שִׁיר הַמַּעֲלוֹת אֵלֶיךָ נָשָׂאתִי אֶת עֵינַי הַיֹּשְׁבִי בַּשָּׁמָיִם:
Een lied van de opgangen. Tot U hef ik mijn ogen op, U Die in de hemel woont.
הִנֵּה כְעֵינֵי עֲבָדִים אֶל יַד אֲדוֹנֵיהֶם כְּעֵינֵי שִׁפְחָה אֶל יַד גְּבִרְתָּהּ כֵּן עֵינֵינוּ אֶל יְהוָה אֱלֹהֵינוּ עַד שֶׁיְּחָנֵּנוּ:
Zie, zoals de ogen van slaven gericht zijn op de hand van hun meesters, zoals de ogen van een dienstmaagd op de hand van haar meesteres, zo zijn onze ogen gericht op de Eeuwige, onze God, totdat Hij ons genadig is.
חָנֵּנוּ יְהוָה חָנֵּנוּ כִּי רַב שָׂבַעְנוּ בוּז:
Wees ons genadig, Eeuwige, wees ons genadig, want wij zijn meer dan verzadigd van verachting.
רַבַּת שָׂבְעָה לָּהּ נַפְשֵׁנוּ הַלַּעַג הַשַּׁאֲנַנִּים הַבּוּז לִגְאֵיוֹנִים (לִגְאֵי יוֹנִים):
Onze ziel is meer dan verzadigd van de spot van de zorgelozen, de verachting jegens de hoogmoedigen.