שִׁיר מִזְמוֹר לְדָוִד:
Een lied, een psalm van David.
נָכוֹן לִבִּי אֱלֹהִים אָשִׁירָה וַאֲזַמְּרָה אַף כְּבוֹדִי:
Mijn hart is standvastig, o God; ik zal zingen en muziek spelen, ja, met mijn eer.
עוּרָה הַנֵּבֶל וְכִנּוֹר אָעִירָה שָּׁחַר:
Ontwaak, harp en lier; ik zal de dageraad wekken.
אוֹדְךָ בָעַמִּים יְהוָה וַאֲזַמֶּרְךָ בַּלְאֻמִּים:
Ik zal U danken onder de volken, Eeuwige, en ik zal U lofzingen onder de koninkrijken.
כִּי גָדוֹל מֵעַל שָׁמַיִם חַסְדֶּךָ וְעַד שְׁחָקִים אֲמִתֶּךָ:
Want Uw goedertierenheid is groot boven de hemel, en Uw waarheid reikt tot de wolken.
רוּמָה עַל שָׁמַיִם אֱלֹהִים וְעַל כָּל הָאָרֶץ כְּבוֹדֶךָ:
Verhef U boven de hemel, Eeuwige, en boven heel de aarde zij Uw heerlijkheid.
לְמַעַן יֵחָלְצוּן יְדִידֶיךָ הוֹשִׁיעָה יְמִינְךָ וַעֲנֵנִי:
Opdat Uw geliefden bevrijd worden, verlos met Uw rechterhand en antwoord mij.
אֱלֹהִים דִּבֶּר בְּקָדְשׁוֹ אֶעְלֹזָה אֲחַלְּקָה שְׁכֶם וְעֵמֶק סֻכּוֹת אֲמַדֵּד:
God heeft in Zijn heiligheid gesproken, dat ik mij zou verheugen, dat ik een deel zou toewijzen, en dat ik het dal van Soekot zou opmeten.
לִי גִלְעָד לִי מְנַשֶּׁה וְאֶפְרַיִם מָעוֹז רֹאשִׁי יְהוּדָה מְחֹקְקִי:
Gilead is van mij, Manasse is van mij, en Efraim is de sterkte van mijn hoofd; Juda is mijn heerser.
מוֹאָב סִיר רַחְצִי עַל אֱדוֹם אַשְׁלִיךְ נַעֲלִי עֲלֵי פְלֶשֶׁת אֶתְרוֹעָע:
Moab is mijn waskom, op Edom zal ik mijn schoen werpen; over Filistea zal ik juichen.
מִי יֹבִלֵנִי עִיר מִבְצָר מִי נָחַנִי עַד אֱדוֹם:
Wie zal mij naar de versterkte stad brengen? Hij Die mij naar Edom geleid heeft.
הֲלֹא אֱלֹהִים זְנַחְתָּנוּ וְלֹא תֵצֵא אֱלֹהִים בְּצִבְאֹתֵינוּ:
Bent U het niet, o God, Die ons verlaten hebt, en trekt U niet, Eeuwige, met onze heerscharen uit?
הָבָה לָּנוּ עֶזְרָת מִצָּר וְשָׁוְא תְּשׁוּעַת אָדָם:
Geef ons hulp tegen de tegenstander, want de redding door de mens is ijdel.
בֵּאלֹהִים נַעֲשֶׂה חָיִל וְהוּא יָבוּס צָרֵינוּ:
Met God zullen wij kracht verzamelen, en Hij zal onze tegenstanders vertrappen.