לַמְנַצֵּחַ בִּנְגִינֹת מַשְׂכִּיל לְדָוִד:
Voor de koorleider, met snarenspel, een maskil van David.
בְּבוֹא הַזִּיפִים וַיֹּאמְרוּ לְשָׁאוּל הֲלֹא דָוִד מִסְתַּתֵּר עִמָּנוּ:
Toen de Zifieten kwamen en tot Saul zeiden: 'Houdt David zich niet bij ons verborgen?'
אֱלֹהִים בְּשִׁמְךָ הוֹשִׁיעֵנִי וּבִגְבוּרָתְךָ תְדִינֵנִי:
O God, verlos mij door Uw naam, en verschaf mij recht door Uw macht.
אֱלֹהִים שְׁמַע תְּפִלָּתִי הַאֲזִינָה לְאִמְרֵי פִי:
O God, hoor mijn gebed, luister naar de woorden van mijn mond.
כִּי זָרִים קָמוּ עָלַי וְעָרִיצִים בִּקְשׁוּ נַפְשִׁי לֹא שָׂמוּ אֱלֹהִים לְנֶגְדָּם סֶלָה:
Want vreemden zijn tegen mij opgestaan, en geweldenaars staan mij naar het leven; zij hebben God niet voor ogen gesteld, Sela.
הִנֵּה אֱלֹהִים עֹזֵר לִי אֲדֹנָי בְּסֹמְכֵי נַפְשִׁי:
Zie, God is mijn helper; de Eeuwige is onder hen die mijn ziel ondersteunen.
(ישוב) יָשִׁיב הָרַע לְשֹׁרְרָי בַּאֲמִתְּךָ הַצְמִיתֵם:
Hij zal het kwaad doen terugkeren op mijn belagers; verdelg hen in Uw waarheid.
בִּנְדָבָה אֶזְבְּחָה לָּךְ אוֹדֶה שִּׁמְךָ יְהוָה כִּי טוֹב:
Met een vrijwillig offer zal ik U offeren; ik zal Uw naam loven, o Eeuwige, want die is goed.
כִּי מִכָּל צָרָה הִצִּילָנִי וּבְאֹיְבַי רָאֲתָה עֵינִי:
Want Hij heeft mij uit alle benauwdheid gered, en mijn oog heeft de ondergang van mijn vijanden aanschouwd.