לַמְנַצֵּחַ לְדָוִד מִזְמוֹר שִׁיר:
Voor de dirigent, van David, een psalm, een lied:
יָקוּם אֱלֹהִים יָפוּצוּ אוֹיְבָיו וְיָנוּסוּ מְשַׂנְאָיו מִפָּנָיו:
Moge God opstaan, mogen Zijn vijanden verstrooid worden, en mogen zij die Hem haten vluchten voor Zijn aangezicht:
כְּהִנְדֹּף עָשָׁן תִּנְדֹּף כְּהִמֵּס דּוֹנַג מִפְּנֵי אֵשׁ יֹאבְדוּ רְשָׁעִים מִפְּנֵי אֱלֹהִים:
Zoals rook verdreven wordt, drijf hen zo weg; zoals was smelt voor het vuur, mogen de goddelozen vergaan voor God:
וְצַדִּיקִים יִשְׂמְחוּ יַעַלְצוּ לִפְנֵי אֱלֹהִים וְיָשִׂישׂוּ בְשִׂמְחָה:
Maar laten de rechtvaardigen zich verheugen, laten zij juichen voor God, en laten zij blij zijn met vreugde:
שִׁירוּ לֵאלֹהִים זַמְּרוּ שְׁמוֹ סֹלּוּ לָרֹכֵב בָּעֲרָבוֹת בְּיָהּ שְׁמוֹ וְעִלְזוּ לְפָנָיו:
Zing voor God, maak muziek voor Zijn Naam; verhef Hem die rijdt over de vlakten, met Jah als Zijn Naam, en verheug u voor Zijn aangezicht:
אֲבִי יְתוֹמִים וְדַיַּן אַלְמָנוֹת אֱלֹהִים בִּמְעוֹן קָדְשׁוֹ:
Een vader voor de wezen en een rechter voor de weduwen, God in Zijn heilige woning:
אֱלֹהִים מוֹשִׁיב יְחִידִים בַּיְתָה מוֹצִיא אֲסִירִים בַּכּוֹשָׁרוֹת אַךְ סוֹרְרִים שָׁכְנוּ צְחִיחָה:
God plaatst de eenzamen in gezinnen, Hij voert de gevangenen uit naar voorspoed; maar de weerspannigen wonen in een dor land:
אֱלֹהִים בְּצֵאתְךָ לִפְנֵי עַמֶּךָ בְּצַעְדְּךָ בִישִׁימוֹן סֶלָה:
O God, toen U voor Uw volk uittrok, toen U door de wildernis trok, sela:
אֶרֶץ רָעָשָׁה אַף שָׁמַיִם נָטְפוּ מִפְּנֵי אֱלֹהִים זֶה סִינַי מִפְּנֵי אֱלֹהִים אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל:
De aarde beefde, zelfs de hemelen droopen voor God, deze Sinaï, voor God, de God van Israël:
גֶּשֶׁם נְדָבוֹת תָּנִיף אֱלֹהִים נַחֲלָתְךָ וְנִלְאָה אַתָּה כוֹנַנְתָּהּ:
Een milde regen goot U neer, o God; Uw erfdeel, toen het versmachtte, hebt U het bevestigd:
חַיָּתְךָ יָשְׁבוּ בָהּ תָּכִין בְּטוֹבָתְךָ לֶעָנִי אֱלֹהִים:
Uw kudde vestigde zich daarin; in Uw goedheid voorzag U in de arme, o God:
אֲדֹנָי יִתֶּן אֹמֶר הַמְבַשְּׂרוֹת צָבָא רָב:
De Eeuwige geeft het woord; de vrouwen die het verkondigen vormen een grote schare:
מַלְכֵי צְבָאוֹת יִדֹּדוּן יִדֹּדוּן וּנְוַת בַּיִת תְּחַלֵּק שָׁלָל:
Koningen van legers vluchten, zij vluchten, en zij die thuis blijft verdeelt de buit:
אִם תִּשְׁכְּבוּן בֵּין שְׁפַתָּיִם כַּנְפֵי יוֹנָה נֶחְפָּה בַכֶּסֶף וְאֶבְרוֹתֶיהָ בִּירַקְרַק חָרוּץ:
Al ligt gij neer tussen de schaapskooien, de vleugels van een duif zijn bedekt met zilver, en haar veren met geel goud:
בְּפָרֵשׂ שַׁדַּי מְלָכִים בָּהּ תַּשְׁלֵג בְּצַלְמוֹן:
Toen de Almachtige daarin koningen verstrooide, sneeuwde het op Salmon:
הַר אֱלֹהִים הַר בָּשָׁן הַר גַּבְנֻנִּים הַר בָּשָׁן:
O berg van God, berg van Basan, o veeltoppige berg, berg van Basan:
לָמָּה תְּרַצְּדוּן הָרִים גַּבְנֻנִּים הָהָר חָמַד אֱלֹהִים לְשִׁבְתּוֹ אַף יְהוָה יִשְׁכֹּן לָנֶצַח:
Waarom kijkt gij met afgunst, o veeltoppige bergen, naar de berg die God begeerde tot Zijn woning? Voorwaar, de Eeuwige zal daar voor altijd wonen:
רֶכֶב אֱלֹהִים רִבֹּתַיִם אַלְפֵי שִׁנְאָן אֲדֹנָי בָם סִינַי בַּקֹּדֶשׁ:
De wagens van God zijn tienduizenden, duizenden bij duizenden; de Eeuwige is onder hen, op de Sinaï in heiligheid:
עָלִיתָ לַמָּרוֹם שָׁבִיתָ שֶּׁבִי לָקַחְתָּ מַתָּנוֹת בָּאָדָם וְאַף סוֹרְרִים לִשְׁכֹּן יָהּ אֱלֹהִים:
U steeg op naar de hoogte, U voerde gevangenen mee; U ontving gaven onder de mensen, zelfs onder de weerspannigen, opdat de Eeuwige God daar zou wonen:
בָּרוּךְ אֲדֹנָי יוֹם יוֹם יַעֲמָס לָנוּ הָאֵל יְשׁוּעָתֵנוּ סֶלָה:
Gezegend zij de Eeuwige, dag aan dag draagt Hij onze last, de God van onze redding, sela:
הָאֵל לָנוּ אֵל לְמוֹשָׁעוֹת וְלֵיהוִה אֲדֹנָי לַמָּוֶת תּוֹצָאוֹת:
Onze God is een God van verlossingen; en aan de Eeuwige God behoren de uitkomsten uit de dood:
אַךְ אֱלֹהִים יִמְחַץ רֹאשׁ אֹיְבָיו קָדְקֹד שֵׂעָר מִתְהַלֵּךְ בַּאֲשָׁמָיו:
Maar God zal het hoofd van Zijn vijanden verbrijzelen, de harige kruin van hem die in zijn schuld voortgaat:
אָמַר אֲדֹנָי מִבָּשָׁן אָשִׁיב אָשִׁיב מִמְּצֻלוֹת יָם:
De Eeuwige zei: Uit Basan zal Ik terugbrengen, Ik zal terugbrengen uit de diepten der zee:
לְמַעַן תִּמְחַץ רַגְלְךָ בְּדָם לְשׁוֹן כְּלָבֶיךָ מֵאֹיְבִים מִנֵּהוּ:
Opdat uw voet zal waden in bloed, opdat de tong van uw honden zijn deel zal hebben van uw vijanden:
רָאוּ הֲלִיכוֹתֶיךָ אֱלֹהִים הֲלִיכוֹת אֵלִי מַלְכִּי בַקֹּדֶשׁ:
Zij hebben Uw optochten gezien, o God, de optochten van mijn God, mijn Koning, in heiligheid:
קִדְּמוּ שָׁרִים אַחַר נֹגְנִים בְּתוֹךְ עֲלָמוֹת תּוֹפֵפוֹת:
De zangers gingen voorop, de muzikanten volgden, te midden van meisjes die tamboerijnen sloegen:
בְּמַקְהֵלוֹת בָּרְכוּ אֱלֹהִים יְהוָה מִמְּקוֹר יִשְׂרָאֵל:
Zegen God in de samenkomsten, de Eeuwige, uit de bron van Israël:
שָׁם בִּנְיָמִן צָעִיר רֹדֵם שָׂרֵי יְהוּדָה רִגְמָתָם שָׂרֵי זְבֻלוּן שָׂרֵי נַפְתָּלִי:
Daar is Benjamin, de jongste, die over hen heerst, de vorsten van Juda in hun schare, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Naftali:
צִוָּה אֱלֹהֶיךָ עֻזֶּךָ עוּזָּה אֱלֹהִים זוּ פָּעַלְתָּ לָּנוּ:
Uw God heeft uw sterkte geboden; toon U sterk, o God, wat U voor ons hebt gewrocht:
מֵהֵיכָלֶךָ עַל יְרוּשָׁלִָם לְךָ יוֹבִילוּ מְלָכִים שָׁי:
Vanuit Uw tempel boven Jeruzalem brengen koningen U schatting:
גְּעַר חַיַּת קָנֶה עֲדַת אַבִּירִים בְּעֶגְלֵי עַמִּים מִתְרַפֵּס בְּרַצֵּי כָסֶף בִּזַּר עַמִּים קְרָבוֹת יֶחְפָּצוּ:
Bestraf het beest van het riet, de kudde stieren met de kalveren der volken, die stukken zilver vertrappen; Hij verstrooit de volken die behagen scheppen in oorlog:
יֶאֱתָיוּ חַשְׁמַנִּים מִנִּי מִצְרָיִם כּוּשׁ תָּרִיץ יָדָיו לֵאלֹהִים:
Edelen zullen uit Egypte komen; Koesj zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken:
מַמְלְכוֹת הָאָרֶץ שִׁירוּ לֵאלֹהִים זַמְּרוּ אֲדֹנָי סֶלָה:
Koninkrijken der aarde, zing voor God, maak muziek voor de Eeuwige, sela:
לָרֹכֵב בִּשְׁמֵי שְׁמֵי קֶדֶם הֵן יִתֵּן בְּקוֹלוֹ קוֹל עֹז:
Voor Hem die rijdt op de aloude hoogste hemelen, zie, Hij laat Zijn stem klinken, een machtige stem:
תְּנוּ עֹז לֵאלֹהִים עַל יִשְׂרָאֵל גַּאֲוָתוֹ וְעֻזּוֹ בַּשְּׁחָקִים:
Schrijf sterkte toe aan God, Zijn majesteit is over Israël, en Zijn sterkte is in de wolken:
נוֹרָא אֱלֹהִים מִמִּקְדָּשֶׁיךָ אֵל יִשְׂרָאֵל הוּא נֹתֵן עֹז וְתַעֲצֻמוֹת לָעָם בָּרוּךְ אֱלֹהִים:
Ontzagwekkend is God vanuit Uw heiligdommen; de God van Israël, Hij geeft sterkte en macht aan het volk; gezegend zij God.