לַמְנַצֵּחַ בִּנְגִינֹת מִזְמוֹר לְאָסָף שִׁיר:
Voor de koorleider op neginot, een psalm van Asaf, een lied.
נוֹדָע בִּיהוּדָה אֱלֹהִים בְּיִשְׂרָאֵל גָּדוֹל שְׁמוֹ:
God is bekend in Juda; in Israël is Zijn Naam groot.
וַיְהִי בְשָׁלֵם סֻכּוֹ וּמְעוֹנָתוֹ בְצִיּוֹן:
Zijn Tabernakel was in Salem, en Zijn woonplaats in Sion.
שָׁמָּה שִׁבַּר רִשְׁפֵי קָשֶׁת מָגֵן וְחֶרֶב וּמִלְחָמָה סֶלָה:
Daar verbrak Hij de pijlen van de boog, schild en zwaard en oorlog voor eeuwig.
נָאוֹר אַתָּה אַדִּיר מֵהַרְרֵי טָרֶף:
U bent ontzagwekkend; machtiger dan de bergen van roof.
אֶשְׁתּוֹלְלוּ אַבִּירֵי לֵב נָמוּ שְׁנָתָם וְלֹא מָצְאוּ כָל אַנְשֵׁי חַיִל יְדֵיהֶם:
De onversaagden van hart werden verbijsterd; zij sluimerden in hun slaap, en geen van de krijgslieden vond zijn handen.
מִגַּעֲרָתְךָ אֱלֹהֵי יַעֲקֹב נִרְדָּם וְרֶכֶב וָסוּס:
Door Uw dreiging, o God van Jakob, werden wagen en paard versteend.
אַתָּה נוֹרָא אַתָּה וּמִי יַעֲמֹד לְפָנֶיךָ מֵאָז אַפֶּךָ:
U, ontzagwekkend bent U, en wie kan voor U standhouden zodra U toornig bent?
מִשָּׁמַיִם הִשְׁמַעְתָּ דִּין אֶרֶץ יָרְאָה וְשָׁקָטָה:
Uit de hemel deed U het oordeel horen; de aarde vreesde en werd stil.
בְּקוּם לַמִּשְׁפָּט אֱלֹהִים לְהוֹשִׁיעַ כָּל עַנְוֵי אֶרֶץ סֶלָה:
Wanneer God opstaat tot het oordeel, om alle nederigen van de aarde voor eeuwig te redden.
כִּי חֲמַת אָדָם תּוֹדֶךָּ שְׁאֵרִית חֵמֹת תַּחְגֹּר:
Want de toorn van de mens zal U loven; het overblijfsel van de toorn zal Hij beteugelen.
נִדְרוּ וְשַׁלְּמוּ לַיהוָה אֱלֹהֵיכֶם כָּל סְבִיבָיו יוֹבִילוּ שַׁי לַמּוֹרָא:
Doe een gelofte en betaal die aan de Eeuwige, uw God; allen rondom Hem zullen een gave brengen aan Hem Die te vrezen is.
יִבְצֹר רוּחַ נְגִידִים נוֹרָא לְמַלְכֵי אָרֶץ:
Hij snijdt de geest van vorsten af; Hij is geducht voor de koningen van de aarde.