יום שישי
Op vrijdag:
הַיּום יום שִׁשִּׁי בְּשַׁבָּת. שֶׁבּו הָיוּ הַלְוִיִּם אומְרִים בְּבֵית הַמִּקְדָּשׁ: ה' מָלָךְ גֵּאוּת לָבֵשׁ. לָבֵשׁ ה' עז הִתְאַזָּר. אַף תִּכּון תֵּבֵל בַּל תִּמּוט: נָכון כִּסְאֲךָ מֵאָז. מֵעולָם אָתָּה: נָשאוּ נְהָרות ה'. נָשאוּ נְהָרות קולָם. יִשאוּ נְהָרות דָּכְיָם: מִקּלות מַיִם רַבִּים אַדִּירִים מִשְׁבְּרֵי יָם. אַדִּיר בַּמָּרום ה': עֵדתֶיךָ נֶאֶמְנוּ מְאד. לְבֵיתְךָ נָאֲוָה קדֶשׁ. ה' לְארֶךְ יָמִים:
Vandaag is de zesde dag van de Sjabbat, waarop de Levieten in de Tempel zouden zeggen: “De Eeuwige regeert, met majesteit bekleed; de Eeuwige is bekleed, met kracht omgord. Voorwaar, de wereld staat vast; zij kan niet wankelen. Uw troon staat vast van oudsher; U zijt van eeuwigheid. De rivieren hebben opgeheven, o Eeuwige, de rivieren hebben hun stem opgeheven; De rivieren heffen hun bruisende golven op. Boven het gedruis van vele wateren, de machtige brekers van de zee, Is de Eeuwige in de hoogte machtig. Uw getuigenissen zijn zeer betrouwbaar; heiligheid past Uw huis, O Eeuwige, voor alle dagen die komen.”
ברכי נפשי
Loof de Eeuwige, mijn ziel
בראש חדש אחר שיר של יום אומרים ברכי נפשי:
Op Rosj Chodesj wordt na de Psalm van de Dag “Loof de Eeuwige, mijn ziel” gezegd:
בָּרֲכִי נַפְשִׁי אֶת יְהֹוָה יְהֹוָה אֱלֹהַי גָּדַלְתָּ מְּאֹד הוֹד וְהָדָר לָבָשְׁתָּ: עֹטֶה אוֹר כַּשַּׂלְמָה נוֹטֶה שָׁמַיִם כַּיְרִיעָה: הַמְקָרֶה בַמַּיִם עֲלִיּוֹתָיו הַשָּׂם עָבִים רְכוּבוֹ הַמְהַלֵּךְ עַל כַּנְפֵי רוּחַ: עֹשֶׂה מַלְאָכָיו רוּחוֹת מְשָׁרְתָיו אֵשׁ לֹהֵט: יָסַד אֶרֶץ עַל מְכוֹנֶיהָ בַּל תִּמּוֹט עוֹלָם וָעֶד: תְּהוֹם כַּלְּבוּשׁ כִּסִּיתוֹ עַל הָרִים יַעַמְדוּ מָיִם: מִן גַּעֲרָתְךָ יְנוּסוּן מִן קוֹל רַעַמְךָ יֵחָפֵזוּן: יַעֲלוּ הָרִים יֵרְדוּ בְקָעוֹת אֶל מְקוֹם זֶה יָסַדְתָּ לָהֶם: גְּבוּל שַׂמְתָּ בַּל יַעֲבֹרוּן בַּל יְשׁוּבוּן לְכַסּוֹת הָאָרֶץ: הַמְשַׁלֵּחַ מַעְיָנִים בַּנְּחָלִים בֵּין הָרִים יְהַלֵּכוּן: יַשְׁקוּ כָּל חַיְתוֹ שָׂדָי יִשְׁבְּרוּ פְרָאִים צְמָאָם: עֲלֵיהֶם עוֹף הַשָּׁמַיִם יִשְׁכּוֹן מִבֵּין עֳפָאיִם יִתְּנוּ קוֹל: מַשְׁקֶה הָרִים מֵעֲלִיּוֹתָיו מִפְּרִי מַעֲשֶׂיךָ תִּשְׂבַּע הָאָרֶץ: מַצְמִיחַ חָצִיר לַבְּהֵמָה וְעֵשֶׂב לַעֲבֹדַת הָאָדָם לְהוֹצִיא לֶחֶם מִן הָאָרֶץ: וְיַיִן יְשַׂמַּח לְבַב אֱנוֹשׁ לְהַצְהִיל פָּנִים מִשָּׁמֶן וְלֶחֶם לְבַב אֱנוֹשׁ יִסְעָד: יִשְׂבְּעוּ עֲצֵי יְהֹוָה אַרְזֵי לְבָנוֹן אֲשֶׁר נָטָע: אֲשֶׁר שָׁם צִפֳּרִים יְקַנֵּנוּ חֲסִידָה בְּרוֹשִׁים בֵּיתָהּ: הָרִים הַגְּבֹהִים לַיְּעֵלִים סְלָעִים מַחְסֶה לַשְׁפַנִּים: עָשָׂה יָרֵחַ לְמוֹעֲדִים שֶׁמֶשׁ יָדַע מְבוֹאוֹ: תָּשֶׁת חֹשֶׁךְ וִיהִי לָיְלָה בּוֹ תִרְמֹשׂ כָּל חַיְתוֹ יָעַר: הַכְּפִירִים שֹׁאֲגִים לַטָּרֶף וּלְבַקֵּשׁ מֵאֵל אָכְלָם: תִּזְרַח הַשֶּׁמֶשׁ יֵאָסֵפוּן וְאֶל מְעוֹנֹתָם יִרְבָּצוּן: יֵצֵא אָדָם לְפָעֳלוֹ וְלַעֲבֹדָתוֹ עֲדֵי עָרֶב: מָה רַבּוּ מַעֲשֶׂיךָ יְהֹוָה כֻּלָּם בְּחָכְמָה עָשִׂיתָ מָלְאָה הָאָרֶץ קִנְיָנֶךָ: זֶה הַיָּם גָּדוֹל וּרְחַב יָדָיִם שָׁם רֶמֶשׂ וְאֵין מִסְפָּר חַיּוֹת קְטַנּוֹת עִם גְּדֹלוֹת: שָׁם אֳנִיּוֹת יְהַלֵּכוּן לִוְיָתָן זֶה יָצַרְתָּ לְשַׂחֶק בּוֹ: כֻּלָּם אֵלֶיךָ יְשַׂבֵּרוּן לָתֵת אָכְלָם בְּעִתּוֹ: תִּתֵּן לָהֶם יִלְקֹטוּן תִּפְתַּח יָדְךָ יִשְׂבְּעוּן טוֹב: תַּסְתִּיר פָּנֶיךָ יִבָּהֵלוּן תֹּסֵף רוּחָם יִגְוָעוּן וְאֶל עֲפָרָם יְשׁוּבוּן: תְּשַׁלַּח רוּחֲךָ יִבָּרֵאוּן וּתְחַדֵּשׁ פְּנֵי אֲדָמָה: יְהִי כְבוֹד יְהֹוָה לְעוֹלָם יִשְׂמַח יְהֹוָה בְּמַעֲשָׂיו: הַמַּבִּיט לָאָרֶץ וַתִּרְעָד יִגַּע בֶּהָרִים וְיֶעֱשָׁנוּ: אָשִׁירָה לַיהֹוָה בְּחַיָּי אֲזַמְּרָה לֵאלֹהַי בְּעוֹדִי: יֶעֱרַב עָלָיו שִׂיחִי אָנֹכִי אֶשְׂמַח בַּיְהֹוָה: יִתַּמּוּ חַטָּאִים מִן הָאָרֶץ וּרְשָׁעִים עוֹד אֵינָם בָּרֲכִי נַפְשִׁי אֶת יְהֹוָה הַלְלוּיָהּ:
Loof de Eeuwige, o mijn ziel. O Eeuwige, mijn God, U zijt zeer groot; U zijt bekleed met luister en majesteit. U hult Uzelf in licht als in een gewaad, U spant de hemelen uit als een tentkleed. Hij legt de balken van Zijn opperzalen in de wateren, maakt de wolken tot Zijn wagen, Wandelt op de vleugels van de wind. Hij maakt winden tot Zijn boden, vlammen van vuur tot Zijn dienaren. Hij heeft de aarde gegrondvest op haar fundamenten, zodat zij nooit zal wankelen. De diepte bedekt haar als een gewaad; de wateren stonden boven de bergen. Bij Uw bestraffing vluchtten zij; bij het geluid van Uw donder snelden zij weg. De bergen rezen op; de dalen zonken neer tot de plaats die U voor hen bepaald hebt. U hebt een grens gesteld die zij niet kunnen overschrijden; zij zullen de aarde nooit meer bedekken. Hij zendt bronnen uit in de dalen; zij stromen tussen de bergen. Zij geven te drinken aan elk dier van