כִּי שֵׁם ה' אֶקְרָא הָבוּ גדֶל לֵאלהֵינוּ:
Want ik zal de Naam van de Eeuwige aanroepen; kent grootheid toe aan onze God:
אֲדנָי שפָתַי תִּפְתָּח וּפִי יַגִּיד תְּהִלָּתֶךָ:
Eeuwige, open mijn lippen, en mijn mond zal Uw lof verkondigen:
בָּרוּךְ אַתָּה ה' אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ. אֱלהֵי אַבְרָהָם. אֱלהֵי יִצְחָק. וֵאלהֵי יַעֲקב. הָאֵל הַגָּדול הַגִּבּור וְהַנּורָא אֵל עֶלְיון. גּומֵל חֲסָדִים טובִים. וְקונֵה הַכּל. וְזוכֵר חַסְדֵּי אָבות. וּמֵבִיא גואֵל לִבְנֵי בְנֵיהֶם לְמַעַן שְׁמו בְּאַהֲבָה:
Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze God en God van onze vaderen, God van Abraham, God van Isaak en God van Jakob; de grote, machtige en ontzagwekkende God, de Allerhoogste God, die goede weldaden bewijst, en alles bezit, en de weldaden van de vaderen gedenkt, en met liefde een verlosser brengt aan de kinderen van hun kinderen omwille van Zijn naam:
בעשי”ת:
Tijdens de Tien Dagen van Inkeer:
זָכְרֵנוּ לְחַיִּים. מֶלֶךְ חָפֵץ בַּחַיִּים. וְכָתְבֵנוּ בְּסֵפֶר הַחַיִּים. לְמַעַנְךָ אֱלהִים חַיִּים:
Gedenk ons tot leven, Koning die behagen schept in het leven, en schrijf ons in het Boek van het Leven, omwille van Uzelf, levende God:
מֶלֶךְ עוזֵר וּמושִׁיעַ וּמָגֵן: בָּרוּךְ אַתָּה ה', מָגֵן אַבְרָהָם:
Koning, Helper, Redder en Schild; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham:
אַתָּה גִּבּור לְעולָם אֲדנָי. מְחַיֵּה מֵתִים אַתָּה רַב לְהושִׁיעַ:
U bent machtig voor eeuwig, Eeuwige; U doet de doden herleven, U bent overvloedig in redding:
בקיץ:
In de zomer:
מורִיד הַטָּל:
Die de dauw doet vallen:
בחורף:
In de winter:
מַשִּׁיב הָרוּחַ וּמורִיד הַגָּשֶּׁם:
Die de wind doet waaien en de regen doet vallen:
מְכַלְכֵּל חַיִּים בְּחֶסֶד. מְחַיֶּה מֵתִים בְּרַחֲמִים רַבִּים. סומֵךְ נופְלִים. וְרופֵא חולִים וּמַתִּיר אֲסוּרִים. וּמְקַיֵּם אֱמוּנָתו לִישֵׁנֵי עָפָר. מִי כָמוךָ בַּעַל גְּבוּרות וּמִי דומֶה לָּךְ. מֶלֶךְ מֵמִית וּמְחַיֶּה וּמַצְמִיחַ יְשׁוּעָה:
Hij onderhoudt de levenden met goedheid, doet de doden herleven met overvloedige barmhartigheid, ondersteunt de gevallenen, geneest de zieken, bevrijdt de gevangenen, en houdt Zijn trouw aan hen die in het stof slapen; wie is als U, Meester van machtige daden, en wie lijkt op U, een Koning die dood en leven brengt en redding doet ontluiken:
בעשי”ת:
Tijdens de Tien Dagen van Inkeer:
מִי כָמוךָ אַב הָרַחֲמִים. זוכֵר יְצוּרָיו לְחַיִּים בְּרַחֲמִים:
Wie is als U, Vader van barmhartigheid, die Zijn schepselen in barmhartigheid tot leven gedenkt:
וְנֶאֱמָן אַתָּה לְהַחֲיות מֵתִים: בָּרוּךְ אַתָּה ה', מְחַיֵּה הַמֵּתִים:
En U bent getrouw om de doden te doen herleven; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die de doden doet herleven:
קדושה
Kedoesja
בחזרת הש”ץ:
Tijdens de herhaling door de voorganger:
נְקַדֵּשׁ אֶת שִׁמְךָ בָּעולָם. כְּשֵׁם שֶׁמַּקְדִּישִׁים אותו בִּשְׁמֵי מָרום. כַּכָּתוּב עַל יַד נְבִיאֶךָ: וְקָרָא זֶה אֶל זֶה וְאָמַר:
Wij zullen Uw Naam heiligen in de wereld, zoals zij hem heiligen in de hemelen daarboven, zoals geschreven is door de hand van Uw profeet: En de een riep tot de ander en zei:
קו”ח:
Gemeente en voorzanger:
קָדושׁ. קָדושׁ. קָדושׁ ה' צְבָאות. מְלא כָל הָאָרֶץ כְּבודו:
Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige der heerscharen; de gehele aarde is vol van Zijn glorie:
חזן:
Voorzanger:
לְעֻמָתָם בָּרוּךְ יאמֵרוּ:
Tegenover hen zeggen zij 'Gezegend':
קו”ח:
Gemeente en voorzanger:
בָּרוּךְ כְּבוד ה' מִמְּקומו:
Gezegend is de glorie van de Eeuwige vanuit Zijn plaats:
חזן:
Voorzanger:
וּבְדִבְרֵי קָדְשְׁךָ כָּתוּב לֵאמר: קו"ח - יִמְלךְ ה' לְעולָם. אֱלהַיִךְ צִיּון לְדר וָדר. הַלְלוּיָהּ:
En in Uw heilige woorden staat geschreven, zeggende; Gemeente en Voorzanger: De Eeuwige zal heersen in eeuwigheid, uw God, o Sion, van geslacht tot geslacht, Halleloeja:
חזן:
Voorzanger:
