לַמְנַצֵּחַ שִׁיר מִזְמוֹר הָרִיעוּ לֵאלֹהִים כָּל הָאָרֶץ:
Voor de dirigent, een loflied; juich van vreugde voor God, heel de aarde.
זַמְּרוּ כְבוֹד שְׁמוֹ שִׂימוּ כָבוֹד תְּהִלָּתוֹ:
Bezing de eer van Zijn Naam; maak Zijn lof heerlijk.
אִמְרוּ לֵאלֹהִים מַה נּוֹרָא מַעֲשֶׂיךָ בְּרֹב עֻזְּךָ יְכַחֲשׁוּ לְךָ אֹיְבֶיךָ:
Zeg tot God: "Hoe ontzagwekkend zijn Uw daden! Door de grootheid van Uw macht zullen Uw vijanden U hun leugens bekennen.
כָּל הָאָרֶץ יִשְׁתַּחֲווּ לְךָ וִיזַמְּרוּ לָךְ יְזַמְּרוּ שִׁמְךָ סֶלָה:
Heel de aarde zal zich voor U neerbuigen en U lofzingen; zij zullen Uw Naam voor altijd bezingen."
לְכוּ וּרְאוּ מִפְעֲלוֹת אֱלֹהִים נוֹרָא עֲלִילָה עַל בְּנֵי אָדָם:
Ga en aanschouw de daden van God, ontzagwekkend in Zijn handelen jegens de mensheid.
הָפַךְ יָם לְיַבָּשָׁה בַּנָּהָר יַעַבְרוּ בְרָגֶל שָׁם נִשְׂמְחָה בּוֹ:
Hij veranderde de zee in droog land; in de rivier staken zij te voet over; daar verheugden wij ons in Hem.
מֹשֵׁל בִּגְבוּרָתוֹ עוֹלָם עֵינָיו בַּגּוֹיִם תִּצְפֶּינָה הַסּוֹרְרִים אַל (ירימו) יָרוּמוּ לָמוֹ סֶלָה:
Met Zijn macht heerst Hij over de wereld; Zijn ogen waken over de volken; de weerspannigen zullen zich nimmer verheffen.
בָּרְכוּ עַמִּים אֱלֹהֵינוּ וְהַשְׁמִיעוּ קוֹל תְּהִלָּתוֹ:
O volken, zegen onze God, en doe de stem van Zijn lof horen.
הַשָּׂם נַפְשֵׁנוּ בַּחַיִּים וְלֹא נָתַן לַמּוֹט רַגְלֵנוּ:
Hij, die onze ziel in leven hield en onze voet niet liet wankelen.
כִּי בְחַנְתָּנוּ אֱלֹהִים צְרַפְתָּנוּ כִּצְרָף כָּסֶף:
Want U hebt ons beproefd, o God; U hebt ons gelouterd zoals men zilver loutert.
הֲבֵאתָנוּ בַמְּצוּדָה שַׂמְתָּ מוּעָקָה בְמָתְנֵינוּ:
U bracht ons in een val; U legde een ketting om onze lendenen.
הִרְכַּבְתָּ אֱנוֹשׁ לְרֹאשֵׁנוּ בָּאנוּ בָאֵשׁ וּבַמַּיִם וַתּוֹצִיאֵנוּ לָרְוָיָה:
U liet de mens over ons hoofd rijden; wij gingen door vuur en water, en U bracht ons uit naar overvloed.
אָבוֹא בֵיתְךָ בְעוֹלוֹת אֲשַׁלֵּם לְךָ נְדָרָי:
Ik zal in Uw huis komen met brandoffers; ik zal U mijn geloften vervullen,
אֲשֶׁר פָּצוּ שְׂפָתָי וְדִבֶּר פִּי בַּצַּר לִי:
Die mijn lippen uitten en mijn mond sprak in mijn nood.
עֹלוֹת מֵחִים אַעֲלֶה לָּךְ עִם קְטֹרֶת אֵילִים אֶעֱשֶׂה בָקָר עִם עַתּוּדִים סֶלָה:
Brandoffers van vette dieren zal ik U opdragen met het verbranden van rammen; ik zal runderen bereiden met bokken, voor altijd.
לְכוּ שִׁמְעוּ וַאֲסַפְּרָה כָּל יִרְאֵי אֱלֹהִים אֲשֶׁר עָשָׂה לְנַפְשִׁי:
Kom, luister en ik zal u allen die God vrezen vertellen wat Hij voor mijn ziel deed.
אֵלָיו פִּי קָרָאתִי וְרוֹמַם תַּחַת לְשׁוֹנִי:
Mijn mond riep tot Hem, en lofverheffing lag onder mijn tong.
אָוֶן אִם רָאִיתִי בְלִבִּי לֹא יִשְׁמַע אֲדֹנָי:
Had ik ongerechtigheid in mijn hart gezien, dan zou de Eeuwige niet horen.
אָכֵן שָׁמַע אֱלֹהִים הִקְשִׁיב בְּקוֹל תְּפִלָּתִי:
Maar God hoorde; Hij luisterde naar de stem van mijn gebed.
בָּרוּךְ אֱלֹהִים אֲשֶׁר לֹא הֵסִיר תְּפִלָּתִי וְחַסְדּוֹ מֵאִתִּי:
Gezegend zij God, die mijn gebed niet afwees en Zijn goedertierenheid niet van mij weghield.