בְּצֵאת יִשְׂרָאֵל מִמִּצְרָיִם בֵּית יַעֲקֹב מֵעַם לֹעֵז:
Toen Israël uit Egypte vertrok, het huis van Jakob uit een volk van een vreemde taal,
הָיְתָה יְהוּדָה לְקָדְשׁוֹ יִשְׂרָאֵל מַמְשְׁלוֹתָיו:
werd Juda Zijn heilige volk, Israël Zijn heerschappij.
הַיָּם רָאָה וַיָּנֹס הַיַּרְדֵּן יִסֹּב לְאָחוֹר:
De zee zag het en vluchtte; de Jordaan keerde achterwaarts.
הֶהָרִים רָקְדוּ כְאֵילִים גְּבָעוֹת כִּבְנֵי צֹאן:
De bergen dansten als rammen, de heuvels als jonge schapen.
מַה לְּךָ הַיָּם כִּי תָנוּס הַיַּרְדֵּן תִּסֹּב לְאָחוֹר:
Wat verschrikt u, o zee, dat gij vlucht? O Jordaan, dat gij achterwaarts keert?
הֶהָרִים תִּרְקְדוּ כְאֵילִים גְּבָעוֹת כִּבְנֵי צֹאן:
Gij bergen, dat gij danst als rammen; gij heuvels, als jonge schapen?
מִלִּפְנֵי אָדוֹן חוּלִי אָרֶץ מִלִּפְנֵי אֱלוֹהַּ יַעֲקֹב:
Voor het aangezicht van de Meester, die de aarde schiep, voor het aangezicht van de God van Jakob,
הַהֹפְכִי הַצּוּר אֲגַם מָיִם חַלָּמִישׁ לְמַעְיְנוֹ מָיִם:
die de rots verandert in een waterpoel, de keisteen in een waterbron.