Beloning voor trouw
De parasja ontleent haar naam aan Mosjes (Mozes) belofte dat, als Israël Gods wetten gehoorzaamt en houdt, God het verbond van liefde zal houden dat Hij hun voorouders zwoer. Hij beschrijft de zegeningen die zullen volgen: vruchtbaarheid van gezin, akker en kudde, bescherming tegen ziekte en overwinning op elke vijand. Mosje zegt het volk niet bang te zijn voor de machtige volken die het tegemoet gaat, want God zal hen beetje bij beetje verdrijven, zodat het land niet verwildert voordat Israël het kan vullen. Hun taak is te vertrouwen, te gehoorzamen en de afgoden van die volken volledig te vernietigen in plaats van zich te laten verleiden door hun goud en zilver.
Lessen van de woestijn
Mosje roept het volk op de hele veertigjarige reis door de woestijn te gedenken, waarin God hen vernedert en beproeft om te onthullen wat in hun hart leeft. God laat hen honger lijden en voedt hen dan met manna, en leert zo dat een mens niet van brood alleen leeft, maar van elk woord dat uit de mond van God komt. Al die jaren verslijten hun kleren niet en zwellen hun voeten niet op, want God zorgt voor hen zoals een ouder een geliefd kind opvoedt. Mosje waarschuwt dat zij, wanneer zij een land van tarwe en gerst, wijnstokken en vijgen binnengaan en zich verzadigen, God moeten zegenen en niet bij zichzelf moeten zeggen dat hun eigen kracht hun deze rijkdom heeft gebracht.
Niet door uw verdienste
Mosje waarschuwt het volk zich niet in te beelden dat God hun het land geeft vanwege hun eigen rechtvaardigheid; het is veeleer vanwege de slechtheid van de volken en de belofte aan Avraham (Abraham), Jitschak (Isaak) en Jaakov (Jakob). Om alle trots te doorprikken, herinnert hij hen eraan hoe vaak zij God in de woestijn vertoornen, bovenal bij Chorev (Horeb) wanneer zij het Gouden Kalf maken. Hij vertelt hoe hij de berg beklimt, de tafelen ontvangt en afdaalt om het volk een afgod te vinden aanbidden, zodat hij de tafelen verbrijzelt en veertig dagen en nachten voor God neervalt, pleitend voor het volk en voor Aharon (Aäron). Israël overleeft, zo maakt Mosje duidelijk, alleen omdat God vergevend is, niet omdat het volk het heeft verdiend.
De tweede tafelen
Mosje haalt aan hoe God hem opdraagt een tweede stel tafelen uit te houwen en een ark te maken om ze te bewaren, en hoe God opnieuw de Tien Geboden schrijft en het verbond vernieuwt. Hij beschrijft hoe de stam Levi wordt afgezonderd om de ark te dragen, God te dienen en in Zijn naam te zegenen, en God Zelf als hun deel ontvangt in plaats van een deel van het land. Mosje blijft een tweede maal op de berg, en God luistert naar hem en stemt ermee in het volk niet te verdelgen. Het verhaal van het kalf, dat het verbond had kunnen beëindigen, wordt in plaats daarvan een verhaal van barmhartigheid en nieuwe kansen.
Wat God van u vraagt
In een van de meest aangrijpende passages van de Tora vraagt Mosje wat God werkelijk verlangt: God te ontzien, in al Zijn wegen te gaan, Hem lief te hebben en te dienen met heel het hart en de ziel, en Zijn geboden te houden. Hij roept het volk op de voorhuid van hun hart te besnijden en niet langer halsstarrig te zijn, want God is groot en ontzagwekkend, kent geen partijdigheid en neemt geen steekpenning aan. God, zegt hij, verschaft recht aan de wees en de weduwe en heeft de vreemdeling lief, en zo moet ook Israël de vreemdeling liefhebben, indachtig dat zij ooit vreemdelingen in Egypte waren. Uit een volk van zeventig zielen dat naar Egypte afdaalde, heeft God hen zo talrijk als de sterren gemaakt.
Een land van regen
Mosje beschrijft het land dat Israël gaat erven als een land anders dan Egypte, een land van heuvels en dalen dat water drinkt uit de regen van de hemel, een land waarover God waakt van het begin van het jaar tot het einde. Hij onderwijst het gedeelte dat de tweede alinea van de Sjema wordt: als het volk God liefheeft en dient, zal de regen op zijn tijd komen en de oogst overvloedig zijn, maar keren zij zich tot afgoden, dan sluit de hemel zich en zal het land mislukken. Nogmaals draagt hij hun op deze woorden ter harte te nemen, ze als tefillin te binden en ze hun kinderen te leren. Als zij trouw blijven, belooft Mosje, zal niemand tegen hen standhouden, en elke plek waar hun voet treedt, van de woestijn tot de grote rivier, zal van hen zijn.