לְדור וָדור נַגִּיד גָּדְלֶךָ וּלְנֵצַח נְצָחִים קְדֻשָּׁתְךָ נַקְדִּישׁ. וְשִׁבְחֲךָ אֱלהֵינוּ מִפִּינוּ לא יָמוּשׁ לְעולָם וָעֶד. כִּי אֵל מֶלֶךְ גָּדול וְקָדושׁ אָתָּה: בָּרוּךְ אַתָּה ה' הָאֵל (בעשי"ת הַמֶּלֶךְ) הַקָּדושׁ:
Van geslacht tot geslacht zullen wij Uw grootheid verkondigen, en in alle eeuwigheid zullen wij Uw heiligheid heiligen; en Uw lof, onze God, zal niet wijken uit onze mond in alle eeuwigheid, want Gij zijt een grote en heilige God en Koning; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, de Heilige God (gedurende de Tien Dagen van Inkeer: de Heilige Koning):
אַתָּה קָדושׁ וְשִׁמְךָ קָדושׁ וּקְדושִׁים בְּכָל יום יְהַלְּלוּךָ סֶּלָה: בָּרוּךְ אַתָּה ה', הָאֵל (בעשי"ת הַמֶּלֶךְ) הַקָּדושׁ:
Gij zijt heilig, en Uw Naam is heilig, en de heiligen prijzen U elke dag, sela; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, de Heilige God (gedurende de Tien Dagen van Inkeer: de Heilige Koning):
אַתָּה חונֵן לְאָדָם דַּעַת. וּמְלַמֵּד לֶאֱנושׁ בִּינָה: חָנֵּנוּ מֵאִתְּךָ דֵעָה בִּינָה וְהַשכֵּל בָּרוּךְ אַתָּה ה חונֵן הַדָּעַת:
Gij schenkt de mens kennis en leert de sterveling inzicht; schenk ons van Uwentwege kennis, inzicht en verstand; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die kennis schenkt:
הֲשִׁיבֵנוּ אָבִינוּ לְתורָתֶךָ. וְקָרְבֵנוּ מַלְכֵּנוּ לַעֲבודָתֶךָ וְהַחֲזִירֵנוּ בִּתְשׁוּבָה שְׁלֵמָה לְפָנֶיךָ. בָּרוּךְ אַתָּה ה', הָרוצֶה בִּתְשׁוּבָה:
Doe ons terugkeren, onze Vader, tot Uw Tora; en breng ons nabij, onze Koning, tot Uw dienst; en doe ons terugkeren met volkomen inkeer voor Uw aangezicht; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die behagen schept in inkeer:
סְלַח לָנוּ אָבִינוּ כִּי חָטָאנוּ. מְחַל לָנוּ מַלְכֵּנוּ כִּי פָשָׁעְנוּ. כִּי מוחֵל וְסולֵחַ אָתָּה. בָּרוּךְ אַתָּה ה', חַנּוּן הַמַּרְבֶּה לִסְלחַ:
Vergeef ons, onze Vader, want wij hebben gezondigd; scheld ons kwijt, onze Koning, want wij hebben overtreden; want U scheldt kwijt en vergeeft; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Genadige die rijk is aan vergeving:
רְאֵה בְעָנְיֵנוּ. וְרִיבָה רִיבֵנוּ. וּגְאָלֵנוּ מְהֵרָה לְמַעַן שְׁמֶךָ. כִּי גּואֵל חָזָק אָתָּה. בָּרוּךְ אַתָּה ה', גּואֵל יִשרָאֵל:
Zie onze ellende aan, en bepleit onze zaak, en verlos ons spoedig omwille van Uw naam, want U bent een machtige Verlosser; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Verlosser van Jisraeel:
רְפָאֵנוּ ה' וְנֵרָפֵא. הושִׁיעֵנוּ וְנִוָּשֵׁעָה כִּי תְהִלָּתֵנוּ אָתָּה. וְהַעֲלֵה רְפוּאָה שְׁלֵמָה לְכָל מַכּותֵינוּ.
Genees ons, Eeuwige, en wij zullen genezen worden; red ons, en wij zullen gered worden, want U bent onze lof; en breng volledige genezing voor al onze wonden:
תפילה בעד החולה:
Gebed voor de zieke:
יְהִי רָצון מִלְּפָנֶיךָ ה' אֱלהַי וֵאלהֵי אֲבותַי. שֶׁתִּשְׁלַח מְהֵרָה רְפוּאָה שְׁלֵמָה מִן הַשָּׁמַיִם. רְפוּאַת הַנֶּפֶשׁ וּרְפוּאַת הַגּוּף לְחולֶה פב"פ בְּתוךְ שְׁאָר חולֵי יִשרָאֵל:
Moge het Uw wil zijn, Eeuwige, mijn God en God van mijn vaderen, dat U spoedig een volledige genezing uit de hemel zendt, genezing van de ziel en genezing van het lichaam, aan de zieke [voeg naam in] te midden van de andere zieken van Jisraeel:
כִּי אֵל מֶלֶךְ רופֵא נֶאֱמָן וְרַחֲמָן אָתָּה. בָּרוּךְ אַתָּה ה', רופֵא חולֵי עַמּו יִשרָאֵל:
Want U bent een getrouwe en barmhartige genezende Koning en God; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Genezer van de zieken van Zijn volk Jisraeel:
בָּרֵךְ עָלֵינוּ ה' אֱלהֵינוּ אֶת הַשָּׁנָה הַזּאת וְאֶת כָּל מִינֵי תְבוּאָתָהּ לְטובָה. וְתֵן
Zegen voor ons, Eeuwige, onze God, dit jaar en al zijn soorten opbrengst ten goede; en geef
בקיץ:
In de zomer:
בְּרָכָה
Zegen:
בחורף:
In de winter:
טַל וּמָטָר לִבְרָכָה
Dauw en regen tot zegen:
עַל פְּנֵי הָאֲדָמָה וְשבְּעֵנוּ מִטּוּבָהּ. וּבָרֵךְ שְׁנָתֵנוּ כַּשָּׁנִים הַטּובות. בָּרוּךְ אַתָּה ה', מְבָרֵךְ הַשָּׁנִים:
