יש אומרים:
Sommigen zeggen:
אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ. תָּבוא לְפָנֶיךָ תְּפִלָּתֵנוּ וְאַל תִּתְעַלַּם מִתְּחִנָּתֵנוּ. שֶׁאֵין אֲנַחְנוּ עַזֵּי פָנִים וּקְשֵׁי ערֶף לומַר לְפָנֶיךָ ה' אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ צַדִּיקִים אֲנַחְנוּ וְלא חָטָאנוּ. אֲבָל אֲנַחְנוּ וַאֲבותֵינוּ חָטָאנוּ: אָשַׁמְנוּ. בָּגַדְנוּ. גָּזַלְנוּ. דִּבַּרְנוּ דפִי. הֶעֱוִינוּ. וְהִרְשַׁעְנוּ. זַדְנוּ. חָמַסְנוּ. טָפַלְנוּ שֶׁקֶר. יָעַצְנוּ רָע. כִּזַּבְנוּ. לַצְנוּ. מָרַדְנוּ. נִאַצְנוּ. סָרַרְנוּ. עָוִינוּ. פָּשַׁעְנוּ. צָרַרְנוּ. קִשִּׁינוּ ערֶף. רָשַׁעְנוּ. שִׁחַתְנוּ. תִּעַבְנוּ. תָּעִינוּ. תִּעְתָּעְנוּ: סַרְנוּ מִמִּצְותֶיךָ וּמִמִּשְׁפָּטֶיךָ הַטּובִים וְלא שָׁוָה לָנוּ. וְאַתָּה צַדִּיק עַל כָּל הַבָּא עָלֵינוּ. כִּי אֱמֶת עָשיתָ. וַאֲנַחְנוּ הִרְשָׁעְנוּ:
Onze God en God van onze vaderen, moge ons gebed voor U komen, en wend U niet af van onze smeking; want wij zijn niet zo onbeschaamd en hardnekkig dat wij voor U zouden zeggen, Eeuwige, onze God en God van onze vaderen, dat wij rechtvaardig zijn en niet gezondigd hebben; maar voorwaar, wij en onze vaderen hebben gezondigd; wij zijn schuldig geweest, wij hebben verraden, wij hebben gestolen, wij hebben laster gesproken, wij hebben verkeerd gehandeld, en wij zijn goddeloos geweest, wij hebben overmoedig gehandeld, wij hebben geweld gepleegd, wij hebben leugens beraamd, wij hebben kwaad geraden, wij hebben gelogen, wij hebben gespot, wij hebben gerebelleerd, wij hebben gelasterd, wij zijn weerspannig geweest, wij hebben overtreden, wij hebben verdrukt, wij zijn hardnekkig geweest, wij hebben kwaad gedaan, wij hebben verdorven gehandeld, wij hebben gruwelen begaan, wij zijn afgedwaald, wij hebben anderen doen afdwalen; wij zijn afgeweken van Uw geboden en Uw goede oordelen, en het heeft ons niet gebaat; maar U zijt rechtvaardig in alles wat over ons gekomen is, want U hebt in waarheid gehandeld, en wij hebben goddeloos gehandeld:
אֵל אֶרֶךְ אַפַּיִם אַתָּה וּבַעַל הָרַחֲמִים נִקְרֵאתָ. וְדֶרֶךְ תְּשׁוּבָה הורֵיתָ. גְּדֻלַּת רַחֲמֶיךָ וַחֲסָדֶיךָ תִּזְכּור הַיּום וּבְכָל יום לְזֶרַע יְדִידֶיךָ. תֵּפֶן אֵלֵינוּ בְּרַחֲמִים. כִּי אַתָּה הוּא בַּעַל הָרַחֲמִים. בְּתַחֲנוּן וּבִתְפִלָּה פָּנֶיךָ נְקַדֵּם. כְּהודַעְתָּ לֶעָנָו מִקֶּדֶם. מֵחֲרון אַפְּךָ שׁוּב. כְּמו בְּתורָתְךָ כָּתוּב. וּבְצֵל כְּנָפֶיךָ נֶחְסֶה וְנִתְלונָן. כְּיום וַיֵּרֶד ה' בֶּעָנָן. תַּעֲבר עַל פֶּשַׁע וְתִמְחֶה אָשָׁם. כְּיום וַיִּתְיַצֵּב עִמּו שָׁם. תַּאֲזִין שַׁוְעָתֵנוּ וְתַקְשִׁיב מֶנּוּ מַאֲמַר. כְּיום וַיִּקְרָא בְשֵׁם ה' וְשָׁם נֶאֱמַר:
God, lankmoedig, U wordt de Meester van ontferming genoemd; U hebt de weg van inkeer getoond; moge U heden en elke dag de grootheid van Uw ontferming en goedertierenheid gedenken jegens het zaad van Uw geliefden; wend U tot ons met mededogen, want U zijt de Meester van ontferming; met smeking en gebed naderen wij Uw aangezicht, zoals U de nederige van weleer bekend gemaakt hebt; wend U af van Uw brandende toorn, zoals geschreven staat in Uw Tora; en onder de schaduw van Uw vleugels zullen wij schuilen en klagen, als op de dag waarop de Eeuwige neerdaalde in de wolk; ga voorbij aan overtreding en wis schuld uit, als op de dag waarop Hij daar met hem stond; luister naar ons geroep en geef acht op onze woorden, als op de dag waarop Hij in de naam van de Eeuwige riep, en daar werd gezegd:
יחיד אינו אומר זה ולא הי"ג מדות:
Een enkeling zegt dit niet, noch de Dertien Eigenschappen:
וַיַּעֲבר ה' עַל פָּנָיו וַיִּקְרָא: ה'. ה'. אֵל רַחוּם וְחַנּוּן. אֶרֶךְ אַפַּיִם וְרַב חֶסֶד וֶאֱמֶת: נצֵר חֶסֶד לָאֲלָפִים. נשא עָון וָפֶשַׁע וְחַטָּאָה. וְנַקֵּה: וְסָלַחְתָּ לַעֲונֵנוּ וּלְחַטָּאתֵנוּ וּנְחַלְתָּנוּ: סְלַח לָנוּ אָבִינוּ כִּי חָטָאנוּ. מְחַל לָנוּ מַלְכֵּנוּ כִּי פָשָׁעְנוּ. כִּי אַתָּה אֲדנָי טוב וְסַלָּח וְרַב חֶסֶד לְכָל קרְאֶיךָ:
