Shacharit

Funeral Home Hymns

בבית האבל מוסיפים בשחרית ובמנחה מזמור זה, ביום שיש בו תחנון:

In het sterfhuis wordt de volgende psalm toegevoegd in het ochtend- en middaggebed op dagen waarop Tachanoen wordt gezegd:

לַמְנַצֵּחַ לִבְנֵי קֹרַח מִזְמוֹר: שִׁמְעוּ זֹאת כָּל הָעַמִּים הַאֲזִינוּ כָּל יֹשְׁבֵי חָלֶד: גַּם בְּנֵי אָדָם גַּם בְּנֵי אִישׁ יַחַד עָשִׁיר וְאֶבְיוֹן: פִּי יְדַבֵּר חָכְמוֹת וְהָגוּת לִבִּי תְבוּנוֹת: אַטֶּה לְמָשָׁל אָזְנִי אֶפְתַּח בְּכִנּוֹר חִידָתִי: לָמָּה אִירָא בִּימֵי רָע עֲוֹן עֲקֵבַי יְסוּבֵּנִי: הַבֹּטְחִים עַל חֵילָם וּבְרֹב עָשְׁרָם יִתְהַלָּלוּ: אָח לֹא פָדֹה יִפְדֶּה אִישׁ לֹא יִתֵּן לֵאלֹהִים כָּפְרוֹ: וְיֵקַר פִּדְיוֹן נַפְשָׁם וְחָדַל לְעוֹלָם: וִיחִי עוֹד לָנֶצַח לֹא יִרְאֶה הַשָּׁחַת: כִּי יִרְאֶה חֲכָמִים יָמוּתוּ יַחַד כְּסִיל וָבַעַר יֹאבֵדוּ וְעָזְבוּ לַאֲחֵרִים חֵילָם: קִרְבָּם בָּתֵּימוֹ לְעוֹלָם מִשְׁכְּנֹתָם לְדֹר וָדֹר קָרְאוֹ בִשְׁמוֹתָם עֲלֵי אֲדָמוֹת: וְאָדָם בִּיקָר בַּל יָלִין נִמְשַׁל כַּבְּהֵמוֹת נִדְמוּ: זֶה דַרְכָּם כֵּסֶל לָמוֹ וְאַחֲרֵיהֶם בְּפִיהֶם יִרְצוּ סֶלָה: כַּצֹּאן לִשְׁאוֹל שַׁתּוּ מָוֶת יִרְעֵם וַיִּרְדּוּ בָם יְשָׁרִים לַבֹּקֶר וְצוּרָם לְבַלּוֹת שְׁאוֹל מִזְּבֻל לוֹ: אַךְ אֱלֹהִים יִפְדֶּה נַפְשִׁי מִיַּד שְׁאוֹל כִּי יִקָּחֵנִי סֶלָה: אַל תִּירָא כִּי יַעֲשִׁר אִישׁ כִּי יִרְבֶּה כְּבוֹד בֵּיתוֹ: כִּי לֹא בְמוֹתוֹ יִקַּח הַכֹּל לֹא יֵרֵד אַחֲרָיו כְּבוֹדוֹ: כִּי נַפְשׁוֹ בְּחַיָּיו יְבָרֵךְ וְיוֹדֻךָ כִּי תֵיטִיב לָךְ: תָּבוֹא עַד דּוֹר אֲבוֹתָיו עַד נֵצַח לֹא יִרְאוֹ אוֹר: אָדָם בִּיקָר וְלֹא יָבִין נִמְשַׁל כַּבְּהֵמוֹת נִדְמוּ: וּתְשׁוּעַת צַדִּיקִים מֵיְהֹוָה מָעוּזָּם בְּעֵת צָרָה: וַיַּעְזְרֵם יְהֹוָה וַיְפַלְּטֵם יְפַלְּטֵם מֵרְשָׁעִים וְיוֹשִׁיעֵם כִּי חָסוּ בוֹ:

Voor de koorleider, een psalm van de zonen van Korach: Hoor dit, alle volken; neig het oor, alle bewoners der wereld: Zowel laag als hoog, rijk en arm tezamen. Mijn mond spreekt wijsheid; de overpeinzing van mijn hart is inzicht. Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn raadsel oplossen bij de harp. Waarom zou ik vrezen in dagen van kwaad, wanneer de ongerechtigheid van mijn hielen mij omringt? Zij die op hun rijkdom vertrouwen en zich beroemen op de overvloed van hun bezit. Geen mens kan zijn broeder verlossen of aan God zijn losprijs geven, want de verlossing van hun ziel is kostbaar en het houdt voor eeuwig op, opdat hij eeuwig zou leven en de groeve niet zou zien. Want hij ziet dat wijzen sterven; de dwaas en de domme vergaan tezamen en laten hun rijkdom aan anderen na. Hun innerlijke gedachte is dat hun huizen voor eeuwig zijn, hun woonplaatsen voor alle geslachten; zij noemen hun landerijen naar hun eigen namen. Maar de mens in zijn pracht zal niet blijven; hij is gelijk de beesten die vergaan. Dit is hun weg, dwaasheid is het hunne, en na hen zullen zij behagen scheppen in hun woorden voor eeuwig. Als schapen zijn zij bestemd voor het dodenrijk; de dood zal hen weiden; de oprechten zullen in de morgen over hen heersen; en hun gestalte zal vergaan in het dodenrijk, ver van zijn verheven woning. Maar God zal mijn ziel verlossen uit de macht van het dodenrijk, want Hij zal mij aannemen, Sela. Wees niet bevreesd wanneer een man rijk wordt, wanneer de glorie van zijn huis toeneemt. Want bij zijn sterven zal hij niets meenemen; zijn glorie zal hem niet achterna dalen. Want zijn ziel zegent zichzelf terwijl hij leeft, en men zal u prijzen wanneer gij uzelf weldoet. Het zal gaan naar het geslacht van zijn vaderen; nimmer zullen zij het licht zien. De mens in zijn pracht, doch zonder inzicht, is gelijk de beesten die vergaan. Maar het heil der rechtvaardigen is van de Eeuwige; Hij is hun burcht in tijd van benauwdheid. En de Eeuwige helpt hen en bevrijdt hen; Hij bevrijdt hen van de goddelozen en redt hen, omdat zij hun toevlucht bij Hem hebben genomen.

ביום שאין בו תחנון אומרים בבית האבל מזמור זה:

Op dagen waarop Tachanoen niet wordt gezegd, wordt in het sterfhuis de volgende psalm gezegd:

מִכְתָּם לְדָוִד שָׁמְרֵנִי אֵל כִּי חָסִיתִי בָךְ: אָמַרְתְּ לַיהֹוָה אֲדֹנָי אָתָּה טוֹבָתִי בַּל עָלֶיךָ: לִקְדוֹשִׁים אֲשֶׁר בָּאָרֶץ הֵמָּה וְאַדִּירֵי כָּל חֶפְצִי בָם: יִרְבּוּ עַצְּבוֹתָם אַחֵר מָהָרוּ בַּל אַסִּיךְ נִסְכֵּיהֶם מִדָּם וּבַל אֶשָּׂא אֶת שְׁמוֹתָם עַל שְׂפָתָי: יְהֹוָה מְנָת חֶלְקִי וְכוֹסִי אַתָּה תּוֹמִיךְ גּוֹרָלִי: חֲבָלִים נָפְלוּ לִי בַּנְּעִמִים אַף נַחֲלָת שָׁפְרָה עָלָי: אֲבָרֵךְ אֶת יְהֹוָה אֲשֶׁר יְעָצָנִי אַף לֵילוֹת יִסְּרוּנִי כִלְיוֹתָי: שִׁוִּיתִי יְהֹוָה לְנֶגְדִּי תָמִיד כִּי מִימִינִי בַּל אֶמּוֹט: לָכֵן שָׂמַח לִבִּי וַיָּגֶל כְּבוֹדִי אַף בְּשָׂרִי יִשְׁכֹּן לָבֶטַח: כִּי לֹא תַעֲזֹב נַפְשִׁי לִשְׁאוֹל לֹא תִתֵּן חֲסִידְךָ לִרְאוֹת שָׁחַת: תּוֹדִיעֵנִי אֹרַח חַיִּים שֹׂבַע שְׂמָחוֹת אֶת פָּנֶיךָ נְעִמוֹת בִּימִינְךָ נֶצַח:

Een michtam van David: Behoed mij, o God, want bij U heb ik mijn toevlucht genomen. Ik heb tot de Eeuwige gezegd: "U zijt mijn Meester; ik heb geen goed behalve U." Wat de heiligen betreft die in het land zijn, zij zijn de edelen in wie al mijn behagen is. De smarten van hen die zich haasten achter een andere god zullen zich vermenigvuldigen; ik zal hun plengoffers van bloed niet uitgieten, noch zal ik hun namen op mijn lippen nemen. De Eeuwige is mijn toebedeelde deel en mijn beker; U houdt mijn lot in stand. De meetsnoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, mijn erfdeel is mij schoon. Ik zal de Eeuwige zegenen, die mij raad geeft; zelfs in de nacht onderwijzen mijn nieren mij. Ik heb de Eeuwige steeds voor mij gesteld; omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen. Daarom is mijn hart verheugd, en mijn glorie juicht; ook mijn vlees zal veilig wonen. Want U zult mijn ziel niet aan het dodenrijk overlaten, noch zult U toelaten dat Uw getrouwe het bederf ziet. U maakt mij het pad des levens bekend; in Uw tegenwoordigheid is volheid van vreugde; aan Uw rechterhand zijn liefelijkheden voor immer.