לַמְנַצֵּחַ אֶל שֹׁשַׁנִּים עֵדוּת לְאָסָף מִזְמוֹר:
Voor de koorleider, op de leliën, een getuigenis, van Asaf een lied.
רֹעֵה יִשְׂרָאֵל הַאֲזִינָה נֹהֵג כַּצֹּאן יוֹסֵף יֹשֵׁב הַכְּרוּבִים הוֹפִיעָה:
O Herder van Israël, luister, U Die Jozef leidt als kudden, U Die troont tussen de cherubim, verschijn.
לִפְנֵי אֶפְרַיִם וּבִנְיָמִן וּמְנַשֶּׁה עוֹרְרָה אֶת גְּבוּרָתֶךָ וּלְכָה לִישֻׁעָתָה לָּנוּ:
Voor Efraïm, Benjamin en Manasse, wek Uw macht op, en het is aan U om ons te verlossen.
אֱלֹהִים הֲשִׁיבֵנוּ וְהָאֵר פָּנֶיךָ וְנִוָּשֵׁעָה:
O God, doe ons wederkeren; doe Uw aangezicht lichten en wij zullen verlost worden.
יְהוָה אֱלֹהִים צְבָאוֹת עַד מָתַי עָשַׁנְתָּ בִּתְפִלַּת עַמֶּךָ:
O Eeuwige, God der heerscharen, hoe lang zult U toornig zijn bij het gebed van Uw volk?
הֶאֱכַלְתָּם לֶחֶם דִּמְעָה וַתַּשְׁקֵמוֹ בִּדְמָעוֹת שָׁלִישׁ:
U hebt hen het brood der tranen te eten gegeven, en U hebt hun tranen te drinken gegeven in volle maat.
תְּשִׂימֵנוּ מָדוֹן לִשְׁכֵנֵינוּ וְאֹיְבֵינוּ יִלְעֲגוּ לָמוֹ:
U hebt ons tot een twistappel gemaakt voor onze buren, en onze vijanden drijven de spot met ons.
אֱלֹהִים צְבָאוֹת הֲשִׁיבֵנוּ וְהָאֵר פָּנֶיךָ וְנִוָּשֵׁעָה:
O God der heerscharen, doe ons wederkeren; doe Uw aangezicht lichten en wij zullen verlost worden.
גֶּפֶן מִמִּצְרַיִם תַּסִּיעַ תְּגָרֵשׁ גּוֹיִם וַתִּטָּעֶהָ:
U hebt een wijnstok uit Egypte uitgerukt; U hebt volken verdreven en hem geplant.
פִּנִּיתָ לְפָנֶיהָ וַתַּשְׁרֵשׁ שָׁרָשֶׁיהָ וַתְּמַלֵּא אָרֶץ:
U hebt [een plaats] voor hem geruimd; hij schoot wortel en vulde het land.
כָּסּוּ הָרִים צִלָּהּ וַעֲנָפֶיהָ אַרְזֵי אֵל:
Bergen werden bedekt [door] zijn schaduw, en zijn ranken waren als machtige ceders.
תְּשַׁלַּח קְצִירֶהָ עַד יָם וְאֶל נָהָר יוֹנְקוֹתֶיהָ:
Hij zond zijn ranken uit tot aan de zee, en tot aan de rivier zijn jonge loten.
לָמָּה פָּרַצְתָּ גְדֵרֶיהָ וְאָרוּהָ כָּל עֹבְרֵי דָרֶךְ:
Waarom hebt U zijn omheiningen doorbroken, zodat alle voorbijgangers zijn vruchten plukken?
יְכַרְסְמֶנָּה חֲזִיר מִיָּעַר וְזִיז שָׂדַי יִרְעֶנָּה:
Het everzwijn uit het woud knaagt eraan, en het kruipend gedierte van het veld graast erop?
אֱלֹהִים צְבָאוֹת שׁוּב נָא הַבֵּט מִשָּׁמַיִם וּרְאֵה וּפְקֹד גֶּפֶן זֹאת:
O God der heerscharen, keer nu terug; zie uit de hemel en aanschouw, en wees deze wijnstok indachtig,
וְכַנָּה אֲשֶׁר נָטְעָה יְמִינֶךָ וְעַל בֵּן אִמַּצְתָּה לָּךְ:
En de stam die Uw rechterhand heeft geplant en de zoon die U voor Uzelf hebt versterkt.
שְׂרֻפָה בָאֵשׁ כְּסוּחָה מִגַּעֲרַת פָּנֶיךָ יֹאבֵדוּ:
Verbrand met vuur [en] afgehouwen; door de dreiging van Uw aangezicht vergaan zij.
תְּהִי יָדְךָ עַל אִישׁ יְמִינֶךָ עַל בֶּן אָדָם אִמַּצְתָּ לָּךְ:
Laat Uw hand zijn op de man van Uw rechterhand, op de mensenzoon die U voor Uzelf hebt versterkt.
וְלֹא נָסוֹג מִמֶּךָּ תְּחַיֵּנוּ וּבְשִׁמְךָ נִקְרָא:
Dan zullen wij ons niet van U afkeren; schenk ons leven, en wij zullen Uw Naam aanroepen.
יְהוָה אֱלֹהִים צְבָאוֹת הֲשִׁיבֵנוּ הָאֵר פָּנֶיךָ וְנִוָּשֵׁעָה:
O Eeuwige, God der heerscharen, doe ons wederkeren; doe Uw aangezicht lichten, en wij zullen verlost worden.