En de Eeuwige ging aan hem voorbij en riep uit: De Eeuwige, de Eeuwige, een God barmhartig en genadig, lankmoedig, en rijk aan goedertierenheid en waarheid; die goedertierenheid bewaart tot in duizenden, die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft, en reinigt; en U vergaf onze ongerechtigheid en onze zonde, en nam ons als Uw erfenis aan; vergeef ons, onze Vader, want wij hebben gezondigd; schenk ons vergiffenis, onze Koning, want wij hebben overtreden; want U, Eeuwige, zijt goed en vergevend, en rijk aan goedertierenheid voor allen die U aanroepen:
לשני וחמישי נוהגין להרבות בתחנונים בשני ובחמישי ואומרים "והוא רחום" מעומד. וביום שאין אומרים תחנון אין אומרים אותו:
Op maandag en donderdag is het gebruikelijk de smekingen op maandag en donderdag te vermeerderen en “En Hij, de Barmhartige” staande te zeggen; op een dag waarop Tachanoen niet gezegd wordt, wordt het niet gezegd:
וְהוּא רַחוּם יְכַפֵּר עָון וְלא יַשְׁחִית. וְהִרְבָּה לְהָשִׁיב אַפּו וְלא יָעִיר כָּל חֲמָתו: אַתָּה ה'. לא תִכְלָא רַחֲמֶיךָ מִמֶּנּוּ. חַסְדְּךָ וַאֲמִתְּךָ תָּמִיד יִצְּרוּנוּ: הושִׁיעֵנוּ ה' אֱלהֵינוּ וְקַבְּצֵנוּ מִן הַגּויִם. לְהודות לְשֵׁם קָדְשֶׁךָ. לְהִשְׁתַּבֵּחַ בִּתְהִלָּתֶךָ: אִם עֲונות תִּשְׁמָר יָהּ. אֲדנָי מִי יַעֲמד: כִּי עִמְּךָ הַסְּלִיחָה לְמַעַן תִּוָּרֵא: לא כַחֲטָאֵינוּ תַּעֲשה לָנוּ וְלא כַעֲונותֵינוּ תִּגְמל עָלֵינוּ: אִם עֲונֵינוּ עָנוּ בָנוּ. ה'. עֲשה לְמַעַן שְׁמֶךָ: זְכר רַחֲמֶיךָ ה' וַחֲסָדֶיךָ. כִּי מֵעולָם הֵמָּה: יַעֲנֵנוּ ה' בְּיום צָרָה. יְשגְּבֵנוּ שֵׁם אֱלהֵי יַעֲקב: ה' הושִׁיעָה. הַמֶּלֶךְ יַעֲנֵנוּ בְיום קָרְאֵנוּ:
En Hij, de Barmhartige, zal de ongerechtigheid verzoenen en niet verderven; Hij heeft dikwijls Zijn toorn afgewend en wekt niet al Zijn gramschap op; U, Eeuwige, zult Uw ontfermingen niet van ons onthouden; Uw goedertierenheid en Uw trouw zullen ons altijd bewaren; verlos ons, Eeuwige, onze God, en verzamel ons uit de naties, om Uw heilige naam te danken, om ons te beroemen op Uw lof; indien U de ongerechtigheden gedenkt, o Eeuwige, wie zou kunnen bestaan; want bij U is vergeving, opdat U gevreesd wordt; handel niet met ons naar onze zonden, noch vergeld ons naar onze ongerechtigheden; indien onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, Eeuwige, handel omwille van Uw naam; gedenk Uw ontfermingen, Eeuwige, en Uw goedertierenheden, want zij zijn van oudsher; moge de Eeuwige ons antwoorden op de dag van benauwdheid, moge de naam van de God van Jakob ons verheffen; Eeuwige, verlos ons; moge de Koning ons antwoorden op de dag dat wij roepen:
אָבִינוּ מַלְכֵּנוּ חָנֵּנוּ וַעֲנֵנוּ. כִּי אֵין בָּנוּ מַעֲשים. צְדָקָה עֲשה עִמָּנוּ לְמַעַן שְׁמֶךָ: אֲדונֵינוּ אֱלהֵינוּ. שְׁמַע קול תַּחֲנוּנֵינוּ. וּזְכָר לָנוּ אֶת בְּרִית אֲבותֵינוּ וְהושִׁיעֵנוּ לְמַעַן שְׁמֶךָ: וְעַתָּה אֲדנָי אֱלהֵינוּ. אֲשֶׁר הוצֵאתָ אֶת עַמְּךָ מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם בְּיָד חֲזָקָה וַתַּעַש לְךָ שֵׁם כַּיּום הַזֶּה. חָטָאנוּ רָשָׁעְנוּ: אֲדנָי. כְּכָל צִדְקותֶיךָ יָשָׁב נָא אַפְּךָ וַחֲמָתְךָ מֵעִירְךָ יְרוּשָׁלַיִם הַר קָדְשֶׁךָ. כִּי בַחֲטָאֵינוּ וּבַעֲונות אֲבתֵינוּ. יְרוּשָׁלַיִם וְעַמְּךָ לְחֶרְפָּה לְכָל סְבִיבתֵינוּ: וְעַתָּה שְׁמַע אֱלהֵינוּ אֶל תְּפִלַּת עַבְדְּךָ וְאֶל תַּחֲנוּנָיו. וְהָאֵר פָּנֶיךָ עַל מִקְדָּשְׁךָ הַשָּׁמֵם. לְמַעַן אֲדנָי: הַטֵּה אֱלהַי אָזְנְךָ וּשְׁמָע. פְּקַח עֵינֶיךָ וּרְאֵה שׁומְמותֵינוּ וְהָעִיר אֲשֶׁר נִקְרָא שִׁמְךָ עָלֶיהָ. כִּי לא עַל צִדְקותֵינוּ אֲנַחְנוּ מַפִּילִים תַּחֲנוּנֵינוּ לְפָנֶיךָ. כִּי עַל רַחֲמֶיךָ הָרַבִּים: אֲדנָי שְׁמָעָה. אֲדנָי סְלָחָה. אֲדנָי הַקְשִׁיבָה. וַעֲשה אַל תְּאַחַר. לְמַעַנְךָ אֱלהַי. כִּי שִׁמְךָ נִקְרָא עַל עִירְךָ וְעַל עַמֶּךָ:
אָבִינוּ הָאָב הָרַחֲמָן. הַרְאֵנוּ אות לְטובָה וְקַבֵּץ נְפוּצותֵינוּ מֵאַרְבַּע כַּנְפות הָאָרֶץ. יַכִּירוּ וְיֵדְעוּ כָּל הַגּויִם. כִּי אַתָּה ה' אֱלהֵינוּ: וְעַתָּה ה' אָבִינוּ אָתָּה. אֲנַחְנוּ הַחמֶר וְאַתָּה יצְרֵנוּ וּמַעֲשה יָדְךָ כֻּלָּנוּ:
Onze Vader, onze Koning, wees ons genadig en antwoord ons, want wij hebben geen daden; handel met ons in gerechtigheid omwille van Uw naam; onze Heer, onze God, hoor de stem van onze smekingen, en gedenk voor ons het verbond van onze vaderen, en verlos ons omwille van Uw naam; en nu, Eeuwige, onze God, die Uw volk uit het land Egypte hebt gebracht met een sterke hand en Uzelf een naam hebt gemaakt zoals het op deze dag is, wij hebben gezondigd, wij hebben goddeloos gehandeld; Eeuwige, naar al Uw gerechtigheid, laat Uw toorn en Uw gramschap zich afwenden van Uw stad Jeruzalem, Uw heilige berg; want vanwege onze zonden en de ongerechtigheden van onze vaderen zijn Jeruzalem en Uw volk tot smaad geworden voor allen rondom ons; en nu, hoor, onze God, het gebed van Uw dienaar en zijn smekingen, en doe Uw aangezicht lichten over Uw verwoeste heiligdom, omwille van de Eeuwige; neig, mijn God, Uw oor en hoor; open Uw ogen en zie onze verwoestingen en de stad waarover Uw naam genoemd wordt; want niet vanwege onze gerechtigheid leggen wij onze smekingen voor U neer, maar vanwege Uw overvloedige ontfermingen; Eeuwige, hoor; Eeuwige, vergeef; Eeuwige, luister en handel, draal niet, omwille van Uzelf, mijn God, want Uw naam wordt genoemd over Uw stad en Uw volk:
Onze Vader, de barmhartige Vader, toon ons een teken ten goede en verzamel onze verstrooiden van de vier hoeken van de aarde; laat alle naties weten en begrijpen dat U de Eeuwige zijt, onze God; en nu, Eeuwige, onze Vader, U zijt Hij; wij zijn het leem, en U zijt onze Maker, en wij zijn allen het werk van Uw hand:
הושִׁיעֵנוּ לְמַעַן שְׁמֶךָ. צוּרֵנוּ מַלְכֵּנוּ וְגואֲלֵנוּ: חוּסָה ה' עַל עַמֶּךָ וְאַל תִּתֵּן נַחֲלָתְךָ לְחֶרְפָּה לִמְשָׁל בָּם גּויִם. לָמָּה יאמְרוּ בָעַמִּים אַיֵּה אֱלהֵיהֶם: יָדַעְנוּ כִּי חָטָאנוּ וְאֵין מִי יַעֲמד בַּעֲדֵנוּ. שִׁמְךָ הַגָּדול יַעֲמָד לָנוּ בְּעֵת צָרָה. יָדַעְנוּ כִּי אֵין בָּנוּ מַעֲשים. צְדָקָה עֲשה עִמָּנוּ לְמַעַן שְׁמֶךָ: כְּרַחֵם אָב עַל בָּנִים כֵּן תְּרַחֵם ה' עָלֵינוּ. וְהושִׁיעֵנוּ לְמַעַן שְׁמֶךָ:
Verlos ons omwille van Uw naam, onze Rots, onze Koning en onze Verlosser; spaar, Eeuwige, Uw volk, en geef Uw erfenis niet over aan smaad, om door naties beheerst te worden; waarom zouden zij onder de volken zeggen: Waar is hun God; wij weten dat wij gezondigd hebben, en er is niemand om voor ons op te treden; moge Uw grote naam voor ons optreden in de tijd van benauwdheid; wij weten dat wij geen daden hebben; handel met ons in gerechtigheid omwille van Uw naam; gelijk een vader zich over zijn kinderen ontfermt, ontferm U zo over ons, Eeuwige, en verlos ons omwille van Uw naam:
חֲמול עַל עַמֶּךָ. רַחֵם עַל נַחֲלָתֶךָ. חוּסָה נָּא כְּרוב רַחֲמֶיךָ. חָנֵּנוּ מַלְכֵּנוּ וַעֲנֵנוּ. כִּי לְךָ ה' הַצְּדָקָה. עשה נִפְלָאות בְּכָל עֵת:
Ontferm U over Uw volk, heb erbarmen over Uw erfenis; spaar ons, alstublieft, naar de overvloed van Uw ontfermingen; wees ons genadig, onze Koning, en antwoord ons, want U, Eeuwige, behoort de gerechtigheid; verricht te allen tijde wonderen:
הַבֶּט נָא רַחֶם נָא עַל עַמְךָ מְהֵרָה לְמַעַן שְׁמֶךָ. בְּרַחֲמֶיךָ הָרַבִּים ה' אֱלהֵינוּ חוּס וְרַחֵם וְהושִׁיעָה צאן מַרְעִיתֶךָ. וְאַל יִמְשָׁל בָּנוּ קֶצֶף. כִּי לְךָ עֵינֵינוּ תְלוּיות. הושִׁיעֵנוּ לְמַעַן שְׁמֶּךָ.רַחֵם עָלֵינוּ לְמַעַן בְּרִיתֶךָ הַבִּיטָה וַעֲנֵנוּ בְּעֵת צָרָה. כִּי לְךָ ה' הַיְשׁוּעָה. בְּךָ תוחַלְתֵּנוּ אֱלוהַּ סְלִיחות. אָנָּא סְלַח נָא. אֵל טוב וְסַלָּח כִּי אֵל מֶלֶךְ חַנוּן וְרַחוּם אָתָּה:
Zie, alstublieft, ontferm U, alstublieft, over Uw volk spoedig omwille van Uw naam; met Uw overvloedige ontfermingen, Eeuwige, onze God, spaar en ontferm U en verlos de schapen van Uw weide; en laat geen gramschap over ons heersen, want onze ogen zijn op U gericht; verlos ons omwille van Uw naam; ontferm U over ons omwille van Uw verbond; zie en antwoord ons in de tijd van benauwdheid, want het heil behoort U, Eeuwige; in U is onze hoop, God van vergeving; vergeef toch, alstublieft; God, goed en vergevend, want U zijt een genadige en barmhartige Koning en God:
אָנָּא מֶלֶךְ חַנּוּן וְרַחוּם. זְכר וְהַבֵּט לִבְרִית בֵּין הַבְּתָרִים וְתֵרָאֶה לְפָנֶיךָ עֲקֵדַת יָחִיד לְמַעַן יִשרָאֵל. אָבִינוּ מַלְכֵּנוּ חָנֵּנוּ וַעֲנֵנוּ. כִּי שִׁמְךָ הַגָּדול נִקְרָא עָלֵינוּ. עשה נִפְלָאות בְּכָל עֵת. עֲשה עִמָּנוּ כְּחַסְדֶּךָ. חַנּוּן וְרַחוּם. הַבִּיטָה וַעֲנֵנוּ בְּעֵת צָרָה. כִּי לְךָ ה' הַיְשׁוּעָה. אָבִינוּ מַלְכֵּנוּ מַחֲסֵנוּ אַל תַּעַשׁ עִמָּנוּ כְּרעַ מַעֲלָלֵנוּ זְכור רַחֲמֶיךָ ה' וַחֲסָדֶיךָ וּכְרב טוּבְךָ הושִׁיעֵנוּ וַחֲמָל נָא עָלֵינוּ כִּי אֵין לָנוּ אֱלוהַּ אַחֵר מִבַּלְעָדֶיךָ צוּרֵנוּ אַל תַּעַזְבֵנוּ ה' אֱלהֵינוּ אַל תִּרְחַק מִמֶּנוּ כִּי נַפְשֵׁנוּ קְצָרָה. מֵחֶרֵב וּמִשְּׁבִי וּמִדֶּבֶר וּמִמַּגֵּפָה וּמִכָּל צָרָה וְיָגון הַצִּילֵנוּ כִּי לְךָ קִוִּינוּ וְאַל תַּכְלִימֵנוּ ה' אֱלהֵינוּ וְהָאֵר פָּנֶיךָ בָּנוּ וּזְכר לָנוּ אֶת בְּרִית אֲבותֵינוּ וְהושִׁיעֵנוּ לְמַעַן שְׁמֶךָ. רְאֵה בְצָרותֵינוּ וּשְׁמַע קול תְּפִלָּתֵנוּ. כִּי אַתָּה שׁומֵע תְּפִלַּת כָּל פֶּה:
Alstublieft, genadige en barmhartige Koning, gedenk en zie op het verbond tussen de stukken, en moge de binding van de enige zoon voor U verschijnen omwille van Jisraeel; onze Vader, onze Koning, wees ons genadig en antwoord ons, want Uw grote naam wordt over ons genoemd; verricht te allen tijde wonderen; handel met ons naar Uw goedertierenheid, Genadige en Barmhartige; zie en antwoord ons in de tijd van benauwdheid, want het heil behoort U, Eeuwige; onze Vader, onze Koning, onze Toevlucht, handel niet met ons naar het kwaad van onze daden; gedenk Uw ontfermingen, Eeuwige, en Uw goedertierenheden, en verlos ons met de overvloed van Uw goedheid en ontferm U over ons, alstublieft, want wij hebben geen andere god buiten U, onze Rots; verlaat ons niet, Eeuwige, onze God, wees niet ver van ons, want onze ziel is bekneld; van zwaard, van gevangenschap, van pest, van plaag, en van alle benauwdheid en droefenis bevrijd ons, want op U hopen wij, en stel ons niet te schande, Eeuwige, onze God; en doe Uw aangezicht over ons lichten, en gedenk voor ons het verbond van onze vaderen, en verlos ons omwille van Uw naam; zie onze ellende en hoor de stem van ons gebed, want U hoort het gebed van elke mond:
אֵל רַחוּם וְחַנּוּן, רַחֵם עָלֵינוּ וְעַל כָּל מַעֲשיךָ, כִּי אֵין כָּמוךָ ה' אֱלהֵינוּ, אָנָּא שא נָא פְשָׁעֵינוּ. אָבִינוּ מַלְכֵּנוּ צוּרֵנוּ וְגואֲלֵנוּ, אֵל חַי וְקַיָּם הֶחָסִין בַּכּחַ, חָסִיד וְטוב עַל כָּל מַעֲשיךָ, כִּי אַתָּה הוּא ה' אֱלהֵינוּ. אֵל אֶרֶךְ אַפַּיִם וּמָלֵא רַחֲמִים, עֲשה עִמָּנוּ כְּרב רַחֲמֶיךָ, וְהושִׁיעֵנוּ לְמַעַן שְׁמֶךָ. שְׁמַע מַלְכֵּנוּ תְּפִלָּתֵנוּ, וּמִיַּד אויְבֵינוּ הַצִּילֵנוּ. שְׁמַע מַלְכֵּנוּ תְּפִלָתֵנוּ וּמִכָּל צָרָה וְיָגון הַצִּילֵנוּ. אָבִינוּ מַלְכֵּנוּ אַתָּה, וְשִׁמְךָ עָלֵינוּ נִקְרָא, אַל תַּנִּיחֵנוּ. אַל תַּעַזְבֵנ אָבִינוּ, וְאַל תִּטְשֵׁנוּ בּורְאֵנוּ, וְאַל תִּשְׁכָּחֵנוּ יוצְרֵנוּ, כִּי אֵל מֶלֶךְ חַנּוּן וְרַחוּם אָתָּה:
Barmhartige en genadige God, ontferm U over ons en over al Uw werken, want er is niemand als U, Eeuwige, onze God; alstublieft, alstublieft, draag onze overtredingen; onze Vader, onze Koning, onze Rots en onze Verlosser, levende en eeuwige God, machtig in kracht, goedertieren en goed over al Uw werken, want U zijt de Eeuwige, onze God; God, lankmoedig en vol ontferming, handel met ons naar de overvloed van Uw ontfermingen, en verlos ons omwille van Uw naam; hoor, onze Koning, ons gebed, en bevrijd ons uit de hand van onze vijanden; hoor, onze Koning, ons gebed, en bevrijd ons van alle benauwdheid en droefenis; onze Vader, onze Koning, U zijt Hij, en Uw naam wordt over ons genoemd, verlaat ons niet; begeef ons niet, onze Vader, verwerp ons niet, onze Schepper, vergeet ons niet, onze Maker, want U zijt een genadige en barmhartige Koning en God:
אֵין כָּמוךָ חַנּוּן וְרַחוּם ה' אֱלהֵינוּ. אֵין כָּמוךָ אֵל אֶרֶךְ אַפַּיִם וְרַב חֶסֶד וֶאֱמֶת. הושִׁיעֵנוּ בְּרַחֲמֶיךָ הָרַבִּים. מֵרַעַשׁ וּמֵרגֶז הַצִּילֵנוּ: זְכור לַעֲבָדֶיךָ לְאַבְרָהָם לְיִצְחָק וּלְיַעֲקב. אַל תֵּפֶן אֶל קָשְׁיֵנוּ וְאֶל רִשְׁעֵנוּ וְאֶל חַטָּאתֵנוּ שׁוּב מֵחֲרון אַפֶּךָ וְהִנָּחֵם עַל הָרָעָה לְעַמֶּךָ: וְהָסֵר מִמֶּנּוּ מַכַּת הַמָּוֶת כִּי רַחוּם אָתָּה. כִּי כֵן דַּרְכֶּךָ. עושה חֶסֶד חִנָּם בְּכָל דּור וָדור. חוּסָה ה' עַל עַמֶּךָ וְהַצִּילֵנוּ מִזַּעְמֶךָ. וְהָסֵר מִמֶּנּוּ מַכַּת הַמַּגֵּפָה וּגְזֵרָה קָשָׁה. כִּי אַתָּה שׁומֵר יִשרָאֵל: לְךָ אֲדנָי הַצְּדָקָה וְלָנוּ בּשֶׁת הַפָּנִים. מַה נִּתְאונֵן מַה נּאמַר מַה נְּדַבֵּר וּמַה נִּצְטַדָּק: נַחְפְּשה דְרָכֵינוּ וְנַחְקרָה וְנָשׁוּבָה אֵלֶיךָ. כִּי יְמִינְךָ פְשׁוּטָה לְקַבֵּל שָׁבִים: אָנָּא ה' הושִׁיעָה נָּא. אָנָּא ה' הַצְּלִיחָה נָא: אָנָּא ה' עֲנֵנוּ בְיום קָרְאֵנוּ:
Er is niemand als U, genadig en barmhartig, Eeuwige, onze God; er is niemand als U, God, lankmoedig en rijk aan goedertierenheid en waarheid; verlos ons met Uw overvloedige ontfermingen; bevrijd ons van tumult en gramschap; gedenk voor Uw dienaren, voor Abraham, voor Isaäk en voor Jakob; wend U niet tot onze weerspannigheid, noch tot onze goddeloosheid, noch tot onze zonden; wend U af van Uw brandende toorn en bezin U over het kwaad voor Uw volk; en neem van ons de plaag van de dood weg, want U zijt barmhartig, want zo is Uw weg, die vrijelijk goedertierenheid doet in elk geslacht; spaar, Eeuwige, Uw volk, en bevrijd ons van Uw gramschap; en neem van ons de plaag van pest en harde verordening weg, want U zijt de Bewaker van Jisraeel; U, Eeuwige, behoort de gerechtigheid, en ons de schaamte van het gelaat; wat zullen wij klagen, wat zullen wij zeggen, wat zullen wij spreken, hoe zullen wij ons rechtvaardigen; laat ons onze wegen onderzoeken en doorvorsen, en tot U terugkeren, want Uw rechterhand is uitgestrekt om hen te ontvangen die terugkeren; alstublieft, Eeuwige, verlos ons, alstublieft; alstublieft, Eeuwige, doe ons slagen, alstublieft; alstublieft, Eeuwige, antwoord ons op de dag dat wij roepen:
לְךָ ה' חִכִּינוּ. לְךָ ה' קִוִּינוּ. לְךָ ה' נְיַחֵל. אַל תֶּחֱשֶׁה וּתְעַנֵּנוּ. כִּי נָאֲמוּ גּויִם. אָבְדָה תִקְוָתָם. כָּל בֶּרֶךְ וְכָל קומָה לְךָ לְבַד תִּשְׁתַּחֲוֶה: הַפּותֵחַ יָד בִּתְשׁוּבָה לְקַבֵּל פּושְׁעִים וְחַטָּאִים. נִבְהֲלָה נַפְשֵׁנוּ מֵרב עִצְּבונֵנוּ. אַל תִּשְׁכָּחֵנוּ נֶצַח. קוּמָה וְהושִׁיעֵנוּ. כִּי חָסִינוּ בָךְ. אָבִינוּ מַלְכֵּנוּ. אִם אֵין בָּנוּ צְדָקָה וּמַעֲשים טובִים. זְכָר לָנוּ אֶת בְּרִית אֲבותֵינוּ. וְעֵדותֵינוּ בְּכָל יום ה' אֶחָד. הַבִּיטָה בְעָנְיֵנוּ. כִּי רַבּוּ מַכְאובֵינוּ. וְצָרות לְבָבֵנוּ. חוּסָה ה' עָלֵינוּ. וְאַל תִּשְׁפּךְ חֲרונְךָ עָלֵינוּ. כִּי אֲנַחְנוּ עַמְּךָ בְּנֵי בְרִיתֶךָ. אֵל הַבִּיטָה. דַּל כְּבודֵנוּ בַּגּויִים וְשִׁקְּצוּנוּ כְּטֻמְאַת הַנִּדָּה. עַד מָתַי עֻזְּךָ בַּשְּׁבִי. וְתִפְאַרְתְּךָ בְּיַד צָר. עורְרָה גְבוּרָתְךָ וְקִנְאָתְךָ עַל אויְבֶיךָ. הֵם יֵבושׁוּ וְיֵחַתּוּ מִגְבוּרָתָם. וְאַל יִמְעֲטוּ לְפָנֶיךָ תְּלָאותֵינוּ. מַהֵר יְקַדְּמוּנוּ רַחֲמֶיךָ בְּיום צָרָתֵנוּ. וְאִם לא לְמַעֲנֵנוּ לְמַעַנְךָ פְּעַל. וְאַל תַּשְׁחִית זֵכֶר שְׁאֵרִיתֵנוּ וְחון אם הַמְיַחֲדִים שִׁמְךָ פַּעֲמַיִם בְּכָל יום תָּמִיד בְּאַהֲבָה וְאומְרִים שְׁמַע יִשרָאֵל. ה' אֱלהֵינוּ. ה' אֶחָד:
Op U, Eeuwige, hebben wij gewacht; op U, Eeuwige, hebben wij gehoopt; op U, Eeuwige, zien wij; zwijg niet, maar antwoord ons; want de naties zeggen: Hun hoop is verloren; elke knie en elke gestalte zal zich voor U alleen buigen; U die een hand opent in inkeer om overtreders en zondaars te ontvangen, onze ziel is verschrikt door de overvloed van onze droefenis; vergeet ons niet voor eeuwig; sta op en verlos ons, want wij hebben in U onze toevlucht genomen; onze Vader, onze Koning, indien wij geen gerechtigheid of goede daden hebben, gedenk voor ons het verbond van onze vaderen, en ons getuigenis elke dag, De Eeuwige is Eén; zie op onze ellende, want onze pijnen zijn vermenigvuldigd, en de benauwdheden van ons hart; spaar, Eeuwige, ons, en stort Uw gramschap niet over ons uit, want wij zijn Uw volk, de kinderen van Uw verbond; God, zie, onze eer is verminderd onder de naties, en zij verachten ons als de onreinheid van een menstruerende vrouw; hoe lang zal Uw kracht in gevangenschap zijn, en Uw heerlijkheid in de hand van de vijand; wek Uw macht en Uw ijver op tegen Uw vijanden; laat hen beschaamd en verschrikt worden van hun macht; en mogen onze ellenden niet verminderd worden voor U; laat Uw ontfermingen ons spoedig tegemoet komen op de dag van onze benauwdheid; en zo niet omwille van ons, handel dan omwille van Uzelf, en verdelg de gedachtenis van ons overblijfsel niet; en ontferm U over het volk dat tweemaal elke dag voortdurend met liefde Uw naam belijdt, zeggende: Hoor, Jisraeel, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is Eén:
נפילת אפיים
Nefilat Apajim
וַיּאמֶר דָּוִד אֶל גָּד, צַר לִי מְאד, נִפְּלָה נָּא בְיַד ה', כִּי רַבִּים רַחֲמָיו, וּבְיַד אָדָם אַל אֶפּלָה:
En David zei tot Gad, ik verkeer in grote nood; laat ons toch vallen in de hand van de Eeuwige, want Zijn barmhartigheden zijn talrijk, maar laat mij niet vallen in de hand van de mens:
רַחוּם וְחַנּוּן חָטָאתִי לְפָנֶיךָ. ה' מָלֵא רַחֲמִים. רַחֵם עָלַי וְקַבֵּל תַּחֲנוּנָי: ה' אַל בְּאַפְּךָ תוכִיחֵנִי. וְאַל בַּחֲמָתְךָ תְיַסְּרֵנִי: חָנֵּנִי ה'. כִּי אֻמְלַל אָנִי. רְפָאֵנִי ה'. כִּי נִבְהֲלוּ עֲצָמָי: וְנַפְשִׁי נִבְהֲלָה מְאד. וְאַתָּה ה' עַד מָתָי: שׁוּבָה ה'. חַלְּצָה נַפְשִׁי. הושִׁיעֵנִי לְמַעַן חַסְדֶּךָ: כִּי אֵין בַּמָּוֶת זִכְרֶךָ. בִּשְׁאול מִי יודֶה לָּךְ: יָגַעְתִּי בְאַנְחָתִי. אַשחֶה בְכָל לַיְלָה מִטָּתִי. בְּדִמְעָתִי עַרְשי אַמְסֶה: עָשְׁשָׁה מִכַּעַס עֵינִי. עָתְקָה בְּכָל צורְרָי: סוּרוּ מִמֶּנִּי כָּל פּעֲלֵי אָוֶן. כִּי שָׁמַע ה' קול בִּכְיִי: שָׁמַע ה' תְּחִנָּתִי. ה' תְּפִלָּתִי יִקָּח: יֵבשׁוּ וְיִבָּהֲלוּ מְאד כָּל איְבָי. יָשֻׁבוּ יֵבשׁוּ רָגַע:
Barmhartige en Genadige, ik heb voor U gezondigd; Eeuwige, vol van barmhartigheid, ontferm U over mij en aanvaard mijn smekingen; Eeuwige, bestraf mij niet in Uw toorn, en tuchtig mij niet in Uw gramschap; wees mij genadig, Eeuwige, want ik kwijn weg; genees mij, Eeuwige, want mijn beenderen zijn ontsteld; en mijn ziel is zeer ontsteld; en Gij, Eeuwige, hoelang nog; keer terug, Eeuwige, bevrijd mijn ziel; red mij omwille van Uw goedheid; want in de dood is er geen gedachtenis aan U; in het dodenrijk, wie zal U danken; ik ben moe van mijn kreunen; elke nacht overstroom ik mijn bed; met mijn tranen doordrenk ik mijn rustbank; mijn oog kwijnt weg van verdriet; het wordt zwak vanwege al mijn tegenstanders; wijk van mij, gij allen die ongerechtigheid bedrijft, want de Eeuwige heeft het geluid van mijn wenen gehoord; de Eeuwige heeft mijn smeking gehoord; de Eeuwige zal mijn gebed aanvaarden; mogen al mijn vijanden beschaamd en zeer ontsteld worden; mogen zij zich omkeren en plotseling beschaamd worden:
בימים שאינם שני וחמישי, המשך עם "שומר ישראל”
Op andere dagen dan maandag en donderdag vervolgt men met “Bewaker van Jisraeel”
ה' אֱלהֵי יִשרָאֵל. שׁוּב מֵחֲרון אַפֶּךָ וְהִנָּחֵם עַל הָרָעָה לְעַמֶּךָ: הַבֵּט מִשָּׁמַיִם וּרְאֵה כִּי הָיִינוּ לַעַג וָקֶלֶס בַּגּויִם. נֶחְשַׁבְנוּ כַּצּאן לַטֶּבַח יוּבָל. לַהֲרוג וּלְאַבֵּד וּלְמַכָּה וּלְחֶרְפָּה: וּבְכָל זאת שִׁמְךָ לא שָׁכָחְנוּ. נָא אַל תִּשְׁכָּחֵנוּ:
Eeuwige, God van Jisraeel, wend U af van Uw brandende toorn en bezin U over het kwaad voor Uw volk; zie uit de hemel en aanschouw, want wij zijn tot spot en hoon geworden onder de naties; wij worden gerekend als schapen die ter slachting geleid worden, om gedood en verdelgd te worden, geslagen en gesmaad; en toch, ondanks dit alles, hebben wij Uw naam niet vergeten; vergeet ons toch niet:
ה' אֱלהֵי יִשרָאֵל. שׁוּב מֵחֲרון אַפֶּךָ וְהִנָּחֵם עַל הָרָעָה לְעַמֶּךָ:
Eeuwige, God van Jisraeel, wend U af van Uw brandende toorn en bezin U over het kwaad voor Uw volk:
זָרִים אומְרִים אֵין תּוחֶלֶת וְתִקְוָה. חון אום לְשִׁמְךָ מְקַוֶּה. טָהור. יְשׁוּעָתֵנוּ קָרְבָה. יָגַעְנוּ וְלא הוּנַח לָנוּ. רַחֲמֶיךָ יִכְבְּשׁוּ אֶת כַּעַסְךָ מֵעָלֵינוּ: אָנָּא שׁוּב מֵחֲרונְךָ וְרַחֵם סְגֻלָּה אֲשֶׁר בָּחָרְתָּ:
Vreemden zeggen dat er geen hoop of verwachting is; ontferm U over een volk dat op Uw naam hoopt; Reine, ons heil is nabij; wij zijn vermoeid en hebben geen rust gevonden; laat Uw ontfermingen Uw toorn jegens ons overwinnen; wend U toch af van Uw gramschap en ontferm U over de schat die U verkoren hebt:
ה' אֱלהֵי יִשרָאֵל. שׁוּב מֵחֲרון אַפֶּךָ וְהִנָּחֵם עַל הָרָעָה לְעַמֶּךָ:
Eeuwige, God van Jisraeel, wend U af van Uw brandende toorn en bezin U over het kwaad voor Uw volk:
חוּסָה ה' עָלֵינוּ בְּרַחֲמֶיךָ וְאַל תִּתְּנֵנוּ בִּידֵי אַכְזָרִים. לָמָּה יאמְרוּ הַגּויִם אַיֵּה נָא אֱלהֵיהֶם. לְמַעַנְךָ עֲשה עִמָּנוּ חֶסֶד וְאַל תְּאַחַר: אָנָּא שׁוּב מֵחֲרונְךָ וְרַחֵם סְגֻלָּה אֲשֶׁר בָּחָרְתָּ:
Spaar, Eeuwige, ons met Uw ontfermingen, en lever ons niet over in de handen van wreden; waarom zouden de naties zeggen: Waar toch is hun God; omwille van Uzelf, handel goedertieren met ons en draal niet; wend U toch af van Uw gramschap en ontferm U over de schat die U verkoren hebt:
ה' אֱלהֵי יִשרָאֵל. שׁוּב מֵחֲרון אַפֶּךָ וְהִנָּחֵם עַל הָרָעָה לְעַמֶּךָ:
Eeuwige, God van Jisraeel, wend U af van Uw brandende toorn en bezin U over het kwaad voor Uw volk:
קולֵנוּ תִשְׁמַע וְתָחון. וְאַל תִּטְּשֵׁנוּ בְּיַד איְבֵינוּ לִמְחות אֶת שְׁמֵנוּ. זְכר אֲשֶׁר נִשְׁבַּעְתָּ לַאֲבותֵינוּ כְּכוכְבֵי הַשָּׁמַיִם אַרְבֶּה אֶת זַרְעֲכֶם. וְעַתָּה נִשְׁאַרְנוּ מְעַט מֵהַרְבֵּה: וּבְכָל זאת שִׁמְךָ לא שָׁכָחְנוּ. נָא אַל תִּשְׁכָּחֵנוּ:
Moge U onze stem horen en U ontfermen; en werp ons niet in de hand van onze vijanden om onze naam uit te wissen; gedenk wat U onze vaderen gezworen hebt: Als de sterren van de hemel zal Ik uw nageslacht vermenigvuldigen; en nu zijn wij weinigen overgebleven uit velen; en toch, ondanks dit alles, hebben wij Uw naam niet vergeten; vergeet ons toch niet:
ה' אֱלהֵי יִשרָאֵל. שׁוּב מֵחֲרון אַפֶּךָ וְהִנָּחֵם עַל הָרָעָה לְעַמֶּךָ:
Eeuwige, God van Jisraeel, wend U af van Uw brandende toorn en bezin U over het kwaad voor Uw volk:
עָזְרֵנוּ אֱלהֵי יִשְׁעֵנוּ עַל דְּבַר כְּבוד שְׁמֶךָ. וְהַצִּילֵנוּ וְכַפֵּר עַל חַטּאתֵינוּ לְמַעַן שְׁמֶךָ:
Help ons, God van ons heil, omwille van de eer van Uw naam; en bevrijd ons en verzoen onze zonden omwille van Uw naam:
ה' אֱלהֵי יִשרָאֵל. שׁוּב מֵחֲרון אַפֶּךָ וְהִנָּחֵם עַל הָרָעָה לְעַמֶּךָ:
Eeuwige, God van Jisraeel, wend U af van Uw brandende toorn en bezin U over het kwaad voor Uw volk:
שׁומֵר יִשרָאֵל. שְׁמר שְׁאֵרִית יִשרָאֵל. וְאַל יאבַד יִשרָאֵל. הָאומְרִים שְׁמַע יִשרָאֵל:
שׁומֵר גּוי אֶחָד. שְׁמר שְׁאֵרִית עַם אֶחָד. וְאַל יאבַד גּוי אֶחָד. הַמְיַחֲדִים שִׁמְךָ ה' אֱלהֵינוּ ה' אֶחָד:
שׁומֵר גּוי קָדושׁ. שְׁמר שְׁאֵרִית עַם קָדושׁ. וְאַל יאבַד גּוי קָדושׁ. הַמְשַׁלְּשִׁים בְּשָׁלשׁ קְדֻשּׁות לְקָדושׁ:
Behoeder van Israël, behoed het overblijfsel van Israël, en laat Israël niet vergaan, die zeggen, Hoor Israël:
Behoeder van één volk, behoed het overblijfsel van één volk, en laat één volk niet vergaan, die Uw Naam tot eenheid maken, Eeuwige onze God, de Eeuwige is Eén:
Behoeder van een heilig volk, behoed het overblijfsel van een heilig volk, en laat een heilig volk niet vergaan, die de heiligheid drievoudig herhalen tot de Heilige:
מִתְרַצֶּה בְּרַחֲמִים וּמִתְפַּיֵּס בְּתַחֲנוּנִים. הִתְרַצֶּה וְהִתְפַּיֵּס לְדור עָנִי. כִּי אֵין עוזֵר: אָבִינוּ מַלְכֵּנוּ. חָנֵּנוּ וַעֲנֵנוּ. כִּי אֵין בָּנוּ מַעֲשים. עֲשה עִמָּנוּ צְדָקָה וָחֶסֶד וְהושִׁיעֵנוּ:
וַאֲנַחְנוּ לא נֵדַע מַה נַּעֲשה. כִּי עָלֶיךָ עֵינֵינוּ: זְכר רַחֲמֶיךָ ה' וַחֲסָדֶיךָ. כִּי מֵעולָם הֵמָּה: יְהִי חַסְדְּךָ ה' עָלֵינוּ. כַּאֲשֶׁר יִחַלְנוּ לָךְ: אַל תִּזְכָּר לָנוּ עֲונות רִאשׁונִים. מַהֵר יְקַדְּמוּנוּ רַחֲמֶיךָ. כִּי דַלּונוּ מְאד: חָנֵּנוּ ה' חָנֵּנוּ. כִּי רַב שבַעְנוּ בוּז:
בְּרגֶז רַחֵם תִּזְכּור. כִּי הוּא יָדַע יִצְרֵנוּ. זָכוּר כִּי עָפָר אֲנָחְנוּ: עָזְרֵנוּ אֱלהֵי יִשְׁעֵנוּ עַל דְּבַר כְּבוד שְׁמֶךָ. וְהַצִּילֵנוּ וְכַפֵּר עַל חַטּאתֵינוּ לְמַעַן שְׁמֶךָ:
Hij die zich met barmhartigheid laat verbidden en met smekingen laat verzoenen: laat U verbidden en verzoenen jegens een arm geslacht, want er is geen helper. Onze Vader, onze Koning, wees ons genadig en antwoord ons, want er zijn in ons geen daden; doe met ons gerechtigheid en goedertierenheid en red ons.
En wij weten niet wat wij moeten doen, want op U zijn onze ogen gericht. Gedenk Uw ontferming, Eeuwige, en Uw genade, want zij zijn van eeuwigheid. Moge Uw goedertierenheid, Eeuwige, over ons zijn, zoals wij op U hopen. Gedenk ons de vroegere zonden niet; laat Uw ontferming ons spoedig tegemoet komen, want wij zijn zeer verzwakt. Wees ons genadig, Eeuwige, wees ons genadig, want wij zijn meer dan verzadigd van smaad.
Gedenk in toorn de barmhartigheid; want Hij kent onze aard, Hij gedenkt dat wij stof zijn. Help ons, God van ons heil, omwille van de eer van Uw Naam; en red ons en verzoen onze zonden omwille van Uw Naam.
חזן:
Voorzanger:
יִתְגַּדַּל וְיִתְקַדַּשׁ שְׁמֵהּ רַבָּא. [קהל: אמן]
Moge Zijn grote naam verheven en geheiligd worden; [Gemeente: Amen]
בְּעָלְמָא דִּי בְרָא כִרְעוּתֵהּ וְיַמְלִיךְ מַלְכוּתֵהּ בְּחַיֵּיכון וּבְיומֵיכון וּבְחַיֵּי דְכָל בֵּית יִשרָאֵל בַּעֲגָלָא וּבִזְמַן קָרִיב, וְאִמְרוּ אָמֵן: [קהל: אמן]
In de wereld die Hij naar Zijn wil geschapen heeft, en moge Hij Zijn koningschap vestigen tijdens uw leven en in uw dagen, en tijdens het leven van het gehele huis van Jisraeel, spoedig en weldra, en zegt: Amen; [Gemeente: Amen]
קהל וחזן:
Gemeente en voorzanger:
יְהֵא שְׁמֵהּ רַבָּא מְבָרַךְ לְעָלַם וּלְעָלְמֵי עָלְמַיָּא: יִתְבָּרַךְ וְיִשְׁתַּבַּח וְיִתְפָּאַר וְיִתְרומַם וְיִתְנַשּא וְיִתְהַדָּר וְיִתְעַלֶּה וְיִתְהַלָּל שְׁמֵהּ דְּקֻדְשָׁא. בְּרִיךְ הוּא. [קהל: בריך הוא:]
Moge Zijn grote naam gezegend zijn voor eeuwig en in alle eeuwigheid; moge gezegend, geprezen, verheerlijkt, verhoogd, geroemd, geëerd, opgeheven en bezongen worden de naam van de Heilige, gezegend zij Hij; [Gemeente: Gezegend zij Hij]
לְעֵלָּא מִן כָּל בִּרְכָתָא וְשִׁירָתָא תֻּשְׁבְּחָתָא וְנֶחֱמָתָא דַּאֲמִירָן בְּעָלְמָא. וְאִמְרוּ אָמֵן: [קהל: אמן]
Boven alle zegeningen en lofzangen, lofprijzingen en vertroostingen die in de wereld worden uitgesproken; en zegt: Amen; [Gemeente: Amen]