אֲדון עולָם אֲשֶׁר מָלַךְ. בְּטֶרֶם כָּל יְצִיר נִבְרָא:
Heer van het heelal, die regeerde voordat enige gestalte werd geschapen.
לְעֵת נַעֲשה בְחֶפְצו כּל. אֲזַי מֶלֶךְ שְׁמו נִקְרָא:
Op het moment dat Zijn wil alles tot aanzijn bracht, toen werd Zijn Naam tot Koning uitgeroepen.
וְאַחֲרֵי כִּכְלות הַכּל. לְבַדּו יִמְלךְ נורָא:
En nadat alles heeft opgehouden te bestaan, zal Hij alleen in ontzag regeren.
וְהוּא הָיָה וְהוּא הוֶה. וְהוּא יִהְיֶה בְּתִפְאָרָה:
Hij was, Hij is, en Hij zal zijn in heerlijkheid.
וְהוּא אֶחָד וְאֵין שֵׁנִי. לְהַמְשִׁיל לו לְהַחְבִּירָה:
Hij is Eén, en er is geen tweede om met Hem te vergelijken, om naast Hem te plaatsen.
בְּלִי רֵאשִׁית בְּלִי תַכְלִית. וְלו הָעז וְהַמִּשרָה:
Zonder begin, zonder einde, aan Hem behoren kracht en heerschappij.
וְהוּא אֵלִי וְחַי גואֲלִי. וְצוּר חֶבְלִי בְּעֵת צָרָה:
Hij is mijn God, mijn levende Verlosser, de rots van mijn pijn in tijden van nood.
וְהוּא נִסִּי וּמָנוס לִי. מְנָת כּוסִי בְּיום אֶקְרָא:
Hij is mijn banier en mijn toevlucht, mijn deel op de dag dat ik roep.
בְּיָדו אַפְקִיד רוּחִי. בְּעֵת אִישָׁן וְאָעִירָה:
In Zijn hand vertrouw ik mijn geest toe, wanneer ik slaap en wanneer ik ontwaak.
וְעִם רוּחִי גְּוִיָּתִי. ה' לִי וְלא אִירָא:
En met mijn geest ook mijn lichaam; de Eeuwige is met mij, ik zal niet vrezen.