Over het aanschijn van de aarde, en verzadig ons met haar goedheid; en zegen ons jaar als de goede jaren; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die de jaren zegent:
תְּקַע בְּשׁופָר גָּדול לְחֵרוּתֵנוּ. וְשא נֵס לְקַבֵּץ גָּלֻיּותֵינוּ. וְקַבְּצֵנוּ יַחַד מֵאַרְבַּע כַּנְפות הָאָרֶץ. בָּרוּךְ אַתָּה ה', מְקַבֵּץ נִדְחֵי עַמּו יִשרָאֵל:
Blaas de grote sjofar voor onze vrijheid; en hef een banier om onze ballingen te verzamelen; en verzamel ons tezamen uit de vier hoeken van de aarde; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die de verstrooiden van Zijn volk Jisraeel verzamelt:
הָשִׁיבָה שׁופְטֵינוּ כְּבָרִאשׁונָה וְיועֲצֵינוּ כְּבַתְּחִלָּה. וְהָסֵר מִמֶּנּוּ יָגון וַאֲנָחָה. וּמְלךְ עָלֵינוּ אַתָּה ה' לְבַדְּךָ בְּחֶסֶד וּבְרַחֲמִים. וְצַדְּקֵנוּ בַּמִשְׁפָּט. בָּרוּךְ אַתָּה ה', מֶלֶךְ אוהֵב צְדָקָה וּמִשְׁפָּט: (בעשי"ת - הַמֶּלֶךְ הַמִשְׁפָּט):
Herstel onze rechters als vroeger, en onze raadgevers als in het begin; en neem van ons droefenis en zuchten weg; en heers over ons, Gij, Eeuwige, alleen, met goedheid en barmhartigheid; en rechtvaardig ons in het oordeel; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Koning die gerechtigheid en recht liefheeft (tijdens de Tien Dagen van Inkeer: de Koning van het oordeel):
וְלַמַּלְשִׁינִים אַל תְּהִי תִקְוָה. וְכָל הָרִשְׁעָה כְּרֶגַע תּאבֵד. וְכָל אויְבֵי עַמְּךָ מְהֵרָה יִכָּרֵתוּ. וְהַזֵדִים מְהֵרָה תְעַקֵּר וּתְשַׁבֵּר וּתְמַגֵּר וְתַכְנִיעַ בִּמְהֵרָה בְיָמֵינוּ. בָּרוּךְ אַתָּה ה', שׁובֵר אויְבִים וּמַכְנִיעַ זֵדִים:
En voor de lasteraars zij er geen hoop; en moge alle goddeloosheid in een ogenblik vergaan; en mogen alle vijanden van Uw volk spoedig afgesneden worden; en de hovaardigen, ruk spoedig uit, verbrijzel, werp neer en onderwerp spoedig in onze dagen; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die vijanden verbreekt en de hovaardigen onderwerpt:
עַל הַצַּדִּיקִים וְעַל הַחֲסִידִים. וְעַל זִקְנֵי עַמְּךָ בֵּית יִשרָאֵל. וְעַל פְּלֵיטַת סופְרֵיהֶם. וְעַל גֵּרֵי הַצֶּדֶק. וְעָלֵינוּ. יֶהֱמוּ רַחֲמֶיךָ ה' אֱלהֵינוּ. וְתֵן שכָר טוב לְכָל הַבּוטְחִים בְּשִׁמְךָ בֶּאֱמֶת. וְשים חֶלְקֵנוּ עִמָּהֶם לְעולָם וְלא נֵבושׁ כִּי בְךָ בָטָחְנוּ. בָּרוּךְ אַתָּה ה', מִשְׁעָן וּמִבְטָח לַצַּדִּיקִים:
Over de rechtvaardigen en de vromen, en over de oudsten van Uw volk, het huis van Jisraeel, en over het overblijfsel van hun schriftgeleerden, en over de rechtvaardige bekeerlingen, en over ons, moge Uw barmhartigheid opgewekt worden, Eeuwige, onze God; en geef een goede beloning aan allen die in waarheid op Uw naam vertrouwen; en plaats ons deel met hen voor eeuwig, en wij zullen niet beschaamd worden, want wij vertrouwen op U; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Steun en Vertrouwen van de rechtvaardigen:
וְלִירוּשָׁלַיִם עִירְךָ בְּרַחֲמִים תָּשׁוּב. וְתִשְׁכּן בְּתוכָהּ כַּאֲשֶׁר דִּבַּרְתָּ. וּבְנֵה אותָהּ בְּקָרוב בְּיָמֵינוּ בִּנְיַן עולָם. וְכִסֵּא דָוִד מְהֵרָה לְתוכָהּ תָּכִין:
En tot Jeruzalem, Uw stad, keer terug in barmhartigheid; en woon daarin zoals U gesproken hebt; en herbouw haar spoedig in onze dagen tot een eeuwig bouwwerk; en vestig spoedig de troon van David daarin:
בתשעה באב במנחה אומרין כאן נחם:
Op Tisja BeAv bij Mincha zegt men hier 'Troost':
נַחֵם ה' אֱלהֵינוּ אֶת אֲבֵלֵי צִיּון וְאֵת אֲבֵלֵי יְרוּשָׁלַיִם וְאֶת הָעִיר הָאֲבֵלָה וְהַחֲרֵבָה וְהַבְּזוּיָה וְהַשּׁומֵמָה. הָאֲבֵלָה מִבְּלִי בָנֶיהָ וְהַחֲרֵבָה מִמְּעונותֶיהָ. וְהַבְּזוּיָה מִכְּבודָהּ. וְהַשּׁומֵמָה מֵאֵין יושֵׁב. וְהִיא יושֶׁבֶת וְראשָׁהּ חָפוּי כְּאִשָּׁה עֲקָרָה שֶׁלּא יָלָדָה. וַיְבַלְּעוּהָ לִגְיונות. וַיִּירָשׁוּהָ עובְדֵי פְסִילִים. וַיָּטִילוּ אֶת עַמְּךָ יִשרָאֵל לֶחָרֶב. וַיַּהַרְגוּ בְּזָדון חֲסִידֵי עֶלְיון. עַל כֵּן צִיּון בְּמַר תִּבְכֶּה. וִירוּשָׁלַיִם תִּתֵּן קולָהּ. לִבִּי לִבִּי עַל חַלְלֵיהֶם. מֵעַי מֵעַי עַל חַלְלֵיהֶם. כִּי אַתָּה ה' בָּאֵשׁ הִצַּתָּהּ. וּבָאֵשׁ אַתָּה עָתִיד לִבְנותָהּ. כָּאָמוּר וַאֲנִי אֶהְיֶה לָּהּ נְאֻם ה' חומַת אֵשׁ סָבִיב וּלְכָבוד אֶהְיֶה בְּתוכָהּ:
