אֱלהַי. נְשָׁמָה שֶׁנָּתַתָּ בִּי טְהורָה הִיא. אַתָּה בְרָאתָהּ. אַתָּה יְצַרְתָּהּ. אַתָּה נְפַחְתָּהּ בִּי. וְאַתָּה מְשַׁמְּרָהּ בְּקִרְבִּי. וְאַתָּה עָתִיד לִטְּלָהּ מִמֶּנִּי. וּלְהַחֲזִירָהּ בִּי לֶעָתִיד לָבוא. כָּל זְמַן שֶׁהַנְּשָׁמָה בְּקִרְבִּי מודֶה אֲנִי לְפָנֶיךָ ה' אֱלהַי וֵאלהֵי אֲבותַי. רִבּון כָּל הַמַּעֲשים אֲדון כָּל הַנְּשָׁמות: בָּרוּךְ אַתָּה ה' הַמַּחֲזִיר נְשָׁמות לִפְגָרִים מֵתִים:
Mijn God, de ziel die Gij in mij hebt geplaatst is rein. Gij hebt haar geschapen, Gij hebt haar gevormd, Gij hebt haar in mij geblazen, en Gij bewaart haar in mij. En in de toekomst zult Gij haar van mij nemen en haar mij teruggeven in de tijd die komt. Zolang de ziel in mij is, dank ik U, Eeuwige, mijn God en God van mijn voorouders, Heer van alle werken, Heer van alle zielen. Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die de zielen aan de levenloze lichamen teruggeeft.