het veld; de wilde ezels lessen hun dorst. De vogels van de hemel wonen daarbij; zij zingen tussen de takken. Hij drenkt de bergen vanuit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd met de vrucht van Uw werken. Hij doet gras groeien voor het vee en gewas voor de arbeid van de mens, voortbrengend voedsel uit de aarde, En wijn die het hart van de mens verblijdt, olie om zijn gezicht te doen glanzen, en brood om het hart van de mens te sterken. De bomen van de Eeuwige worden verzadigd, de ceders van de Libanon die Hij plantte. Daar maken de vogels hun nesten; de ooievaar heeft haar huis in de cipressen. De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de rotsen zijn een toevlucht voor de klipdassen. Hij maakte de maan voor de bestemde tijden; de zon kent haar ondergang. U maakt duisternis, en het wordt nacht, wanneer alle dieren van het woud rondsluipen. De jonge leeuwen brullen om hun prooi en zoeken hun voedsel van God. Wanneer de zon opgaat, verzamelen zij zich en leggen zich neer in hun holen. De mens gaat uit naar zijn werk en naar zijn arbeid tot de avond. Hoe talrijk zijn Uw werken, o Eeuwige! In wijsheid hebt U ze alle gemaakt; de aarde is vol van Uw bezittingen. Daar is de zee, groot en wijd, met haar schepselen zonder getal, levende wezens klein en groot. Daar varen de schepen, en de Leviathan, die U geformeerd hebt om daarin te spelen. Zij allen zien op U om hun voedsel te geven op de juiste tijd. Wanneer U het hun geeft, verzamelen zij het; wanneer U Uw hand opent, worden zij met goede dingen verzadigd. Wanneer U Uw aangezicht verbergt, worden zij verschrikt; wanneer U hun adem wegneemt, sterven zij en keren terug tot hun stof. Wanneer U Uw Geest uitzendt, worden zij geschapen, en U vernieuwt het gelaat van de aarde. Moge de eer van de Eeuwige eeuwig duren; moge de Eeuwige zich verheugen in Zijn werken. Hij ziet de aarde aan, en zij beeft; Hij raakt de bergen aan, en zij roken. Ik zal voor de Eeuwige zingen zolang ik leef; ik zal voor mijn God lof zingen zolang ik besta. Moge mijn overpeinzing Hem behagen; ik zal mij verheugen in de Eeuwige. Mogen de zondaars van de aarde verdwijnen, en mogen de goddelozen niet meer zijn. Loof de Eeuwige, o mijn ziel. Halleluja!