בָּרוּךְ אַתָּה ה' מְנַחֵם צִיּון וּבונֵה יְרוּשָׁלָיִם:
Troost, Eeuwige onze God, de treurenden van Sion en de treurenden van Jeruzalem, en de stad die betreurd, verwoest, veracht en verlaten is; betreurd zonder haar kinderen, verwoest zonder haar woningen, veracht zonder haar luister, en verlaten zonder bewoners; en zij zit met bedekt hoofd als een onvruchtbare vrouw die niet gebaard heeft; legioenen verzwolgen haar, en afgodendienaars namen bezit van haar; en zij wierpen Uw volk Israël aan het zwaard; en met boosaardigheid doodden zij de vromen van de Allerhoogste; daarom weent Sion bitter, en Jeruzalem verheft haar stem; mijn hart, mijn hart om hun gevallenen; mijn ingewanden, mijn ingewanden om hun gevallenen; want Gij, Eeuwige, hebt haar met vuur in brand gezet, en met vuur zult Gij haar in de toekomst herbouwen, zoals gezegd is: En Ik zal voor haar zijn, zegt de Eeuwige, een muur van vuur rondom, en tot heerlijkheid zal Ik in haar midden zijn:
Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Trooster van Sion en Bouwer van Jeruzalem:
בָּרוּךְ אַתָּה ה', בּונֵה יְרוּשָׁלָיִם:
Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Bouwer van Jeruzalem:
אֶת צֶמַח דָּוִד עַבְדְּךָ מְהֵרָה תַצְמִיחַ. וְקַרְנו תָּרוּם בִּישׁוּעָתֶךָ. כִּי לִישׁוּעָתְךָ קִוִּינוּ כָּל הַיּום. בָּרוּךְ אַתָּה ה', מַצְמִיחַ קֶרֶן יְשׁוּעָה:
De spruit van David, Uw dienaar, doe spoedig ontluiken; en verhef zijn hoorn met Uw redding; want wij hopen op Uw redding heel de dag; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die de hoorn van redding doet ontluiken:
שְׁמַע קולֵנוּ. ה' אֱלהֵינוּ חוּס וְרַחֵם עָלֵינוּ. וְקַבֵּל בְּרַחֲמִים וּבְרָצון אֶת תְּפִלָּתֵנוּ. כִּי אֵל שׁומֵעַ תְּפִלּות וְתַחֲנוּנִים אָתָּה. וּמִלְּפָנֶיךָ מַלְכֵּנוּ. רֵיקָם אַל תְּשִׁיבֵנוּ:
Hoor onze stem, Eeuwige, onze God; spaar ons en heb erbarmen met ons; en aanvaard ons gebed met barmhartigheid en welgevallen; want U bent een God die gebeden en smekingen hoort; en van voor Uw aangezicht, onze Koning, zend ons niet met lege handen weg:
בתענית צבור במנחה אומר היחיד עננו:
Op een openbare vastendag bij Mincha zegt de enkeling 'Antwoord ons':
עֲנֵנוּ ה' עֲנֵנוּ בְּיום צום תַּעֲנִיתֵנוּ כִּי בְצָרָה גְדולָה אֲנָחְנוּ. אַל תֵּפֶן אֶל רִשְׁעֵנוּ. וְאַל תַּסְתֵּר פָּנֶיךָ מִמֶּנּוּ. וְאַל תִּתְעַלַּם מִתְּחִנָּתֵנוּ. הֱיֵה נָא קָרוב לְשַׁוְעָתֵנוּ. יְהִי נָא חַסְדְּךָ לְנַחֲמֵנוּ. טֶרֶם נִקְרָא אֵלֶיךָ עֲנֵנוּ. כַּדָּבָר שֶׁנֶּאֱמַר. וְהָיָה טֶרֶם יִקְרָאוּ וַאֲנִי אֶעֱנֶה. עוד הֵם מְדַבְּרִים וַאֲנִי אֶשְׁמָע:
כִּי אַתָּה ה' הָעונֶה בְּעֵת צָרָה. פּודֶה וּמַצִּיל בְּכָל עֵת צָרָה וְצוּקָה:
Antwoord ons, Eeuwige, antwoord ons op deze dag van ons vasten van verootmoediging, want wij verkeren in grote nood; wend U niet tot onze boosheid, en verberg Uw aangezicht niet voor ons, en sla onze smeking niet in de wind; wees nabij, alstublieft, aan ons geroep; moge Uw goedheid ons troosten; voordat wij tot U roepen, antwoord ons; zoals gezegd is: En het zal geschieden, voordat zij roepen, zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zal Ik horen:
Want Gij, Eeuwige, zijt het die antwoordt in tijd van nood, die verlost en redt in elke tijd van benauwdheid en verdrukking:
תפלה לעצירת הגשמים בשומע תפלה
Gebed om de regen te doen ophouden in 'Hoor ons gebed':
