Ma'ariv

Amidah

אֲדנָי שפָתַי תִּפְתָּח וּפִי יַגִּיד תְּהִלָּתֶךָ:

Eeuwige, open mijn lippen, en mijn mond zal Uw lof verkondigen:

בָּרוּךְ אַתָּה ה' אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ. אֱלהֵי אַבְרָהָם. אֱלהֵי יִצְחָק. וֵאלהֵי יַעֲקב. הָאֵל הַגָּדול הַגִּבּור וְהַנּורָא אֵל עֶלְיון. גּומֵל חֲסָדִים טובִים. וְקונֵה הַכּל. וְזוכֵר חַסְדֵּי אָבות. וּמֵבִיא גואֵל לִבְנֵי בְנֵיהֶם לְמַעַן שְׁמו בְּאַהֲבָה:

Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze God en God van onze vaderen, God van Abraham, God van Isaak en God van Jakob; de grote, machtige en ontzagwekkende God, de Allerhoogste God, die goede weldaden bewijst, en alles bezit, en de weldaden van de vaderen gedenkt, en met liefde een verlosser brengt aan de kinderen van hun kinderen omwille van Zijn naam:

בעשי”ת:

Tijdens de Tien Dagen van Inkeer:

זָכְרֵנוּ לְחַיִּים. מֶלֶךְ חָפֵץ בַּחַיִּים. וְכָתְבֵנוּ בְּסֵפֶר הַחַיִּים. לְמַעַנְךָ אֱלהִים חַיִּים:

Gedenk ons tot leven, Koning die behagen schept in het leven, en schrijf ons in het Boek van het Leven, omwille van Uzelf, levende God:

מֶלֶךְ עוזֵר וּמושִׁיעַ וּמָגֵן: בָּרוּךְ אַתָּה ה', מָגֵן אַבְרָהָם:

Koning, Helper, Redder en Schild; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham:

אַתָּה גִּבּור לְעולָם אֲדנָי. מְחַיֵּה מֵתִים אַתָּה רַב לְהושִׁיעַ:

U bent machtig voor eeuwig, Eeuwige; U doet de doden herleven, U bent overvloedig in redding:

בקיץ:

In de zomer:

מורִיד הַטָּל:

Die de dauw doet vallen:

בחורף:

In de winter:

מַשִּׁיב הָרוּחַ וּמורִיד הַגָּשֶּׁם:

Die de wind doet waaien en de regen doet vallen:

מְכַלְכֵּל חַיִּים בְּחֶסֶד. מְחַיֶּה מֵתִים בְּרַחֲמִים רַבִּים. סומֵךְ נופְלִים. וְרופֵא חולִים וּמַתִּיר אֲסוּרִים. וּמְקַיֵּם אֱמוּנָתו לִישֵׁנֵי עָפָר. מִי כָמוךָ בַּעַל גְּבוּרות וּמִי דומֶה לָּךְ. מֶלֶךְ מֵמִית וּמְחַיֶּה וּמַצְמִיחַ יְשׁוּעָה:

Hij onderhoudt de levenden met goedheid, doet de doden herleven met overvloedige barmhartigheid, ondersteunt de gevallenen, geneest de zieken, bevrijdt de gevangenen, en houdt Zijn trouw aan hen die in het stof slapen; wie is als U, Meester van machtige daden, en wie lijkt op U, een Koning die dood en leven brengt en redding doet ontluiken:

בעשי”ת

Tijdens de Tien Dagen van Inkeer:

מִי כָמוךָ אַב הָרַחֲמִים. זוכֵר יְצוּרָיו לְחַיִּים בְּרַחֲמִים:

Wie is als U, Vader van barmhartigheid, die Zijn schepselen in barmhartigheid tot leven gedenkt:

וְנֶאֱמָן אַתָּה לְהַחֲיות מֵתִים: בָּרוּךְ אַתָּה ה', מְחַיֵּה הַמֵּתִים:

En U bent getrouw om de doden te doen herleven; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die de doden doet herleven:

אַתָּה קָדושׁ וְשִׁמְךָ קָדושׁ וּקְדושִׁים בְּכָל יום יְהַלְּלוּךָ סֶּלָה: בָּרוּךְ אַתָּה ה', הָאֵל הַקָּדושׁ:

U bent heilig, en Uw naam is heilig, en de heiligen loven U elke dag, sela; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, de heilige God:

אַתָּה חונֵן לְאָדָם דַּעַת. וּמְלַמֵּד לֶאֱנושׁ בִּינָה:

U schenkt kennis aan de mens en leert het mensdom inzicht:

במוצאי שבת ויו”ט:

Op zaterdagavond en bij de afsluiting van feestdagen:

אַתָּה חונַנְתָּנוּ לְמַדַּע תּורָתֶךָ. וַתְּלַמְּדֵנוּ לַעֲשות חֻקֵּי רְצונֶךָ. וַתַּבְדֵּל ה' אֱלהֵינוּ בֵּין קדֶשׁ לְחל. בֵּין אור לְחשֶׁךְ. בֵּין יִשרָאֵל לָעַמִּים. בֵּין יום הַשְּׁבִיעִי לְשֵׁשֶׁת יְמֵי הַמַּעֲשה. אָבִינוּ מַלְכֵּנוּ הָחֵל עָלֵינוּ הַיָּמִים הַבָּאִים לִקְרָאתֵנוּ לְשָׁלום. חֲשוּכִים מִכָּל חֵטְא. וּמְנֻקִּים מִכָּל עָון. וּמְדֻבָּקִים בְּיִרְאָתֶךָ:

U hebt ons kennis van Uw Tora geschonken, en ons geleerd de inzettingen van Uw wil te volbrengen; en U, Eeuwige, onze God, hebt onderscheid gemaakt tussen heilig en alledaags, tussen licht en duisternis, tussen Jisraeel en de volken, tussen de zevende dag en de zes werkdagen; onze Vader, onze Koning, laat voor ons de dagen die op ons toekomen aanvangen in vrede, vrij van alle zonde, gereinigd van alle ongerechtigheid, en gehecht aan het ontzag voor U:

חָנֵּנוּ מֵאִתְּךָ דֵעָה בִּינָה וְהַשכֵּל בָּרוּךְ אַתָּה ה', חונֵן הַדָּעַת:

Schenk ons van Uzelf kennis, inzicht en begrip; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die kennis schenkt:

הֲשִׁיבֵנוּ אָבִינוּ לְתורָתֶךָ. וְקָרְבֵנוּ מַלְכֵּנוּ לַעֲבודָתֶךָ וְהַחֲזִירֵנוּ בִּתְשׁוּבָה שְׁלֵמָה לְפָנֶיךָ. בָּרוּךְ אַתָּה ה', הָרוצֶה בִּתְשׁוּבָה:

Doe ons terugkeren, onze Vader, tot Uw Tora; en breng ons nabij, onze Koning, tot Uw dienst; en doe ons terugkeren met volkomen inkeer voor Uw aangezicht; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die behagen schept in inkeer:

סְלַח לָנוּ אָבִינוּ כִּי חָטָאנוּ. מְחַל לָנוּ מַלְכֵּנוּ כִּי פָשָׁעְנוּ. כִּי מוחֵל וְסולֵחַ אָתָּה. בָּרוּךְ אַתָּה ה', חַנּוּן הַמַּרְבֶּה לִסְלחַ:

Vergeef ons, onze Vader, want wij hebben gezondigd; scheld ons kwijt, onze Koning, want wij hebben overtreden; want U scheldt kwijt en vergeeft; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Genadige die rijk is aan vergeving:

רְאֵה בְעָנְיֵנוּ. וְרִיבָה רִיבֵנוּ. וּגְאָלֵנוּ מְהֵרָה לְמַעַן שְׁמֶךָ. כִּי גּואֵל חָזָק אָתָּה. בָּרוּךְ אַתָּה ה', גּואֵל יִשרָאֵל:

Zie onze ellende aan, en bepleit onze zaak, en verlos ons spoedig omwille van Uw naam, want U bent een machtige Verlosser; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Verlosser van Jisraeel:

רְפָאֵנוּ ה' וְנֵרָפֵא. הושִׁיעֵנוּ וְנִוָּשֵׁעָה כִּי תְהִלָּתֵנוּ אָתָּה. וְהַעֲלֵה רְפוּאָה שְׁלֵמָה לְכָל מַכּותֵינוּ.

Genees ons, Eeuwige, en wij zullen genezen worden; red ons, en wij zullen gered worden, want U bent onze lof; en breng volledige genezing voor al onze wonden:

תפילה בעד החולה:

Gebed voor de zieke:

יְהִי רָצון מִלְּפָנֶיךָ ה' אֱלהַי וֵאלהֵי אֲבותַי. שֶׁתִּשְׁלַח מְהֵרָה רְפוּאָה שְׁלֵמָה מִן הַשָּׁמַיִם. רְפוּאַת הַנֶּפֶשׁ וּרְפוּאַת הַגּוּף לְחולֶה פב"פ בְּתוךְ שְׁאָר חולֵי יִשרָאֵל:

Moge het Uw wil zijn, Eeuwige, mijn God en God van mijn vaderen, dat U spoedig een volledige genezing uit de hemel zendt, genezing van de ziel en genezing van het lichaam, aan de zieke [voeg naam in] te midden van de andere zieken van Jisraeel:

כִּי אֵל מֶלֶךְ רופֵא נֶאֱמָן וְרַחֲמָן אָתָּה. בָּרוּךְ אַתָּה ה', רופֵא חולֵי עַמּו יִשרָאֵל:

Want U bent een getrouwe en barmhartige genezende Koning en God; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Genezer van de zieken van Zijn volk Jisraeel:

בָּרֵךְ עָלֵינוּ ה' אֱלהֵינוּ אֶת הַשָּׁנָה הַזּאת וְאֶת כָּל מִינֵי תְבוּאָתָהּ לְטובָה. וְתֵן

Zegen voor ons, Eeuwige, onze God, dit jaar en al zijn soorten opbrengst ten goede; en geef

בקיץ:

In de zomer:

בְּרָכָה

Zegen:

בחורף:

In de winter:

טַל וּמָטָר לִבְרָכָה

Dauw en regen tot zegen:

לִבְרָכָה עַל פְּנֵי הָאֲדָמָה וְשבְּעֵנוּ מִטּוּבָהּ. וּבָרֵךְ שְׁנָתֵנוּ כַּשָּׁנִים הַטּובות. בָּרוּךְ אַתָּה ה', מְבָרֵךְ הַשָּׁנִים:

Tot zegen over het aangezicht van de aarde, en verzadig ons met haar goedheid; en zegen ons jaar als de goede jaren; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die de jaren zegent:

תְּקַע בְּשׁופָר גָּדול לְחֵרוּתֵנוּ. וְשא נֵס לְקַבֵּץ גָּלֻיּותֵינוּ. וְקַבְּצֵנוּ יַחַד מֵאַרְבַּע כַּנְפות הָאָרֶץ. בָּרוּךְ אַתָּה ה', מְקַבֵּץ נִדְחֵי עַמּו יִשרָאֵל:

Blaas de grote sjofar voor onze vrijheid; en hef een banier om onze ballingen te verzamelen; en verzamel ons tezamen uit de vier hoeken van de aarde; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die de verstrooiden van Zijn volk Jisraeel verzamelt:

הָשִׁיבָה שׁופְטֵינוּ כְּבָרִאשׁונָה וְיועֲצֵינוּ כְּבַתְּחִלָּה. וְהָסֵר מִמֶּנּוּ יָגון וַאֲנָחָה. וּמְלךְ עָלֵינוּ אַתָּה ה' לְבַדְּךָ בְּחֶסֶד וּבְרַחֲמִים. וְצַדְּקֵנוּ בַּמִשְׁפָּט. בָּרוּךְ אַתָּה ה', מֶלֶךְ אוהֵב צְדָקָה וּמִשְׁפָּט:

Herstel onze rechters als voorheen, en onze raadgevers als in het begin; en verwijder van ons droefenis en gezucht; en heers over ons, U, Eeuwige, alleen, met goedheid en barmhartigheid; en doe ons recht in het oordeel; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Koning die gerechtigheid en oordeel liefheeft:

בעשי”ת

Tijdens de Tien Dagen van Inkeer:

הַמֶּלֶךְ הַמִשְׁפָּט

De Koning van het oordeel:

וְלַמַּלְשִׁינִים אַל תְּהִי תִקְוָה. וְכָל הָרִשְׁעָה כְּרֶגַע תּאבֵד. וְכָל אויְבֵי עַמְּךָ מְהֵרָה יִכָּרֵתוּ. וְהַזֵדִים מְהֵרָה תְעַקֵּר וּתְשַׁבֵּר וּתְמַגֵּר וְתַכְנִיעַ בִּמְהֵרָה בְיָמֵינוּ. בָּרוּךְ אַתָּה ה', שׁובֵר אויְבִים וּמַכְנִיעַ זֵדִים:

En voor de lasteraars zij er geen hoop; en moge alle goddeloosheid in een ogenblik vergaan; en mogen alle vijanden van Uw volk spoedig afgesneden worden; en de hovaardigen, ruk spoedig uit, verbrijzel, werp neer en onderwerp spoedig in onze dagen; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die vijanden verbreekt en de hovaardigen onderwerpt:

עַל הַצַּדִּיקִים וְעַל הַחֲסִידִים. וְעַל זִקְנֵי עַמְּךָ בֵּית יִשרָאֵל. וְעַל פְּלֵיטַת סופְרֵיהֶם. וְעַל גֵּרֵי הַצֶּדֶק. וְעָלֵינוּ. יֶהֱמוּ רַחֲמֶיךָ ה' אֱלהֵינוּ. וְתֵן שכָר טוב לְכָל הַבּוטְחִים בְּשִׁמְךָ בֶּאֱמֶת. וְשים חֶלְקֵנוּ עִמָּהֶם לְעולָם וְלא נֵבושׁ כִּי בְךָ בָטָחְנוּ. בָּרוּךְ אַתָּה ה', מִשְׁעָן וּמִבְטָח לַצַּדִּיקִים:

Over de rechtvaardigen en de vromen, en over de oudsten van Uw volk, het huis van Jisraeel, en over het overblijfsel van hun schriftgeleerden, en over de rechtvaardige bekeerlingen, en over ons, moge Uw barmhartigheid opgewekt worden, Eeuwige, onze God; en geef een goede beloning aan allen die in waarheid op Uw naam vertrouwen; en plaats ons deel met hen voor eeuwig, en wij zullen niet beschaamd worden, want wij vertrouwen op U; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Steun en Vertrouwen van de rechtvaardigen:

וְלִירוּשָׁלַיִם עִירְךָ בְּרַחֲמִים תָּשׁוּב. וְתִשְׁכּן בְּתוכָהּ כַּאֲשֶׁר דִּבַּרְתָּ. וּבְנֵה אותָהּ בְּקָרוב בְּיָמֵינוּ בִּנְיַן עולָם. וְכִסֵּא דָוִד מְהֵרָה לְתוכָהּ תָּכִין:

En tot Jeruzalem, Uw stad, keer terug in barmhartigheid; en woon daarin zoals U gesproken hebt; en herbouw haar spoedig in onze dagen tot een eeuwig bouwwerk; en vestig spoedig de troon van David daarin:

בָּרוּךְ אַתָּה ה', בּונֵה יְרוּשָׁלָיִם:

Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Bouwer van Jeruzalem:

אֶת צֶמַח דָּוִד עַבְדְּךָ מְהֵרָה תַצְמִיחַ. וְקַרְנו תָּרוּם בִּישׁוּעָתֶךָ. כִּי לִישׁוּעָתְךָ קִוִּינוּ כָּל הַיּום. בָּרוּךְ אַתָּה ה', מַצְמִיחַ קֶרֶן יְשׁוּעָה:

De spruit van David, Uw dienaar, doe spoedig ontluiken; en verhef zijn hoorn met Uw redding; want wij hopen op Uw redding heel de dag; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die de hoorn van redding doet ontluiken:

שְׁמַע קולֵנוּ. ה' אֱלהֵינוּ חוּס וְרַחֵם עָלֵינוּ. וְקַבֵּל בְּרַחֲמִים וּבְרָצון אֶת תְּפִלָּתֵנוּ. כִּי אֵל שׁומֵעַ תְּפִלּות וְתַחֲנוּנִים אָתָּה. וּמִלְּפָנֶיךָ מַלְכֵּנוּ. רֵיקָם אַל תְּשִׁיבֵנוּ:

Hoor onze stem, Eeuwige, onze God; spaar ons en heb erbarmen met ons; en aanvaard ons gebed met barmhartigheid en welgevallen; want U bent een God die gebeden en smekingen hoort; en van voor Uw aangezicht, onze Koning, zend ons niet met lege handen weg:

תפלה לעצירת הגשמים בשומע תפלה:

Gebed om de regen te doen ophouden in ‘Hoor ons gebed’:

וַעֲנֵנוּ בּורֵא עולָם בְּמִדַּת הָרַחֲמִים, בּוחֵר בְּעַמּו יִשרָאֵל לְהודִיעַ גָּדְלו וְהַדְרַת כְּבודו, שׁומֵעַ תְּפִלָּה תֵּן טַל וּמָטָר עַל פְּנֵי הָאֲדָמָה, וְתַשבִּיעַ אֶת הָעולָם כֻּלּו מִטּוּבֶךָ, וּמַלֵּא יָדֵינוּ מִבִּרְכותֶיךָ וּמֵעשֶׁר מַתְּנַת יָדֶךָ, שְׁמור וְהַצֵל שָׁנָה זו מִכָּל דָּבָר רָע, וּמִכָּל מִינֵי מַשְׁחִית, וּמִכָּל מִינֵי פֻּרְעָנִיּות, וַעֲשה לָהּ תִּקְוָה וְאַחֲרִית שָׁלום, חוּס וְרַחֵם עָלֵינוּ וְעַל כָּל תְּבוּאָתֵנוּ וּפֵרותֵינוּ, וּבָרְכֵנוּ בְּגִשְׁמֵי בְרָכָה וְנִזְכֶּה לְחַיִּים וָשׁובַע וְשָׁלום, כַּשָׁנִים הַטּובות, וְהָסֵר מִמֶּנּוּ דֶּבֶר וְחֶרֶב וְרָעָב, וְחַיָּה רָעָה וּשְׁבִי וּבִזָה, וְיֵצֶר הָרָע וְחָלָיִים רָעִים וְקָשִׁים, וּמְאורָעות רָעיִם וְקָשִׁים, וּגְזור עָלֵינוּ גְּזֵרות טובות מִלְּפָנֶיךָ, וְיִגּלּוּ רַחֲמֶיךָ עַל מִדּותֶיךָ, וְתִתְנַהֵג עִם בָּנֶיךָ בְּמִדַּת הָרַחֲמִים, וְקַבֵּל בְּרַחֲמִים וּבְרָצון אֶת תְּפִלָּתֵנוּ:

En antwoord ons, Schepper van de wereld, met de eigenschap van barmhartigheid; U die Uw volk Jisraeel verkozen hebt om Uw grootheid en de pracht van Uw glorie te verkondigen; o Verhoorder van het gebed, geef dauw en regen over het aangezicht van de aarde, en verzadig heel de wereld met Uw goedheid, en vul onze handen met Uw zegeningen en de rijkdom van de gave van Uw hand; behoed en red dit jaar van alle kwade dingen, en van alle soorten verderf, en van alle soorten rampen, en maak er hoop voor en een vreedzaam einde; spaar ons en heb erbarmen met ons en met al onze opbrengst en vruchten, en zegen ons met regens van zegen, en mogen wij leven, verzadiging en vrede verdienen als de goede jaren; en verwijder van ons pest, zwaard, hongersnood, wilde dieren, gevangenschap, plundering, de kwade neiging, en zware en harde ziekten, en kwade en moeilijke gebeurtenissen; en verorden voor ons goede verordeningen van voor Uw aangezicht, en laat Uw barmhartigheid de overhand hebben over Uw eigenschappen, en handel met Uw kinderen volgens de eigenschap van barmhartigheid, en aanvaard ons gebed met barmhartigheid en welgevallen:

כִּי אַתָּה שׁומֵעַ תְּפִלַּת עַמְּךָ יִשרָאֵל בְּרַחֲמִים. בָּרוּךְ אַתָּה ה', שׁומֵעַ תְּפִלָּה:

Want U hoort het gebed van Uw volk Jisraeel met barmhartigheid; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die het gebed hoort:

רְצֵה ה' אֱלהֵינוּ בְּעַמְּךָ יִשרָאֵל וּבִתְפִלָּתָם וְהָשֵׁב אֶת הָעֲבודָה לִדְבִיר בֵּיתֶךָ. וְאִשֵּׁי יִשרָאֵל וּתְפִלָּתָם. בְּאַהֲבָה תְקַבֵּל בְּרָצון. וּתְהִי לְרָצון תָּמִיד עֲבודַת יִשרָאֵל עַמֶּךָ:

Wees welgevallig, Eeuwige, onze God, met Uw volk Jisraeel en hun gebed; en herstel de dienst in het heiligdom van Uw huis; en de vuuroffers van Jisraeel en hun gebed, aanvaard met liefde en welgevallen; en moge de dienst van Uw volk Jisraeel U altijd welgevallig zijn:

בראש חודש ובחול המועד אומרים זה:

Op Rosj Chodesj en Chol Hamoëd wordt dit gezegd:

אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ. יַעֲלֶה וְיָבוא וְיַגִּיעַ. וְיֵרָאֶה וְיֵרָצֶה וְיִשָּׁמַע. וְיִפָּקֵד וְיִזָּכֵר זִכְרונֵנוּ וּפִקְדונֵנוּ וְזִכְרון אֲבותֵינוּ. וְזִכְרון מָשִׁיחַ בֶּן דָּוִד עַבְדֶּךָ. וְזִכְרון יְרוּשָׁלַיִם עִיר קָדְשֶׁךָ. וְזִכְרון כָּל עַמְּךָ בֵּית יִשרָאֵל. לְפָנֶיךָ. לִפְלֵיטָה לְטובָה. לְחֵן וּלְחֶסֶד וּלְרַחֲמִים. לְחַיִּים וּלְשָׁלום בְּיום:

Onze God en God van onze vaderen, moge opstijgen, komen, aankomen, gezien worden, aanvaard worden, gehoord worden, opgemerkt worden en gedacht worden, onze gedachtenis en onze bezoeking, en de gedachtenis van onze vaderen, en de gedachtenis van de Masjiach, zoon van David, Uw dienaar, en de gedachtenis van Jeruzalem, Uw heilige stad, en de gedachtenis van heel Uw volk, het huis van Jisraeel, voor Uw aangezicht, tot bevrijding, ten goede, tot genade, tot goedheid en tot barmhartigheid, tot leven en tot vrede, op deze dag van:

בראש חדש:

Op Rosj Chodesj:

ראשׁ הַחדֶשׁ:

Rosj Chodesj:

בפסח:

Op Pesach:

חַג הַמַּצּות:

Het Feest van de Matsot:

בסוכות:

Op Soekot:

חַג הַסֻּכּות:

Het Feest van Soekot:

הַזֶּה. זָכְרֵנוּ ה' אֱלהֵינוּ בו לְטובָה. וּפָקְדֵנוּ בו לִבְרָכָה. וְהושִׁיעֵנוּ בו לְחַיִּים. וּבִדְבַר יְשׁוּעָה וְרַחֲמִים חוּס וְחָנֵּנוּ וְרַחֵם עָלֵינוּ וְהושִׁיעֵנוּ. כִּי אֵלֶיךָ עֵינֵינוּ. כִּי אֵל מֶלֶךְ חַנּוּן וְרַחוּם אָתָּה:

Deze dag; gedenk ons, Eeuwige, onze God, daarop ten goede; en bezoek ons daarop met zegen; en red ons daarop tot leven; en met een woord van redding en barmhartigheid, spaar ons, wees ons genadig, heb erbarmen met ons, en red ons; want onze ogen zijn op U gericht, want U bent een genadige en barmhartige Koning en God:

וְתֶחֱזֶינָה עֵינֵינוּ בְּשׁוּבְךָ לְצִיּון בְּרַחֲמִים: בָּרוּךְ אַתָּה ה', הַמַּחֲזִיר שְׁכִינָתו לְצִיּון:

En mogen onze ogen Uw terugkeer naar Sion in barmhartigheid aanschouwen; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die Zijn aanwezigheid naar Sion herstelt:

מודִים אֲנַחְנוּ לָךְ. שָׁאַתָּה הוּא ה' אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ לְעולָם וָעֶד. צוּר חַיֵּינוּ. מָגֵן יִשְׁעֵנוּ אַתָּה הוּא לְדור וָדור: נודֶה לְּךָ וּנְסַפֵּר תְּהִלָּתֶךָ עַל חַיֵּינוּ הַמְּסוּרִים בְּיָדֶךָ. וְעַל נִשְׁמותֵינוּ הַפְּקוּדות לָךְ. וְעַל נִסֶּיךָ שֶׁבְּכָל יום עִמָּנוּ. וְעַל נִפְלְאותֶיךָ וְטובותֶיךָ שֶׁבְּכָל עֵת. עֶרֶב וָבקֶר וְצָהֳרָיִם: הַטּוב כִּי לא כָלוּ רַחֲמֶיךָ. וְהַמְרַחֵם כִּי לא תַמּוּ חֲסָדֶיךָ. מֵעולָם קִוִּינוּ לָךְ:

Wij danken U, want U bent de Eeuwige, onze God en God van onze vaderen, voor eeuwig en altijd; Rots van ons leven, Schild van onze redding, U bent Hij van geslacht tot geslacht; wij zullen U danken en Uw lof verkondigen voor ons leven dat in Uw hand is toevertrouwd, en voor onze zielen die bij U zijn neergelegd, en voor Uw wonderen die elke dag met ons zijn, en voor Uw wonderdaden en goedheid die er te allen tijde zijn, avond, morgen en middag; de Goede, want Uw barmhartigheid heeft niet opgehouden, en de Barmhartige, want Uw weldaden zijn niet geëindigd, want wij hebben altijd op U gehoopt:

בחנוכה ופורים אומרים כאן ועל הנסים:

Op Chanoeka en Poerim wordt ‘Voor de wonderen’ hier gezegd:

עַל הַנִּסִּים וְעַל הַפֻּרְקָן וְעַל הַגְּבוּרות וְעַל הַתְּשׁוּעות וְעַל הַמִּלְחָמות שֶׁעָשיתָ לַאֲבותֵינוּ בַּיָּמִים הָהֵם בִּזְּמַן הַזֶּה:

Voor de wonderen, en voor de verlossing, en voor de machtige daden, en voor de reddingen, en voor de oorlogen die U voor onze vaderen verricht hebt in die dagen in deze tijd:

לחנוכה:

Voor Chanoeka:

בִּימֵי מַתִּתְיָהוּ בֶּן יוחָנָן כּהֵן גָּדול חַשְׁמונַאִי וּבָנָיו. כְּשֶׁעָמְדָה מַלְכוּת יָוָן הָרְשָׁעָה עַל עַמְּךָ יִשרָאֵל לְהַשְׁכִּיחָם תּורָתֶךָ וּלְהַעֲבִירָם מֵחֻקֵּי רְצונֶךָ:
וְאַתָּה בְּרַחֲמֶיךָ הָרַבִּים עָמַדְתָּ לָהֶם בְּעֵת צָרָתָם. רַבְתָּ אֶת רִיבָם. דַנְתָּ אֶת דִּינָם. נָקַמְתָּ אֶת נִקְמָתָם. מָסַרְתָּ גִבּורִים בְּיַד חַלָּשִׁים. וְרַבִּים בְּיַד מְעַטִּים. וּטְמֵאִים בְּיַד טְהורִים. וּרְשָׁעִים בְּיַד צַדִּיקִים. וְזֵדִים בְּיַד עוסְקֵי תורָתֶךָ. וּלְךָ עָשיתָ שֵׁם גָּדול וְקָדושׁ בְּעולָמֶךָ. וּלְעַמְּךָ יִשרָאֵל עָשיתָ תְּשׁוּעָה גְדולָה וּפֻרְקָן כְּהַיּום הַזֶּה:
וְאַחַר כֵּן בָּאוּ בָנֶיךָ לִדְבִיר בֵּיתֶךָ. וּפִנּוּ אֶת הֵיכָלֶךָ. וְטִהֲרוּ אֶת מִקְדָּשֶׁךָ. וְהִדְלִיקוּ נֵרות בְּחַצְרות קָדְשֶׁךָ. וְקָבְעוּ שְׁמונַת יְמֵי חֲנֻכָּה אֵלּוּ. לְהודות וּלְהַלֵּל לְשִׁמְךָ הַגָּדול:

In de dagen van Mattitjahoe, zoon van Jochanan, de Hogepriester, de Hasmoneeër, en zijn zonen, toen het goddeloze Griekse koninkrijk opstond tegen Uw volk Jisraeel om hen Uw Tora te doen vergeten en hen af te wenden van de inzettingen van Uw wil:
En U, in Uw overvloedige barmhartigheid, stond hun bij in hun tijd van nood; U streed hun strijd, oordeelde hun oordeel, wreekte hun wraak; U gaf de sterken over in de hand van de zwakken, en de velen in de hand van de weinigen, en de onreinen in de hand van de reinen, en de goddelozen in de hand van de rechtvaardigen, en de hovaardigen in de hand van hen die Uw Tora bestuderen; en voor Uzelf maakte U een grote en heilige naam in Uw wereld, en voor Uw volk Jisraeel verrichtte U een grote redding en verlossing als op deze dag:
En daarna kwamen Uw kinderen tot het heiligdom van Uw huis, en ruimden Uw Tempel, en reinigden Uw heiligdom, en ontstaken lichten in Uw heilige voorhoven, en stelden deze acht dagen van Chanoeka in om Uw grote naam te danken en te prijzen:

לפורים:

Voor Poerim:

בִּימֵי מָרְדְּכַי וְאֶסְתֵּר בְּשׁוּשַׁן הַבִּירָה. כְּשֶׁעָמַד עֲלֵיהֶם הָמָן הָרָשָׁע. בִּקֵּשׁ לְהַשְׁמִיד לַהֲרוג וּלְאַבֵּד אֶת כָּל הַיְּהוּדִים מִנַּעַר וְעַד זָקֵן טַף וְנָשִׁים בְּיום אֶחָד. בִּשְׁלשָׁה עָשר לְחדֶשׁ שְׁנֵים עָשר. הוּא חדֶשׁ אֲדָר. וּשְׁלָלָם לָבוז:
וְאַתָּה בְּרַחֲמֶיךָ הָרַבִּים. הֵפַרְתָּ אֶת עֲצָתו. וְקִלְקַלְתָּ אֶת מַחֲשַׁבְתּו. וַהֲשֵׁבותָ לּו גְּמוּלו בְּראשׁו. וְתָלוּ אותו וְאֶת בָּנָיו עַל הָעֵץ. (וְעָשיתָ עִמָּהֶם נֵס וָפֶלֶא וְנודֶה לְשִׁמְךָ הַגָּדול סֶלָה):

In de dagen van Mordechai en Esther in Sjoesjan, de hoofdstad, toen de goddeloze Haman tegen hen opstond, en trachtte te verdelgen, te doden en te vernietigen alle Joden, van jong tot oud, kinderen en vrouwen, op één dag, op de dertiende van de twaalfde maand, dat is de maand Adar, en hun buit te plunderen:
En U, in Uw overvloedige barmhartigheid, verijdelde zijn raad en doorkruiste zijn plan, en deed zijn vergelding op zijn eigen hoofd neerkomen, en zij hingen hem en zijn zonen aan de galg; (en U verrichtte een wonder en een teken met hen, en wij danken Uw grote naam, sela):

וְעַל כֻּלָּם יִתְבָּרַךְ וְיִתְרומַם שִׁמְךָ מַלְכֵּנוּ תָּמִיד לְעולָם וָעֶד:

En om dit alles zij Uw naam gezegend en verhoogd, onze Koning, voortdurend voor eeuwig en altijd:

בעשי”ת:

Tijdens de Tien Dagen van Inkeer:

וּכְתב לְחַיִּים טובִים כָּל בְּנֵי בְרִיתֶךָ:

En schrijf alle kinderen van Uw verbond in voor een goed leven:

וְכל הַחַיִּים יודוּךָ סֶּלָה. וִיהַלְלוּ אֶת שִׁמְךָ בֶּאֱמֶת. הָאֵל יְשׁוּעָתֵנוּ וְעֶזְרָתֵנוּ סֶלָה. בָּרוּךְ אַתָּה ה', הַטּוב שִׁמְךָ וּלְךָ נָאֶה לְהודות:

En alle levenden zullen U danken, sela, en Uw naam in waarheid prijzen, de God van onze redding en onze hulp, sela; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, wiens naam Goed is, en aan wie het past te danken:

שָׁלוֹם רָב עַל יִשְׂרָאֵל עַמְּךָ תָּשִׂים לְעוֹלָם כִּי אַתָּה הוּא מֶלֶךְ אָדוֹן לְכָל הַשָּׁלוֹם וְטוֹב בְּעֵינֶיךָ לְבָרֵךְ אֶת עַמְּךָ יִשְׂרָאֵל בְּכָל עֵת וּבְכָל שָׁעָה בִּשְׁלוֹמֶךָ.

Schenk overvloedige vrede aan Jisraeel, Uw volk, voor eeuwig, want U bent de soevereine Heer van alle vrede; en moge het goed zijn in Uw ogen om Uw volk Jisraeel te allen tijde en op elk uur met Uw vrede te zegenen:

בעשי”ת:

Tijdens de Tien Dagen van Inkeer:

בְּסֵפֶר חַיִּים. בְּרָכָה וְשָׁלום. וּפַרְנָסָה טובָה. נִזָּכֵר וְנִכָּתֵב לְפָנֶיךָ. אֲנַחְנוּ וְכָל עַמְּךָ בֵּית יִשרָאֵל. לְחַיִּים טובִים וּלְשָׁלום:

In het Boek van het Leven, zegen en vrede, en goed levensonderhoud, mogen wij gedacht en ingeschreven worden voor Uw aangezicht, wij en heel Uw volk, het huis van Jisraeel, voor een goed leven en voor vrede:

בָּרוּךְ אַתָּה ה', הַמְבָרֵךְ אֶת עַמּו יִשרָאֵל בַּשָּׁלום:

Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die Zijn volk Jisraeel met vrede zegent:

יִהְיוּ לְרָצון אִמְרֵי פִי וְהֶגְיון לִבִּי לְפָנֶיךָ. ה' צוּרִי וְגואֲלִי:

Mogen de woorden van mijn mond en de overpeinzing van mijn hart welgevallig zijn voor Uw aangezicht, Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser:

אֱלהַי. נְצר לְשׁונִי מֵרָע וּשפָתַי מִדַּבֵּר מִרְמָה. וְלִמְקַלְלַי נַפְשִׁי תִדּם. וְנַפְשִׁי כֶּעָפָר לַכּל תִּהְיֶה. פְּתַח לִבִּי בְּתורָתֶךָ. וּבְמִצְותֶיךָ תִּרְדּף נַפְשִׁי. וְכָל הַחושְׁבִים עָלַי רָעָה. מְהֵרָה הָפֵר עֲצָתָם וְקַלְקֵל מַחֲשַׁבְתָּם: עֲשה לְמַעַן שְׁמֶךָ. עֲשה לְמַעַן יְמִינֶךָ. עֲשה לְמַעַן קְדֻשָּׁתֶךָ. עֲשה לְמַעַן תּורָתֶךָ. לְמַעַן יֵחָלְצוּן יְדִידֶיךָ הושִׁיעָה יְמִינְךָ וַעֲנֵנִי:

Mijn God, behoed mijn tong voor het kwaad en mijn lippen voor het spreken van bedrog; en tegenover hen die mij vervloeken, laat mijn ziel zwijgen, en laat mijn ziel als stof zijn voor allen; open mijn hart voor Uw Tora, en moge mijn ziel Uw geboden najagen; en allen die kwaad tegen mij beramen, verijdel snel hun raad en doorkruis hun plannen; doe het omwille van Uw naam; doe het omwille van Uw rechterhand; doe het omwille van Uw heiligheid; doe het omwille van Uw Tora; opdat Uw beminden bevrijd worden, red met Uw rechterhand en antwoord mij:

יִהְיוּ לְרָצון אִמְרֵי פִי וְהֶגְיון לִבִּי לְפָנֶיךָ. ה' צוּרִי וְגואֲלִי:

Mogen de woorden van mijn mond en de overpeinzing van mijn hart welgevallig zijn voor Uw aangezicht, Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser:

עשה שָׁלום בִּמְרומָיו. הוּא יַעֲשה שָׁלום עָלֵינוּ וְעַל כָּל יִשרָאֵל. וְאִמְרוּ אָמֵן:

Hij die vrede maakt in Zijn hoogten, moge Hij vrede maken over ons en over heel Jisraeel, en zeg, Amen:

יְהִי רָצון מִלְּפָנֶיךָ ה' אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ. שֶׁיִּבָּנֶה בֵּית הַמִּקְדָּשׁ בִּמְהֵרָה בְיָמֵינוּ. וְתֵן חֶלְקֵנוּ בְּתורָתֶךָ: וְשָׁם נַעֲבָדְךָ בְּיִרְאָה כִּימֵי עולָם וּכְשָׁנִים קַדְמונִיות: וְעָרְבָה לה' מִנְחַת יְהוּדָה וִירוּשָׁלָיִם. כִּימֵי עולָם וּכְשָׁנִים קַדְמונִיות:

Moge het Uw wil zijn voor Uw aangezicht, Eeuwige, onze God en God van onze vaderen, dat de heilige Tempel spoedig in onze dagen herbouwd wordt, en geef ons ons deel in Uw Tora; en daar zullen wij U met ontzag dienen zoals in vroeger dagen en zoals in voorbije jaren; en moge het offer van Juda en Jeruzalem welgevallig zijn aan de Eeuwige, zoals in vroeger dagen en zoals in voorbije jaren:

קדיש שלם

Volledige Kaddiesj:

יִתְגַּדַּל וְיִתְקַדַּשׁ גרסת הגר"א: יִתְגַּדֵּל וְיִתְקַדֵּשׁ שְׁמֵהּ רַבָּא. ועונים: אמן בְּעָלְמָא דִי בְרָא כִּרְעוּתֵהּ. וְיַמְלִיךְ מַלְכוּתֵהּ, בְּחַיֵיכוֹן וּבְיוֹמֵיכוֹן וּבְחַיֵי דְּכָל בֵּית יִשְׂרָאֵל, בַּעֲגַלָא וּבִזְמַן קָרִיב וְאִמְרוּ אָמֵן:
הקהל עונה: אמן. יְהֵא שְׁמֵהּ רַבָּא מְבָרַךְ לְעָלַם וּלְעָלְמֵי עָלְמַיָא:
יְהֵא שְׁמֵהּ רַבָּא מְבָרַךְ לְעָלַם וּלְעָלְמֵי עָלְמַיָא: יִתְבָּרַךְ וְיִשְׁתַּבַּח וְיִתְפָּאַר וְיִתְרוֹמַם וְיִתְנַשֵּׂא וְיִתְהַדָּר וְיִתְעַלֶּה וְיִתְהַלָּל , שְׁמֵהּ דְּקוּדְשָׁא בְּרִיךְ הוּא ועונים: בְּרִיךְ הוּא
לְעֵילָא מִן כָּל בעשרת ימי תשובה במקום לְעֵילָא מִן כָּל: לְעֵילָא וּלְעֵילָא מִכָּל בִּרְכָתָא וְשִׁירָתָא, תֻּשְׁבְּחָתָא וְנֶחָמָתָא, דַאֲמִירָן בְּעָלְמָא. וְאִמְרוּ אָמֵן: ועונים: אמן
קהל: קַבֵּל בְּרַחֲמִים וּבְרָצון אֶת תְּפִלָּתֵנוּ:
תִּתְקַבַּל צְלוֹתְהוֹן וּבָעוּתְהוֹן דְּכָל בֵּית יִשְׂרָאֵל קֳדָם אֲבוּהוֹן דִּי בִשְׁמַיָּא , וְאִמְרוּ אָמֵן. ועונים: אמן
קהל: יְהִי שֵׁם יְהוָה מְבֹרָךְ מֵעַתָּה וְעַד עוֹלָם:
יְהֵא שְׁלָמָא רַבָּא מִן שְׁמַיָא וְחַיִּים עָלֵינו וְעַל כָּל יִשְׂרָאֵל וְאִמְרוּ אָמֵן: ועונים: אמן
קהל: עֶזְרִי מֵעִם יְהוָה עֹשֵׂה שָׁמַיִם וָאָרֶץ:
עוֹשֶׂה שָׁלוֹם בעשרת ימי תשובה: השלום בִּמְרוֹמָיו הוּא יַעֲשֶׂה שָׁלוֹם עָלֵינוּ וְעַל כָּל יִשְׂרָאֵל, וְאִמְרוּ אָמֵן: ועונים: אמן

Moge Zijn grote naam verheven en geheiligd worden (volgens de versie van de Gaon van Wilna: Moge Zijn grote naam verheven en geheiligd worden); en zij antwoorden: Amen; in de wereld die Hij geschapen heeft naar Zijn wil; en moge Hij Zijn koninkrijk vestigen in uw leven en in uw dagen, en in het leven van heel het huis van Jisraeel, spoedig en weldra, en zeg, Amen:
De gemeente antwoordt: Amen; Moge Zijn grote naam gezegend zijn voor eeuwig en in alle eeuwigheid:
Moge Zijn grote naam gezegend zijn voor eeuwig en in alle eeuwigheid; moge die gezegend, geprezen, verheerlijkt, verhoogd, bezongen, geëerd, verheven en gelauwerd zijn, de naam van de Heilige, geprezen zij Hij; en zij antwoorden: Geprezen zij Hij;
boven alle (tijdens de Tien Dagen van Inkeer, in plaats van ‘boven alle’: ver boven alle) zegeningen en lofliederen, lofzangen en vertroostingen die in de wereld worden uitgesproken; en zeg, Amen; en zij antwoorden: Amen
Gemeente: Aanvaard ons gebed met barmhartigheid en welgevallen:
Mogen de gebeden en smekingen van heel het huis van Jisraeel aanvaard worden voor hun Vader in de hemel; en zeg, Amen; en zij antwoorden: Amen
Gemeente: Moge de naam van de Eeuwige gezegend zijn van nu af en voor eeuwig:
Moge er overvloedige vrede zijn vanuit de hemel en leven over ons en over heel Jisraeel; en zeg, Amen; en zij antwoorden: Amen
Gemeente: Mijn hulp komt van de Eeuwige, Maker van hemel en aarde:
Hij die vrede maakt (tijdens de Tien Dagen van Inkeer: de Vrede) in Zijn hoogten, moge Hij vrede maken over ons en over heel Jisraeel; en zeg, Amen; en zij antwoorden: Amen