לַמְנַצֵּחַ עַל הַגִּתִּית מִזְמוֹר לְדָוִד:
Voor de koorleider, op de gittiet, een lied van David.
יְהוָה אֲדֹנֵינוּ מָה אַדִּיר שִׁמְךָ בְּכָל הָאָרֶץ אֲשֶׁר תְּנָה הוֹדְךָ עַל הַשָּׁמָיִם:
O Eeuwige, onze Heer, hoe machtig is Uw Naam op de gehele aarde, Gij die Uw majesteit op de hemelen gelegd hebt.
מִפִּי עוֹלְלִים וְיֹנְקִים יִסַּדְתָּ עֹז לְמַעַן צוֹרְרֶיךָ לְהַשְׁבִּית אוֹיֵב וּמִתְנַקֵּם:
Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, vanwege Uw tegenstanders, om de vijand en de wraakzuchtige tot zwijgen te brengen.
כִּי אֶרְאֶה שָׁמֶיךָ מַעֲשֵׂי אֶצְבְּעֹתֶיךָ יָרֵחַ וְכוֹכָבִים אֲשֶׁר כּוֹנָנְתָּה:
Als ik Uw hemelen zie, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren die Gij gevestigd hebt,
מָה אֱנוֹשׁ כִּי תִזְכְּרֶנּוּ וּבֶן אָדָם כִּי תִפְקְדֶנּוּ:
wat is dan de mens, dat Gij aan hem gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet?
וַתְּחַסְּרֵהוּ מְּעַט מֵאֱלֹהִים וְכָבוֹד וְהָדָר תְּעַטְּרֵהוּ:
Toch hebt Gij hem weinig minder gemaakt dan de engelen, en met eer en majesteit hebt Gij hem gekroond.
תַּמְשִׁילֵהוּ בְּמַעֲשֵׂי יָדֶיךָ כֹּל שַׁתָּה תַחַת רַגְלָיו:
Gij doet hem heersen over het werk van Uw handen; alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd.
צֹנֶה וַאֲלָפִים כֻּלָּם וְגַם בַּהֲמוֹת שָׂדָי:
Schapen en runderen, die alle, en ook de dieren van het veld;
צִפּוֹר שָׁמַיִם וּדְגֵי הַיָּם עֹבֵר אָרְחוֹת יַמִּים:
de vogels van de hemel en de vissen van de zee, al wat de paden van de zeeën doorkruist.
יְהוָה אֲדֹנֵינוּ מָה אַדִּיר שִׁמְךָ בְּכָל הָאָרֶץ:
O Eeuwige, onze Heer, hoe machtig is Uw Naam op de gehele aarde!