וַעֲנֵנוּ בּורֵא עולָם בְּמִדַּת הָרַחֲמִים, בּוחֵר בְּעַמּו יִשרָאל לְהודִיעַ גָּדְלו וְהַדְרַת כְּבודו, שׁומֵעַ תְּפִלָּה תֵּן טַל וּמָטָר עַל פְּנֵי הָאֲדָמָה, וְתַשבִּיעַ אֶת הָעולָם כֻּלּו מִטּוּבֶךָ, וּמַלֵּא יָדֵינוּ מִבִּרְכותֶיךָ וּמֵעשֶׁר מַתְּנַת יָדֶךָ, שְׁמור וְהַצֵל שָׁנָה זו מִכָּל דָּבָר רָע, וּמִכָּל מִינֵי מַשְׁחִית, וּמִכָּל מִינֵי פֻּרְעָנִיּות, וַעֲשה לָהּ תִּקְוָה וְאַחֲרִית שָׁלום, חוּס וְרַחֵם עָלֵינוּ וְעַל כָּל תְּבוּאָתֵנוּ וּפֵרותֵינוּ, וּבָרְכֵנוּ בְּגִשְׁמֵי בְרָכָה וְנִזְכֶּה לְחַיִּים וָשׁובַע וְשָׁלום, כַּשָׁנִים הַטּובות, וְהָסֵר מִמֶּנּוּ דֶּבֶר וְחֶרֶב וְרָעָב, וְחַיָּה רָעָה וּשְׁבִי וּבִזָה, וְיֵצֶר הָרָע וְחָלָיִים רָעִים וְקָשִׁים, וּמְאורָעות רָעיִם וְקָשִׁים, וּגְזור עָלֵינוּ גְּזֵרות טובות מִלְּפָנֶיךָ, וְיִגּלּוּ רַחֲמֶיךָ עַל מִדּותֶיךָ, וְתִתְנַהֵג עִם בָּנֶיךָ בְּמִדַּת הָרַחֲמִים, וְקַבֵּל בְּרַחֲמִים וּבְרָצון אֶת תְּפִלָּתֵנוּ:
En antwoord ons, Schepper van de wereld, met de eigenschap van barmhartigheid; Gij die Uw volk Israël hebt verkozen om Uw grootheid en de pracht van Uw heerlijkheid te verkondigen; o Hoorder van het gebed, geef dauw en regen op het aanschijn van de aarde, en verzadig de gehele wereld met Uw goedheid, en vul onze handen met Uw zegeningen en met de rijkdom van Uw handengave; bewaak en red dit jaar voor alle kwade dingen, en voor alle soorten verderf, en voor alle soorten rampen, en maak er hoop en een vredig einde voor; spaar en ontferm U over ons en over al onze opbrengst en vruchten, en zegen ons met regens van zegen, en mogen wij leven, verzadiging en vrede verwerven als de goede jaren; en neem van ons weg pest, zwaard, hongersnood, wilde dieren, gevangenschap, plundering, de kwade neiging, en zware en harde ziekten, en kwade en moeilijke gebeurtenissen; en bepaal voor ons goede besluiten van Uwentwege, en laat Uw barmhartigheid het winnen van Uw eigenschappen, en handel met Uw kinderen met de eigenschap van barmhartigheid, en aanvaard ons gebed met barmhartigheid en welgevallen:
כִּי אַתָּה שׁומֵעַ תְּפִלַּת עַמְּךָ יִשרָאֵל בְּרַחֲמִים. בָּרוּךְ אַתָּה ה', שׁומֵעַ תְּפִלָּה:
Want U hoort het gebed van Uw volk Jisraeel met barmhartigheid; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die het gebed hoort:
רְצֵה ה' אֱלהֵינוּ בְּעַמְּךָ יִשרָאֵל וּבִתְפִלָּתָם וְהָשֵׁב אֶת הָעֲבודָה לִדְבִיר בֵּיתֶךָ. וְאִשֵּׁי יִשרָאֵל וּתְפִלָּתָם. בְּאַהֲבָה תְקַבֵּל בְּרָצון. וּתְהִי לְרָצון תָּמִיד עֲבודַת יִשרָאֵל עַמֶּךָ:
Wees welgevallig, Eeuwige, onze God, met Uw volk Jisraeel en hun gebed; en herstel de dienst in het heiligdom van Uw huis; en de vuuroffers van Jisraeel en hun gebed, aanvaard met liefde en welgevallen; en moge de dienst van Uw volk Jisraeel U altijd welgevallig zijn:
בראש חודש ובחול המועד אומרים זה:
Op Rosj Chodesj en Chol Hamoëd wordt dit gezegd:
אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ. יַעֲלֶה וְיָבוא וְיַגִּיעַ. וְיֵרָאֶה וְיֵרָצֶה וְיִשָּׁמַע. וְיִפָּקֵד וְיִזָּכֵר זִכְרונֵנוּ וּפִקְדונֵנוּ וְזִכְרון אֲבותֵינוּ. וְזִכְרון מָשִׁיחַ בֶּן דָּוִד עַבְדֶּךָ. וְזִכְרון יְרוּשָׁלַיִם עִיר קָדְשֶׁךָ. וְזִכְרון כָּל עַמְּךָ בֵּית יִשרָאֵל. לְפָנֶיךָ. לִפְלֵיטָה לְטובָה. לְחֵן וּלְחֶסֶד וּלְרַחֲמִים. לְחַיִּים וּלְשָׁלום בְּיום:
Onze God en God van onze vaderen, moge opstijgen, komen, aankomen, gezien worden, aanvaard worden, gehoord worden, opgemerkt worden en gedacht worden, onze gedachtenis en onze bezoeking, en de gedachtenis van onze vaderen, en de gedachtenis van de Masjiach, zoon van David, Uw dienaar, en de gedachtenis van Jeruzalem, Uw heilige stad, en de gedachtenis van heel Uw volk, het huis van Jisraeel, voor Uw aangezicht, tot bevrijding, ten goede, tot genade, tot goedheid en tot barmhartigheid, tot leven en tot vrede, op deze dag van:
בראש חדש:
Op Rosj Chodesj:
ראשׁ הַחדֶשׁ:
Rosj Chodesj:
בפסח:
Op Pesach:
חַג הַמַּצּות:
Het Feest van de Matsot:
בסוכות:
Op Soekot:
חַג הַסֻּכּות:
Het Feest van Soekot:
הַזֶּה. זָכְרֵנוּ ה' אֱלהֵינוּ בּו לְטובָה. וּפָקְדֵנוּ בו לִבְרָכָה. וְהושִׁיעֵנוּ בו לְחַיִּים. וּבִדְבַר יְשׁוּעָה וְרַחֲמִים חוּס וְחָנֵּנוּ וְרַחֵם עָלֵינוּ וְהושִׁיעֵנוּ. כִּי אֵלֶיךָ עֵינֵינוּ. כִּי אֵל מֶלֶךְ חַנּוּן וְרַחוּם אָתָּה:
Deze dag; gedenk ons, Eeuwige onze God, daarop ten goede; en bezoek ons daarop met zegen; en red ons daarop tot leven; en met een woord van redding en barmhartigheid, spaar ons, wees ons genadig, ontferm U over ons, en red ons; want op U zijn onze ogen gericht, want Gij zijt een genadige en barmhartige Koning en God:
וְתֶחֱזֶינָה עֵינֵינוּ בְּשׁוּבְךָ לְצִיּון בְּרַחֲמִים: בָּרוּךְ אַתָּה ה', הַמַּחֲזִיר שְׁכִינָתו לְצִיּון:
En mogen onze ogen Uw terugkeer naar Sion in barmhartigheid aanschouwen; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die Zijn aanwezigheid naar Sion herstelt:
מודִים אֲנַחְנוּ לָךְ. שָׁאַתָּה הוּא ה' אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ לְעולָם וָעֶד. צוּר חַיֵּינוּ. מָגֵן יִשְׁעֵנוּ אַתָּה הוּא לְדור וָדור: נודֶה לְּךָ וּנְסַפֵּר תְּהִלָּתֶךָ עַל חַיֵּינוּ הַמְּסוּרִים בְּיָדֶךָ. וְעַל נִשְׁמותֵינוּ הַפְּקוּדות לָךְ. וְעַל נִסֶּיךָ שֶׁבְּכָל יום עִמָּנוּ. וְעַל נִפְלְאותֶיךָ וְטובותֶיךָ שֶׁבְּכָל עֵת. עֶרֶב וָבקֶר וְצָהֳרָיִם: הַטּוב כִּי לא כָלוּ רַחֲמֶיךָ. וְהַמְרַחֵם כִּי לא תַמּוּ חֲסָדֶיךָ. מֵעולָם קִוִּינוּ לָךְ:
Wij danken U, want U bent de Eeuwige, onze God en God van onze vaderen, voor eeuwig en altijd; Rots van ons leven, Schild van onze redding, U bent Hij van geslacht tot geslacht; wij zullen U danken en Uw lof verkondigen voor ons leven dat in Uw hand is toevertrouwd, en voor onze zielen die bij U zijn neergelegd, en voor Uw wonderen die elke dag met ons zijn, en voor Uw wonderdaden en goedheid die er te allen tijde zijn, avond, morgen en middag; de Goede, want Uw barmhartigheid heeft niet opgehouden, en de Barmhartige, want Uw weldaden zijn niet geëindigd, want wij hebben altijd op U gehoopt:
מודים דרבנן:
Dankzegging van de Rabbijnen:
מודִים אֲנַחְנוּ לָךְ. שָׁאַתָּה הוּא ה' אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ. אֱלהֵי כָל בָּשר. יוצְרֵנוּ יוצֵר בְּרֵאשִׁית. בְּרָכות וְהודָאות לְשִׁמְךָ הַגָּדול וְהַקָּדושׁ. עַל שֶׁהֶחֱיִיתָנוּ וְקִיַּמְתָּנוּ. כֵּן תְּחַיֵּנוּ וּתְקַיְּמֵנוּ. וְתֶאֱסוף גָּלֻיּותֵינוּ לְחַצְרות קָדְשֶׁךָ. לִשְׁמור חֻקֶּיךָ. וְלַעֲשות רְצונֶךָ. וּלְעָבְדְךָ בְּלֵבָב שָׁלֵם. עַל שֶׁאֲנַחְנוּ מודִים לָךְ. בָּרוּךְ אֵל הַהודָאות:
Wij danken U, want Gij zijt de Eeuwige onze God en God van onze vaderen, God van alle vlees, onze Schepper, Schepper van het begin; zegeningen en dankzeggingen aan Uw grote en heilige Naam, omdat Gij ons in leven hebt gehouden en onderhouden; zo moogt Gij ons in leven houden en onderhouden, en onze ballingen verzamelen tot de voorhoven van Uw heiligheid, om Uw inzettingen te bewaren, en om Uw wil te doen, en om U te dienen met een volkomen hart; hiervoor danken wij U; Gezegend is de God van de dankzeggingen:
בחנוכה ופורים אומרים כאן ועל הנסים:
Op Chanoeka en Poerim wordt ‘Voor de wonderen’ hier gezegd:
עַל הַנִּסִּים וְעַל הַפֻּרְקָן וְעַל הַגְּבוּרות וְעַל הַתְּשׁוּעות וְעַל הַמִּלְחָמות שֶׁעָשיתָ לַאֲבותֵינוּ בַּיָּמִים הָהֵם בִּזְּמַן הַזֶּה:
Voor de wonderen, en voor de verlossing, en voor de machtige daden, en voor de reddingen, en voor de oorlogen die U voor onze vaderen verricht hebt in die dagen in deze tijd:
לחנוכה:
Voor Chanoeka:
בִּימֵי מַתִּתְיָהוּ בֶּן יוחָנָן כּהֵן גָּדול חַשְׁמונַאִי וּבָנָיו. כְּשֶׁעָמְדָה מַלְכוּת יָוָן הָרְשָׁעָה עַל עַמְּךָ יִשרָאֵל לְהַשְׁכִּיחָם תּורָתֶךָ וּלְהַעֲבִירָם מֵחֻקֵּי רְצונֶךָ:
וְאַתָּה בְּרַחֲמֶיךָ הָרַבִּים עָמַדְתָּ לָהֶם בְּעֵת צָרָתָם. רַבְתָּ אֶת רִיבָם. דַנְתָּ אֶת דִּינָם. נָקַמְתָּ אֶת נִקְמָתָם. מָסַרְתָּ גִבּורִים בְּיַד חַלָּשִׁים. וְרַבִּים בְּיַד מְעַטִּים. וּטְמֵאִים בְּיַד טְהורִים. וּרְשָׁעִים בְּיַד צַדִּיקִים. וְזֵדִים בְּיַד עוסְקֵי תורָתֶךָ. וּלְךָ עָשיתָ שֵׁם גָּדול וְקָדושׁ בְּעולָמֶךָ. וּלְעַמְּךָ יִשרָאֵל עָשיתָ תְּשׁוּעָה גְדולָה וּפֻרְקָן כְּהַיּום הַזֶּה:
