אין לקדש החדש אלא בלילה בעת שהלבנה זורחת ונהנין מאורה (אגור). צריך שלא יהיה מסך מבדיל בינו לבין הלבנה. והוא הדין אם נתכסה בעבים. אבל אם נתכסה בעב דק וקלוש מברך. ואם התחיל לברך ונתכסה גומר הברכה.
Dit gebed wordt gebruikelijk in de open lucht gezegd, in goed zicht op de maan, zeven dagen na de geboorte van de nieuwe maan.
הַלְ֒לוּיָהּ הַלְ֒לוּ אֶת־יְהֹוָה מִן־הַשָּׁמַֽיִם הַלְ֒לֽוּהוּ בַּמְּרוֹמִים: הַלְ֒לֽוּהוּ כָל־מַלְאָכָיו הַלְ֒לֽוּהוּ כָּל־צְבָאָיו: הַלְ֒לֽוּהוּ שֶֽׁמֶשׁ וְיָרֵֽחַ הַלְ֒לֽוּהוּ כָּל־כּֽוֹכְבֵי אוֹר: הַלְ֒לֽוּהוּ שְׁמֵי הַשָּׁמָֽיִם וְהַמַּֽיִם אֲשֶׁר מֵעַל הַשָּׁמָֽיִם: יְהַלְ֒לוּ אֶת־שֵׁם יְהֹוָה כִּי הוּא צִוָּה וְנִבְרָֽאוּ: וַיַּעֲמִידֵם לָעַד לְעוֹלָם חָק־נָתַן וְלֹא יַעֲבוֹר:
Prijs God. Prijs de Eeuwige vanuit de hemel, prijs Hem in de hoogten! Prijs Hem, al Zijn engelen, prijs Hem, al Zijn heirscharen! Prijs Hem, zon en maan; prijs Hem, alle sterren van licht. Prijs Hem, hemelen der hemelen, en de wateren die boven de hemelen zijn. Zij zullen de Naam van de Eeuwige prijzen, want Hij gebood en zij werden geschapen. Hij stelde hen vast voor alle tijden, zolang de wereld bestaat. Hij vaardigde [het] onveranderlijk uit.
הִנְנִי מוּכָן וּמְזוּמָן לְקַיֵּם הַמִּצְוָה לְקַדֵּשׁ הַלְּבָנָה: לְשֵׁם יִחוּד קֻדְשָׁא בְּרִיךְ הוּא וּשְׁכִינְתֵּהּ עַל יְדֵי הַהוּא טָמִיר וְנֶעְלָם בְּשֵׁם כָּל־יִשְׂרָאֵל:
Er zijn er die nu de volgende intentie stellen: Zie, ik ben bereid en gereed om het gebod te vervullen om de nieuwe maan te heiligen. Ter wille van de eenwording van de Heilige, gezegend zij Hij, en Zijn Tegenwoordigheid, door middel van Hem die verborgen en verhuld is, in naam van heel Jisraeel! Men dient zich naar het oosten te keren (of naar Jeruzalem) met de voeten aaneen zoals tijdens het Amidagebed. Men dient eenmaal naar het gelaat van de maan te kijken voor het beginnen van de beracha, en er daarna niet meer naar te kijken.
בָּרוּךְ אַתָּה יְהֹוָה אֱלֹהֵֽינוּ מֶֽלֶךְ הָעוֹלָם אֲשֶׁר בְּמַאֲמָרוֹ בָּרָא שְׁחָקִים וּבְרֽוּחַ פִּיו כָּל־צְבָאָם: חֹק וּזְמַן נָתַן לָהֶם שֶׁלֹּא יְשַׁנּוּ אֶת־תַּפְקִידָם: שָׂשִׂים וּשְׂמֵחִים לַעֲשׂוֹת רְצוֹן קוֹנָם פּוֹעֵל אֱמֶת שֶׁפְּעֻלָּתוֹ אֱמֶת: וְלַלְּבָנָה אָמַר שֶׁתִּתְחַדֵּשׁ עֲטֶֽרֶת תִּפְאֶֽרֶת לַעֲמֽוּסֵי בָֽטֶן שֶׁהֵם עֲתִידִים לְהִתְחַדֵּשׁ כְּמוֹתָהּ וּלְפָאֵר לְיוֹצְרָם עַל שֵׁם כְּבוֹד מַלְכוּתוֹ: בָּרוּךְ אַתָּה יְהֹוָה מְחַדֵּשׁ חֳדָשִׁים:
Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning van de wereld, die met Zijn woord de hemelen schiep, en met de adem van Zijn mond al hun heir. Wet en seizoen gaf Hij hun, opdat zij niet van hun vastgestelde taak afwijken. Zij zijn verheugd en juichen om de wil van hun Bezitter te doen, de Werker van waarheid wiens werk waarheid is. De maan beval Hij zich te vernieuwen, een kroon van heerlijkheid voor hen die door Hem vanaf de moederschoot gedragen worden, die eveneens bestemd zijn zich te vernieuwen, en hun Schepper te verheerlijken voor de Naam van Zijn glorierijke koninkrijk. Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Vernieuwer van de maanden.
