לַמְנַצֵּחַ עַל הַגִּתִּית לִבְנֵי קֹרַח מִזְמוֹר:
Voor de koorleider, op de gittit, van de zonen van Korach, een lied.
מַה יְּדִידוֹת מִשְׁכְּנוֹתֶיךָ יְהוָה צְבָאוֹת:
Hoe lieflijk zijn Uw woningen, o Eeuwige der heerscharen!
נִכְסְפָה וְגַם כָּלְתָה נַפְשִׁי לְחַצְרוֹת יְהוָה לִבִּי וּבְשָׂרִי יְרַנְּנוּ אֶל אֵל חָי:
Mijn ziel smacht, ja, zij verlangt vurig naar de voorhoven van de Eeuwige; mijn hart en mijn vlees jubelen tot de levende God.
גַּם צִפּוֹר מָצְאָה בַיִת וּדְרוֹר קֵן לָהּ אֲשֶׁר שָׁתָה אֶפְרֹחֶיהָ אֶת מִזְבְּחוֹתֶיךָ יְהוָה צְבָאוֹת מַלְכִּי וֵאלֹהָי:
Zelfs een vogel vindt een huis en een zwaluw haar nest, waar zij haar jongen legt bij Uw altaren, o Eeuwige der heerscharen, mijn Koning en mijn God.
אַשְׁרֵי יוֹשְׁבֵי בֵיתֶךָ עוֹד יְהַלְלוּךָ סֶּלָה:
Gelukkig zijn zij die in Uw huis verblijven; zij zullen U voortdurend prijzen voor eeuwig.
אַשְׁרֵי אָדָם עוֹז לוֹ בָךְ מְסִלּוֹת בִּלְבָבָם:
Gelukkig is de mens die zijn kracht in U heeft, in wiens hart de gebaande wegen zijn.
עֹבְרֵי בְּעֵמֶק הַבָּכָא מַעְיָן יְשִׁיתוּהוּ גַּם בְּרָכוֹת יַעְטֶה מוֹרֶה:
Wie door het dal van tranen trekken maken het tot een bron; ook met zegeningen omhullen zij [hun] Leraar.
יֵלְכוּ מֵחַיִל אֶל חָיִל יֵרָאֶה אֶל אֱלֹהִים בְּצִיּוֹן:
Zij gaan van kracht tot kracht; hij zal voor God in Sion verschijnen.
יְהוָה אֱלֹהִים צְבָאוֹת שִׁמְעָה תְפִלָּתִי הַאֲזִינָה אֱלֹהֵי יַעֲקֹב סֶלָה:
O Eeuwige, God der heerscharen, luister naar mijn gebed; neig Uw oor, o God van Jakob, voor eeuwig.
מָגִנֵּנוּ רְאֵה אֱלֹהִים וְהַבֵּט פְּנֵי מְשִׁיחֶךָ:
Aanschouw ons schild, o God, en zie het aangezicht van Uw gezalfde.
כִּי טוֹב יוֹם בַּחֲצֵרֶיךָ מֵאָלֶף בָּחַרְתִּי הִסְתּוֹפֵף בְּבֵית אֱלֹהַי מִדּוּר בְּאָהֳלֵי רֶשַׁע:
Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend; ik koos liever te staan op de drempel van het huis van mijn God dan te wonen in de tenten van goddeloosheid.
כִּי שֶׁמֶשׁ וּמָגֵן יְהוָה אֱלֹהִים חֵן וְכָבוֹד יִתֵּן יְהוָה לֹא יִמְנַע טוֹב לַהֹלְכִים בְּתָמִים:
Want een zon en een schild is de Eeuwige God; de Eeuwige zal genade en glorie geven; Hij zal het goede niet onthouden aan wie in oprechtheid wandelen.
יְהוָה צְבָאוֹת אַשְׁרֵי אָדָם בֹּטֵחַ בָּךְ:
O Eeuwige der heerscharen, gelukkig is de mens die op U vertrouwt.