וְאַחַר כֵּן בָּאוּ בָנֶיךָ לִדְבִיר בֵּיתֶךָ. וּפִנּוּ אֶת הֵיכָלֶךָ. וְטִהֲרוּ אֶת מִקְדָּשֶׁךָ. וְהִדְלִיקוּ נֵרות בְּחַצְרות קָדְשֶׁךָ. וְקָבְעוּ שְׁמונַת יְמֵי חֲנֻכָּה אֵלּוּ. לְהודות וּלְהַלֵּל לְשִׁמְךָ הַגָּדול:
In de dagen van Mattitjahoe, zoon van Jochanan, de Hogepriester, de Hasmoneeër, en zijn zonen, toen het goddeloze Griekse koninkrijk opstond tegen Uw volk Jisraeel om hen Uw Tora te doen vergeten en hen af te wenden van de inzettingen van Uw wil:
En U, in Uw overvloedige barmhartigheid, stond hun bij in hun tijd van nood; U streed hun strijd, oordeelde hun oordeel, wreekte hun wraak; U gaf de sterken over in de hand van de zwakken, en de velen in de hand van de weinigen, en de onreinen in de hand van de reinen, en de goddelozen in de hand van de rechtvaardigen, en de hovaardigen in de hand van hen die Uw Tora bestuderen; en voor Uzelf maakte U een grote en heilige naam in Uw wereld, en voor Uw volk Jisraeel verrichtte U een grote redding en verlossing als op deze dag:
En daarna kwamen Uw kinderen tot het heiligdom van Uw huis, en ruimden Uw Tempel, en reinigden Uw heiligdom, en ontstaken lichten in Uw heilige voorhoven, en stelden deze acht dagen van Chanoeka in om Uw grote naam te danken en te prijzen:
לפורים:
Voor Poerim:
בִּימֵי מָרְדְּכַי וְאֶסְתֵּר בְּשׁוּשַׁן הַבִּירָה. כְּשֶׁעָמַד עֲלֵיהֶם הָמָן הָרָשָׁע. בִּקֵּשׁ לְהַשְׁמִיד לַהֲרוג וּלְאַבֵּד אֶת כָּל הַיְּהוּדִים מִנַּעַר וְעַד זָקֵן טַף וְנָשִׁים בְּיום אֶחָד. בִּשְׁלשָׁה עָשר לְחדֶשׁ שְׁנֵים עָשר. הוּא חדֶשׁ אֲדָר. וּשְׁלָלָם לָבוז:
וְאַתָּה בְּרַחֲמֶיךָ הָרַבִּים. הֵפַרְתָּ אֶת עֲצָתו. וְקִלְקַלְתָּ אֶת מַחֲשַׁבְתּו. וַהֲשֵׁבותָ לּו גְּמוּלו בְּראשׁו. וְתָלוּ אותו וְאֶת בָּנָיו עַל הָעֵץ. (וְעָשיתָ עִמָּהֶם נֵס וָפֶלֶא וְנודֶה לְשִׁמְךָ הַגָּדול סֶלָה):
In de dagen van Mordechai en Esther in Sjoesjan, de hoofdstad, toen de goddeloze Haman tegen hen opstond, en trachtte te verdelgen, te doden en te vernietigen alle Joden, van jong tot oud, kinderen en vrouwen, op één dag, op de dertiende van de twaalfde maand, dat is de maand Adar, en hun buit te plunderen:
En U, in Uw overvloedige barmhartigheid, verijdelde zijn raad en doorkruiste zijn plan, en deed zijn vergelding op zijn eigen hoofd neerkomen, en zij hingen hem en zijn zonen aan de galg; (en U verrichtte een wonder en een teken met hen, en wij danken Uw grote naam, sela):
וְעַל כֻּלָּם יִתְבָּרַךְ וְיִתְרומַם שִׁמְךָ מַלְכֵּנוּ תָּמִיד לְעולָם וָעֶד:
En om dit alles zij Uw naam gezegend en verhoogd, onze Koning, voortdurend voor eeuwig en altijd:
בעשי”ת:
Tijdens de Tien Dagen van Inkeer:
וּכְתב לְחַיִּים טובִים כָּל בְּנֵי בְרִיתֶךָ:
En schrijf alle kinderen van Uw verbond in voor een goed leven:
וְכל הַחַיִּים יודוּךָ סֶּלָה. וִיהַלְלוּ אֶת שִׁמְךָ בֶּאֱמֶת. הָאֵל יְשׁוּעָתֵנוּ וְעֶזְרָתֵנוּ סֶלָה. בָּרוּךְ אַתָּה ה', הַטּוב שִׁמְךָ וּלְךָ נָאֶה לְהודות:
En alle levenden zullen U danken, sela, en Uw naam in waarheid prijzen, de God van onze redding en onze hulp, sela; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, wiens naam Goed is, en aan wie het past te danken:
ברכת כהנים בחזרת התפלה
Priesterzegen tijdens de herhaling van het gebed:
אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ. בָּרְכֵנוּ בַּבְּרָכָה הַמְשֻׁלֶּשֶׁת בַּתּורָה הַכְּתוּבָה עַל יְדֵי משֶׁה עַבְדֶּךָ. הָאֲמוּרָה מִפִּי אַהֲרן וּבָנָיו כּהֲנִים עַם קְדושֶׁךָ. כָּאָמוּר:
Onze God en God van onze vaderen, zegen ons met de drievoudige zegen in de Tora, geschreven door de hand van Mozes Uw dienaar, uitgesproken uit de mond van Aäron en zijn zonen, de priesters, Uw heilige volk, zoals gezegd is:
יְבָרֶכְךָ ה' וְיִשְׁמְרֶךָ:
יָאֵר ה' פָּנָיו אֵלֶיךָ וִיחֻנֶּךָּ:
יִשּא ה' פָּנָיו אֵלֶיךָ וְיָשם לְךָ שָׁלום:
Moge de Eeuwige u zegenen en u behoeden:
Moge de Eeuwige Zijn aangezicht over u doen lichten en u genadig zijn:
Moge de Eeuwige Zijn aangezicht naar u opheffen en u vrede geven:
שים שָׁלום טובָה וּבְרָכָה. חֵן וָחֶסֶד וְרַחֲמִים עָלֵינוּ וְעַל כָּל יִשרָאֵל עַמֶּךָ. בָּרְכֵנוּ אָבִינוּ כֻּלָּנוּ כְּאֶחָד בְּאור פָּנֶיךָ. כִּי בְאור פָּנֶיךָ נָתַתָּ לָּנוּ ה' אֱלהֵינוּ תּורַת חַיִּים וְאַהֲבַת חֶסֶד. וּצְדָקָה וּבְרָכָה וְרַחֲמִים וְחַיִּים וְשָׁלום. וְטוב בְּעֵינֶיךָ לְבָרֵךְ אֶת כָּל עַמְּךָ יִשרָאֵל בְּכָל עֵת וּבְכָל שָׁעָה בִּשְׁלומֶךָ:
Schenk vrede, goedheid en zegen, genade, goedheid en barmhartigheid over ons en over geheel Israël Uw volk; zegen ons, onze Vader, ons allen als één, met het licht van Uw aangezicht, want met het licht van Uw aangezicht hebt Gij ons gegeven, Eeuwige onze God, de Tora van leven en liefde van goedheid, en gerechtigheid, en zegen, en barmhartigheid, en leven, en vrede; en moge het goed zijn in Uw ogen om geheel Uw volk Israël te zegenen op elk tijdstip en in elk uur met Uw vrede:
בעשי”ת:
Tijdens de Tien Dagen van Inkeer:
בְּסֵפֶר חַיִּים. בְּרָכָה וְשָׁלום. וּפַרְנָסָה טובָה. נִזָּכֵר וְנִכָּתֵב לְפָנֶיךָ. אֲנַחְנוּ וְכָל עַמְּךָ בֵּית יִשרָאֵל. לְחַיִּים טובִים וּלְשָׁלום:
In het Boek van het Leven, zegen en vrede, en goed levensonderhoud, mogen wij gedacht en ingeschreven worden voor Uw aangezicht, wij en heel Uw volk, het huis van Jisraeel, voor een goed leven en voor vrede:
בָּרוּךְ אַתָּה ה', הַמְבָרֵךְ אֶת עַמּו יִשרָאֵל בַּשָּׁלום:
Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die Zijn volk Jisraeel met vrede zegent:
יִהְיוּ לְרָצון אִמְרֵי פִי וְהֶגְיון לִבִּי לְפָנֶיךָ. ה' צוּרִי וְגואֲלִי:
Mogen de woorden van mijn mond en de overpeinzing van mijn hart welgevallig zijn voor Uw aangezicht, Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser:
אֱלהַי. נְצר לְשׁונִי מֵרָע וּשפָתַי מִדַּבֵּר מִרְמָה. וְלִמְקַלְלַי נַפְשִׁי תִדּם. וְנַפְשִׁי כֶּעָפָר לַכּל תִּהְיֶה. פְּתַח לִבִּי בְּתורָתֶךָ. וּבְמִצְותֶיךָ תִּרְדּף נַפְשִׁי. וְכָל הַחושְׁבִים עָלַי רָעָה. מְהֵרָה הָפֵר עֲצָתָם וְקַלְקֵל מַחֲשַׁבְתָּם: עֲשה לְמַעַן שְׁמֶךָ. עֲשה לְמַעַן יְמִינֶךָ. עֲשה לְמַעַן קְדֻשָּׁתֶךָ. עֲשה לְמַעַן תּורָתֶךָ. לְמַעַן יֵחָלְצוּן יְדִידֶיךָ הושִׁיעָה יְמִינְךָ וַעֲנֵנִי:
Mijn God, behoed mijn tong voor het kwaad en mijn lippen voor het spreken van bedrog; en tegenover hen die mij vervloeken, laat mijn ziel zwijgen, en laat mijn ziel als stof zijn voor allen; open mijn hart voor Uw Tora, en moge mijn ziel Uw geboden najagen; en allen die kwaad tegen mij beramen, verijdel snel hun raad en doorkruis hun plannen; doe het omwille van Uw naam; doe het omwille van Uw rechterhand; doe het omwille van Uw heiligheid; doe het omwille van Uw Tora; opdat Uw beminden bevrijd worden, red met Uw rechterhand en antwoord mij:
יִהְיוּ לְרָצון אִמְרֵי פִי וְהֶגְיון לִבִּי לְפָנֶיךָ. ה' צוּרִי וְגואֲלִי:
Mogen de woorden van mijn mond en de overpeinzing van mijn hart welgevallig zijn voor Uw aangezicht, Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser:
עשה שָׁלום בִּמְרומָיו. הוּא יַעֲשה שָׁלום עָלֵינוּ וְעַל כָּל יִשרָאֵל. וְאִמְרוּ אָמֵן:
Hij die vrede maakt in Zijn hoogten, moge Hij vrede maken over ons en over heel Jisraeel, en zeg, Amen:
יְהִי רָצון מִלְּפָנֶיךָ ה' אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ. שֶׁיִּבָּנֶה בֵּית הַמִּקְדָּשׁ בִּמְהֵרָה בְיָמֵינוּ. וְתֵן חֶלְקֵנוּ בְּתורָתֶךָ: וְשָׁם נַעֲבָדְךָ בְּיִרְאָה כִּימֵי עולָם וּכְשָׁנִים קַדְמונִיות: וְעָרְבָה לה' מִנְחַת יְהוּדָה וִירוּשָׁלָיִם. כִּימֵי עולָם וּכְשָׁנִים קַדְמונִיות:
Moge het Uw wil zijn voor Uw aangezicht, Eeuwige, onze God en God van onze vaderen, dat de heilige Tempel spoedig in onze dagen herbouwd wordt, en geef ons ons deel in Uw Tora; en daar zullen wij U met ontzag dienen zoals in vroeger dagen en zoals in voorbije jaren; en moge het offer van Juda en Jeruzalem welgevallig zijn aan de Eeuwige, zoals in vroeger dagen en zoals in voorbije jaren: