מַה טּבוּ אהָלֶיךָ יַעֲקב מִשְׁכְּנתֶיךָ יִשְׂרָאֵל. וַאֲנִי בְּרב חַסְדְּךָ אָבא בֵיתֶךָ אֶשְׁתַּחֲוֶה אֶל הֵיכַל קָדְשְׁךָ בְּיִרְאָתֶךָ. ה' אָהַבְתִּי מְעון בֵּיתֶךָ וּמְקום מִשְׁכַּן כְּבודֶךָ. וַאֲנִי אֶשְׁתַּחֲוֶה וְאֶכְרָעָה אֶבְרְכָה לִפְנֵי ה' עשִׂי. וַאֲנִי תְפִלָתִי לְךָ ה' עֵת רָצון אֱלהִים בְּרָב חַסְדֶּךָ עֲנֵנִי בֶּאֱמֶת יִשְׁעֶךָ.
Hoe goed zijn uw tenten, o Jakob, uw woningen, o Jisraeel; wat mij betreft, door Uw overvloedige goedertierenheid zal ik Uw huis binnengaan, ik zal mij in ontzag voor U neerbuigen naar Uw heilig heiligdom; Eeuwige, ik heb de woonplaats van Uw huis lief en de plaats waar Uw heerlijkheid woont; en ik zal mij neerbuigen en knielen, ik zal zegenen voor de Eeuwige, mijn Maker; en wat mij betreft, moge mijn gebed tot U, Eeuwige, op een tijd van welbehagen zijn; o God, in Uw overvloedige goedertierenheid, verhoor mij met de waarheid van Uw verlossing.