מַשְׂכִּיל לְאָסָף לָמָה אֱלֹהִים זָנַחְתָּ לָנֶצַח יֶעְשַׁן אַפְּךָ בְּצֹאן מַרְעִיתֶךָ:
Een maskil van Asaf. Waarom, o God, hebt U ons voor eeuwig verstoten? [Waarom] is Uw toorn ontbrand tegen de schapen van Uw weide?
זְכֹר עֲדָתְךָ קָנִיתָ קֶּדֶם גָּאַלְתָּ שֵׁבֶט נַחֲלָתֶךָ הַר צִיּוֹן זֶה שָׁכַנְתָּ בּוֹ:
Gedenk Uw gemeente, die U van oudsher hebt verworven; U hebt de stam van Uw erfdeel verlost, de berg Sion waarop U woonde.
הָרִימָה פְעָמֶיךָ לְמַשֻּׁאוֹת נֶצַח כָּל הֵרַע אוֹיֵב בַּקֹּדֶשׁ:
Hef Uw slagen op om eeuwige verwoesting aan te richten, voor al het kwaad dat de vijand in het heiligdom heeft gedaan.
שָׁאֲגוּ צֹרְרֶיךָ בְּקֶרֶב מוֹעֲדֶךָ שָׂמוּ אוֹתֹתָם אֹתוֹת:
Uw tegenstanders brulden te midden van Uw bijeenkomstplaats; zij stelden hun tekenen tot tekenen.
יִוָּדַע כְּמֵבִיא לְמָעְלָה בִּסֲבָךְ עֵץ קַרְדֻּמּוֹת:
Hij werd bekend als iemand die [hun slagen] omhoog bracht; de bijlen waren in het dichte struikgewas van de bomen.
(ועת) וְעַתָּה פִּתּוּחֶיהָ יָּחַד בְּכַשִּׁיל וְכֵילַפֹּת יַהֲלֹמוּן:
En nu, zijn poorten tezamen, met bijlen en hamers slaan zij erop.
שִׁלְחוּ בָאֵשׁ מִקְדָּשֶׁךָ לָאָרֶץ חִלְּלוּ מִשְׁכַּן שְׁמֶךָ:
Zij staken Uw heiligdom in brand; tot de grond toe ontheiligden zij de woonplaats van Uw Naam.
אָמְרוּ בְלִבָּם נִינָם יָחַד שָׂרְפוּ כָל מוֹעֲדֵי אֵל בָּאָרֶץ:
Zij zeiden in hun hart, hun heersers tezamen; zij verbrandden alle bijeenkomstplaatsen van God in het land.
אוֹתֹתֵינוּ לֹא רָאִינוּ אֵין עוֹד נָבִיא וְלֹא אִתָּנוּ יֹדֵעַ עַד מָה:
Onze tekenen hebben wij niet gezien; er is geen profeet meer, en niemand bij ons weet hoe lang.
עַד מָתַי אֱלֹהִים יְחָרֶף צָר יְנָאֵץ אוֹיֵב שִׁמְךָ לָנֶצַח:
Hoe lang, o God, zal de tegenstander smaden? Zal de vijand Uw Naam voor eeuwig honen?
לָמָּה תָשִׁיב יָדְךָ וִימִינֶךָ מִקֶּרֶב (חוקך) חֵיקְךָ כַלֵּה:
Waarom trekt U Uw hand terug, ja Uw rechterhand? Haal haar tevoorschijn uit Uw boezem.
וֵאלֹהִים מַלְכִּי מִקֶּדֶם פֹּעֵל יְשׁוּעוֹת בְּקֶרֶב הָאָרֶץ:
Maar God is mijn Koning van oudsher, Die verlossingen bewerkt te midden van de aarde.
אַתָּה פוֹרַרְתָּ בְעָזְּךָ יָם שִׁבַּרְתָּ רָאשֵׁי תַנִּינִים עַל הַמָּיִם:
U hebt de zee verbrijzeld met Uw macht; U hebt de koppen van de zeemonsters op het water vermorzeld.
אַתָּה רִצַּצְתָּ רָאשֵׁי לִוְיָתָן תִּתְּנֶנּוּ מַאֲכָל לְעָם לְצִיִּים:
U hebt de koppen van de Leviatan verbrijzeld; U geeft hem tot voedsel aan het volk in scharen.
אַתָּה בָקַעְתָּ מַעְיָן וָנָחַל אַתָּה הוֹבַשְׁתָּ נַהֲרוֹת אֵיתָן:
U hebt bron en beek doen splijten; U hebt machtige rivieren doen opdrogen.
לְךָ יוֹם אַף לְךָ לָיְלָה אַתָּה הֲכִינוֹתָ מָאוֹר וָשָׁמֶשׁ:
Van U is de dag, ook de nacht is van U; U hebt het hemellicht en de zon gevestigd.
אַתָּה הִצַּבְתָּ כָּל גְּבוּלוֹת אָרֶץ קַיִץ וָחֹרֶף אַתָּה יְצַרְתָּם:
U hebt alle grenzen van de aarde gesteld; zomer en winter, U hebt ze gevormd.
זְכָר זֹאת אוֹיֵב חֵרֵף יְהוָה וְעַם נָבָל נִאֲצוּ שְׁמֶךָ:
Gedenk hoe de vijand de Eeuwige heeft gesmaad en een schurkachtig volk Uw Naam heeft gehoond.
אַל תִּתֵּן לְחַיַּת נֶפֶשׁ תּוֹרֶךָ חַיַּת עֲנִיֶּיךָ אַל תִּשְׁכַּח לָנֶצַח:
Geef de ziel van Uw tortelduif niet over aan de roofdieren; vergeet de ziel van Uw armen nooit.
הַבֵּט לַבְּרִית כִּי מָלְאוּ מַחֲשַׁכֵּי אֶרֶץ נְאוֹת חָמָס:
Zie op het verbond, want de duistere plaatsen van de aarde zijn vol met woningen van geweld.
אַל יָשֹׁב דַּךְ נִכְלָם עָנִי וְאֶבְיוֹן יְהַלְלוּ שְׁמֶךָ:
Laat de verdrukte niet beschaamd terugkeren; de arme en behoeftige zullen Uw Naam prijzen.
קוּמָה אֱלֹהִים רִיבָה רִיבֶךָ זְכֹר חֶרְפָּתְךָ מִנִּי נָבָל כָּל הַיּוֹם:
Sta op, o God, voer Uw eigen zaak; gedenk Uw smaad, de hele dag, van een schurkachtig mens.
אַל תִּשְׁכַּח קוֹל צֹרְרֶיךָ שְׁאוֹן קָמֶיךָ עֹלֶה תָמִיד:
Vergeet de stem van Uw tegenstanders niet, het rumoer van wie tegen U opstaan, dat voortdurend opstijgt.