מא' אלול עד אחר שמיני עצרת אומרים מזמור זה:
Van het begin van Eloel tot na Sjemini Atseret wordt deze psalm gezegd:
לְדָוִד. ה' אורִי וְיִשְׁעִי מִמִּי אִירָא. ה' מָעוז חַיַּי מִמִּי אֶפְחָד: בִּקְרב עָלַי מְרֵעִים לֶאֱכל אֶת בְּשרִי. צָרַי וְאיְבַי לִי. הֵמָּה כָּשְׁלוּ וְנָפָלוּ: אִם תַּחֲנֶה עָלַי מַחֲנֶה לא יִירָא לִבִּי. אִם תָּקוּם עָלַי מִלְחָמָה בְּזאת אֲנִי בוטֵחַ: אַחַת שָׁאַלְתִּי מֵאֵת ה'. אותָהּ אֲבַקֵּשׁ. שִׁבְתִּי בְּבֵית ה' כָּל יְמֵי חַיַּי. לַחֲזות בְּנעַם ה' וּלְבַקֵּר בְּהֵיכָלו: כִּי יִצְפְּנֵנִי בְּסֻכּו בְּיום רָעָה יַסְתִּירֵנִי בְּסֵתֶר אָהֳלו. בְּצוּר יְרומְמֵנִי: וְעַתָּה יָרוּם ראשִׁי עַל איְבַי סְבִיבותַי. וְאֶזְבְּחָה בְאָהֳלו זִבְחֵי תְרוּעָה. אָשִׁירָה וַאֲזַמְּרָה לה': שְׁמַע ה' קולִי אֶקְרָא. וְחָנֵּנִי וַעֲנֵנִי: לְךָ אָמַר לִבִּי בַּקְּשׁוּ פָנָי. אֶת פָּנֶיךָ ה' אֲבַקֵּשׁ: אַל תַּסְתֵּר פָּנֶיךָ מִמֶּנִּי. אַל תַּט בְּאַף עַבְדֶּךָ. עֶזְרָתִי הָיִיתָ. אַל תִּטְּשֵׁנִי וְאַל תַּעַזְבֵנִי אֱלהֵי יִשְׁעִי: כִּי אָבִי וְאִמִּי עֲזָבוּנִי. וה' יַאַסְפֵנִי: הורֵנִי ה' דַּרְכֶּךָ וּנְחֵנִי בְּארַח מִישׁור לְמַעַן שׁורְרָי: אַל תִּתְּנֵנִי בְּנֶפֶשׁ צָרָי. כִּי קָמוּ בִי עֵדֵי שֶׁקֶר וִיפֵחַ חָמָס: לוּלֵא הֶאֱמַנְתִּי לִרְאות בְּטוּב ה' בְּאֶרֶץ חַיִּים: קַוֵּה אֶל ה'. חֲזַק וְיַאֲמֵץ לִבֶּךָ. וְקַוֵּה אֶל ה’:
Van David: De Eeuwige is mijn licht en mijn heil; voor wie zou ik vrezen? De Eeuwige is de burcht van mijn leven; voor wie zou ik bevreesd zijn? Toen kwaaddoeners op mij afkwamen om mijn vlees te verslinden, Mijn tegenstanders en mijn vijanden, struikelden zij en vielen. Al legert een leger zich tegen mij, mijn hart zal niet vrezen. Al verheft zich oorlog tegen mij, ook dan zal ik vol vertrouwen blijven. Eén ding heb ik van de Eeuwige gevraagd, dat zal ik zoeken: Te wonen in het huis van de Eeuwige alle dagen van mijn leven, Om de lieflijkheid van de Eeuwige te aanschouwen en Zijn heiligdom te bezoeken. Want Hij zal mij verbergen in Zijn hut op de dag van onheil; Hij zal mij verschuilen in de schuilplaats van Zijn tent; Hij zal mij hoog op een rots heffen. Nu zal mijn hoofd verheven worden boven mijn vijanden rondom mij; Ik zal offers brengen in Zijn tent met gejuich. Ik zal zingen en spelen voor de Eeuwige. Hoor, Eeuwige, mijn stem wanneer ik roep; wees mij genadig en antwoord mij. Namens U heeft mijn hart gezegd: “Zoek Mijn aangezicht.” Uw aangezicht, Eeuwige, zal ik zoeken. Verberg Uw aangezicht niet voor mij; wijs Uw dienaar niet af in toorn. U zijt mijn hulp geweest; verlaat mij niet en begeef mij niet, o God van mijn heil. Al hebben mijn vader en mijn moeder mij verlaten, de Eeuwige zal mij opnemen. Leer mij Uw weg, o Eeuwige, en leid mij op een effen pad vanwege mijn vijanden. Lever mij niet over aan de begeerte van mijn tegenstanders, Want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, en zij blazen geweld uit. Had ik niet geloofd dat ik de goedheid van de Eeuwige zou zien in het land der levenden, Wacht op de Eeuwige; wees sterk en laat uw hart moed vatten; Ja, wacht op de Eeuwige!