אָנֹכִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֲשֶׁר הוֹצֵאתִיךָ מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם מִבֵּית עֲבָדִים לֹא-יִהְיֶה לְךָ אֱלֹהִים אֲחֵרִים עַל-פָּנָי. ג לֹא-תַעֲשֶׂה לְךָ פֶסֶל וְכָל-תְּמוּנָה אֲשֶׁר בַּשָּׁמַיִם מִמַּעַל וַאֲשֶׁר בָּאָרֶץ מִתָּחַת וַאֲשֶׁר בַּמַּיִם מִתַּחַת לָאָרֶץ. ד לֹא-תִשְׁתַּחֲוֶה לָהֶם וְלֹא תָעָבְדֵם כִּי אָנֹכִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֵל קַנָּא פֹּקֵד עֲוֹן אָבֹת עַל-בָּנִים עַל-שִׁלֵּשִׁים וְעַל-רִבֵּעִים לְשֹׂנְאָי. ה וְעֹשֶׂה חֶסֶד לַאֲלָפִים לְאֹהֲבַי וּלְשֹׁמְרֵי מִצְוֹתָי. ו לֹא תִשָּׂא אֶת-שֵׁם-יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לַשָּׁוְא כִּי לֹא יְנַקֶּה יְהוָה אֵת אֲשֶׁר-יִשָּׂא אֶת-שְׁמוֹ לַשָּׁוְא.
Ik ben de Eeuwige, uw God, die u uit het land Egypte heeft gebracht, uit het slavenhuis. U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. U zult voor uzelf geen gesneden beeld maken, noch enige gelijkenis van iets dat in de hemel boven, of dat op de aarde beneden, of dat in de wateren onder de aarde is. U zult zich voor hen niet neerbuigen, noch hen dienen. Want Ik, de Eeuwige, uw God, ben een naijverige God, die de ongerechtigheid van de vaderen bezoekt aan de kinderen tot in het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, maar barmhartigheid betoont aan duizenden, aan hen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden. U zult de naam van de Eeuwige, uw God, niet ijdel gebruiken, want de Eeuwige zal hem niet onschuldig houden die Zijn naam ijdel gebruikt.
ז זָכוֹר אֶת-יוֹם הַשַּׁבָּת לְקַדְּשׁוֹ. ח שֵׁשֶׁת יָמִים תַּעֲבֹד וְעָשִׂיתָ כָּל-מְלַאכְתֶּךָ. ט וְיוֹם הַשְּׁבִיעִי שַׁבָּת לַיהוָה אֱלֹהֶיךָ לֹא-תַעֲשֶׂה כָל-מְלָאכָה אַתָּה וּבִנְךָ וּבִתֶּךָ עַבְדְּךָ וַאֲמָתְךָ וּבְהֶמְתֶּךָ וְגֵרְךָ אֲשֶׁר בִּשְׁעָרֶיךָ. י כִּי שֵׁשֶׁת-יָמִים עָשָׂה יְהוָה אֶת-הַשָּׁמַיִם וְאֶת-הָאָרֶץ אֶת-הַיָּם וְאֶת-כָּל-אֲשֶׁר-בָּם וַיָּנַח בַּיּוֹם הַשְּׁבִיעִי עַל-כֵּן בֵּרַךְ יְהוָה אֶת-יוֹם הַשַּׁבָּת וַיְקַדְּשֵׁהוּ. יא כַּבֵּד אֶת-אָבִיךָ וְאֶת-אִמֶּךָ לְמַעַן יַאֲרִכוּן יָמֶיךָ עַל הָאֲדָמָה אֲשֶׁר-יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָךְ. יב לֹא תִרְצָח לֹא תִנְאָף לֹא תִגְנֹב לֹא-תַעֲנֶה בְרֵעֲךָ עֵד שָׁקֶר. {ס} יג לֹא תַחְמֹד בֵּית רֵעֶךָ לֹא-תַחְמֹד אֵשֶׁת רֵעֶךָ וְעַבְדּוֹ וַאֲמָתוֹ וְשׁוֹרוֹ וַחֲמֹרוֹ וְכֹל אֲשֶׁר לְרֵעֶךָ.
Gedenk de Sjabbatdag, om die te heiligen. Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de Sjabbat van de Eeuwige, uw God. Daarop zult u geen werk doen: u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die binnen uw poorten is. Want in zes dagen heeft de Eeuwige de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de Eeuwige de Sjabbatdag en heiligde die. Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen lang mogen zijn op het land dat de Eeuwige, uw God, u geeft. U zult niet doodslaan. U zult geen overspel plegen. U zult niet stelen. U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste. U zult het huis van uw naaste niet begeren; u zult de vrouw van uw naaste niet begeren, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets dat aan uw naaste toebehoort.