ג' פעמים
Driemaal.
בָּרוּךְ יוֹצְרֵךְ בָּרוּךְ עוֹשֵׂךְ בָּרוּךְ קוֹנֵךְ בָּרוּךְ בּוֹרְאֵךְ:
Zeg driemaal: Gezegend is uw Formeerder, gezegend is uw Maker, gezegend is uw Bezitter, gezegend is uw Schepper.
ג' פעמים
Driemaal.
כְּשֵׁם שֶׁאֲנִי רוֹקֵד כְּנֶגְדֵּךְ וְאֵינִי יָכוֹל לִנְגֽוֹעַ בָּךְ כַּךְ לֹא יוּכְלוּ כָּל־אוֹיְבַי לִנְגֽוֹעַ בִּי לְרָעָה:
Zeg driemaal: Zoals ik naar u toespring maar u niet kan aanraken, zo mogen al mijn vijanden niet bij machte zijn mij met kwade bedoeling aan te raken.
ג' פעמים
Driemaal.
תִּפֹּל עֲלֵיהֶם אֵימָֽתָה וָפַֽחַד בִּגְדֹל זְרוֹעֲךָ יִדְּמוּ כָּאָֽבֶן:
Zeg driemaal: Laat schrik en angst op hen vallen om de grootheid van Uw arm; laat hen stil zijn als steen.
ג' פעמים
Driemaal.
כָּאָֽבֶן יִדְּמוּ זְרוֹעֲךָ בִּגְדֹל וָפַֽחַד אֵימָֽתָה עֲלֵיהֶם תִּפֹּל:
Zeg driemaal: Als een steen mogen zij stil zijn door [de kracht van] de grootheid van Uw arm; en moge angst en schrik op hen vallen.
ג' פעמים
Driemaal.
דָּוִד מֶֽלֶךְ יִשְׂרָאֵל חַי וְקַיָּם:
Zeg driemaal: David, koning van Jisraeel, leeft en blijft bestaan [voor eeuwig.]
אומרים לג' גברי
Gezegd tot drie personen.
שָׁלוֹם עֲלֵיכֶם:
De volgende groet wordt met drie verschillende personen gewisseld: Vrede zij u,
ומשיבים
Zij antwoorden.
עֲלֵיכֶם שָׁלוֹם:
De ander antwoordt: Op u zij vrede.
ג' פעמים
Driemaal.
סִמָּן טוֹב וּמַזָּל טוֹב יְהֵא לָֽנוּ וּלְכָל יִשְׂרָאֵל אָמֵן:
Zeg driemaal: Een goed teken en goed geluk mogen er voor ons zijn en voor heel Jisraeel. Amein.
קוֹל דּוֹדִי הִנֵּה־זֶה בָּא מְדַלֵּג עַל־הֶהָרִים מְקַפֵּץ עַל־הַגְּבָעוֹת: דּוֹמֶה דוֹדִי לִצְבִי אוֹ לְעֹֽפֶר הָאַיָּלִים הִנֵּה־זֶה עוֹמֵד אַחַר כָּתְלֵֽנוּ מַשְׁגִּֽיחַ מִן־הַחַלֹּנוֹת מֵצִיץ מִן־הַחֲרַכִּים:
De stem van mijn geliefde! Zie, Hij komt, springend over de bergen, dansend over de heuvels. Mijn Geliefde is als een hert of een jong ree. Zie! Hij staat achter onze muur, kijkend door de vensters, turend door het traliewerk.
שִׁיר לַמַּעֲלוֹת אֶשָּׂא עֵינַי אֶל־הֶהָרִים מֵאַֽיִן יָבֹא עֶזְרִי: עֶזְרִי מֵעִם יְהֹוָה עֹשֵׂה שָׁמַֽיִם וָאָֽרֶץ: אַל־יִתֵּן לַמּוֹט רַגְלֶֽךָ אַל־יָנוּם שֹׁמְרֶֽךָ: הִנֵּה לֹא־יָנוּם וְלֹא יִישָׁן שׁוֹמֵר יִשְׂרָאֵל: יְהֹוָה שֹׁמְרֶֽךָ יְהֹוָה צִלְּךָ עַל־יַד יְמִינֶֽךָ: יוֹמָם הַשֶּֽׁמֶשׁ לֹא־יַכֶּֽכָּה וְיָרֵֽחַ בַּלָּֽיְלָה: יְהֹוָה יִשְׁמָרְךָ מִכָּל־רָע יִשְׁמֹר אֶת־נַפְשֶֽׁךָ: יְהֹוָה יִשְׁמָר־צֵאתְךָ וּבוֹאֶֽךָ מֵעַתָּה וְעַד־עוֹלָם:
Een lied van de opgangen. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar zal mijn hulp komen? Mijn hulp komt van de Eeuwige, Maker van hemel en aarde. Hij zal uw voet niet laten wankelen, Hij zal niet sluimeren, uw Behoeder. Zie, Hij sluimert niet en Hij slaapt niet, de Behoeder van Jisraeel. De Eeuwige is uw behoeder, de Eeuwige is uw schaduw aan uw rechterhand. Overdag zal de zon u niet treffen, noch de maan in de nacht. De Eeuwige zal u behoeden voor alle kwaad, Hij zal uw ziel bewaren, de Eeuwige zal uw gaan en komen behoeden, van nu af en voor eeuwig.
הַלְ֒לוּיָהּ הַלְ֒לוּ־אֵל בְּקָדְשׁוֹ הַלְ֒לֽוּהוּ בִּרְקִֽיעַ עֻזּוֹ: הַלְ֒לֽוּהוּ בִגְבוּרֹתָיו הַלְ֒לֽוּהוּ כְּרֹב גֻּדְלוֹ: הַלְ֒לֽוּהוּ בְּתֵֽקַע שׁוֹפָר הַלְ֒לֽוּהוּ בְּנֵֽבֶל וְכִנּוֹר: הַלְ֒לֽוּהוּ בְּתֹף וּמָחוֹל הַלְ֒לֽוּהוּ בְּמִנִּים וְעֻגָב: הַלְ֒לֽוּהוּ בְצִלְצְלֵי־שָֽׁמַע הַלְ֒לֽוּהוּ בְּצִלְצְלֵי תְרוּעָה: כֹּל הַנְּשָׁמָה תְּהַלֵּל יָהּ הַלְ֒לוּיָהּ:
Looft God. Looft de Almachtige in Zijn heiligdom. Looft God in het uitspansel van Zijn macht. Looft Hem om Zijn machtige daden; looft Hem naar de overvloed van Zijn grootheid. Looft Hem met het blazen op de sjofar; looft Hem met luit en harp. Looft Hem met trom en dans. Looft Hem met snaarinstrumenten en fluit. Looft Hem met klinkende cimbalen. Looft Hem met schallende cimbalen. Laat elke ziel God loven. Looft God. Laat elke ziel God loven. Looft God.
תָּנָא דְבֵי רַבִּי יִשְׁמָעֵאל אִלְמָלֵא לֹא זָכוּ יִשְׂרָאֵל אֶלָּא לְהַקְבִּיל פְּנֵי אֲבִיהֶם שֶׁבַּשָּׁמַֽיִם פַּֽעַם אַחַת בַּחֹֽדֶשׁ דַּיָּם אָמַר אַבַּיֵּי הִלְכָּךְ צָרִיךְ לְמֵימְרָא מְעֻמָּד: מִי זֹאת עוֹלָה מִן־הַמִּדְבָּר מִתְרַפֶּֽקֶת עַל־דּוֹדָהּ: וִיהִי רָצוֹן מִלְּפָנֶֽיךָ יְהֹוָה אֱלֹהַי וֵאלֹהֵי אֲבוֹתַי לְמַלֹּאת פְּגִימַת הַלְּבָנָה וְלֹא יִהְיֶה בָּהּ שׁוּם מִעוּט וִיְהִי אוֹר הַלְּבָנָה כְּאוֹר הַחַמָּה וּכְאוֹר שִׁבְעַת יְמֵי בְרֵאשִׁית כְּמוֹ שֶׁהָיְתָה קֹֽדֶם מִעוּטָהּ שֶׁנֶּאֱמַר אֶת־שְׁנֵי הַמְּאֹרוֹת הַגְּדֹלִים וְיִתְקַיֵּם בָּֽנוּ מִקְרָא שֶׁכָּתוּב וּבִקְשׁוּ אֶת־יְהֹוָה אֱלֹהֵיהֶם וְאֵת דָּוִיד מַלְכָּם אָמֵן:
Er werd geleerd in de school van rabbi Jisjmaeel: Zelfs al was het Jisraeel slechts vergund om eens per maand hun Vader in de hemel te begroeten, dan zou het voor hen voldoende zijn. Abbaje zei: “Daarom moet het staande worden uitgesproken.” Wie is zij die opkomt uit de woestijn, leunend op haar geliefde? Moge het Uw wil zijn, Eeuwige, onze God en God van onze vaderen, om het ontbrekende van de maan aan te vullen, zodat zij niet langer verminderd zal worden; en moge het licht van de maan zijn als het licht van de zon, en als het licht van de zeven dagen van de schepping, zoals het was voordat het verminderd werd, zoals gezegd is: “De twee grote lichten.” En moge voor ons vervuld worden het Schriftvers dat zegt: “Zij zullen de Eeuwige zoeken, hun God, en David, hun koning. Amein.
לַמְנַצֵּֽחַ בִּנְגִינוֹת מִזְמוֹר שִׁיר: אֱלֹהִים יְחָנֵּֽנוּ וִיבָרְכֵֽנוּ יָאֵר פָּנָיו אִתָּֽנוּ סֶֽלָה: לָדַֽעַת בָּאָֽרֶץ דַּרְכֶּֽךָ בְּכָל־גּוֹיִם יְשׁוּעָתֶֽךָ: יוֹדֽוּךָ עַמִּים אֱלֹהִים יוֹדֽוּךָ עַמִּים כֻּלָּם: יִשְׂמְחוּ וִירַנְּנוּ לְאֻמִּים כִּי־תִשְׁפּוֹט עַמִּים מִישׁוֹר וּלְאֻמִּים בָּאָֽרֶץ תַּנְחֵם סֶֽלָה: יוֹדֽוּךָ עַמִּים אֱלֹהִים יוֹדֽוּךָ עַמִּים כֻּלָּם: אֶֽרֶץ נָתְנָה יְבוּלָהּ יְבָרְכֵֽנוּ אֱלֹהִים אֱלֹהֵֽינוּ: יְבָרְכֵֽנוּ אֱלֹהִים וְיִירְאוּ אוֹתוֹ כָּל אַפְסֵי אָֽרֶץ:
Voor de Koorleider: een Psalm met instrumentale muziek, een lied. Moge God ons genadig zijn en ons zegenen, moge Hij Zijn aangezicht onder ons doen lichten, sela; opdat Uw weg op aarde bekend wordt, en Uw verlossing onder alle volken. Volken zullen U danken, God, alle volken zullen U danken. Naties zullen zich verheugen en zingen wanneer U de volken rechtvaardig oordeelt, en de naties op de aarde leidt, sela. Volken zullen U danken, God, alle volken zullen U danken. De aarde zal haar opbrengst hebben gegeven; God, onze God, zal ons hebben gezegend. God zal ons zegenen, en zij zullen Hem vrezen, allen tot aan de einden van de aarde.
אומרים עלינו לשבח וקדיש יתום
Aleinoe wordt gezegd, zie blz. 000.