמְּרוּ מַשְׂכִּיל:
Want God is de Koning van de hele aarde; zing een lied met wijsheid gemaakt.
מָלַךְ אֱלֹהִים עַל גּוֹיִם אֱלֹהִים יָשַׁב עַל כִּסֵּא קָדְשׁוֹ:
God heeft geregeerd over de volken; God heeft plaatsgenomen op Zijn heilige troon.
נְדִיבֵי עַמִּים נֶאֱסָפוּ עַם אֱלֹהֵי אַבְרָהָם כִּי לֵאלֹהִים מָגִנֵּי אֶרֶץ מְאֹד נַעֲלָה:
De edelen van de volken hebben zich verzameld, het volk van de God van Abraham, want aan God behoren de schilden van de aarde; Hij is uitermate verheven.