שִׁיר הַמַּעֲלוֹת רַבַּת צְרָרוּנִי מִנְּעוּרַי יֹאמַר נָא יִשְׂרָאֵל:
Een lied van de opgangen. Veel hebben zij mij benauwd van mijn jeugd af, zal Israeel nu zeggen.
רַבַּת צְרָרוּנִי מִנְּעוּרָי גַּם לֹא יָכְלוּ לִי:
Veel hebben zij mij benauwd van mijn jeugd af, maar zij hebben mij toch niet overweldigd.
עַל גַּבִּי חָרְשׁוּ חֹרְשִׁים הֶאֱרִיכוּ (למענותם) לְמַעֲנִיתָם:
Op mijn rug hebben de ploegers geploegd; zij trokken hun voren lang.
יְהוָה צַדִּיק קִצֵּץ עֲבוֹת רְשָׁעִים:
De Eeuwige is rechtvaardig; Hij zal de touwen van de goddelozen doorsnijden.
יֵבֹשׁוּ וְיִסֹּגוּ אָחוֹר כֹּל שֹׂנְאֵי צִיּוֹן:
Mogen allen die Sion haten beschaamd worden en terugwijken.
יִהְיוּ כַּחֲצִיר גַּגּוֹת שֶׁקַּדְמַת שָׁלַף יָבֵשׁ:
Mogen zij zijn als het gras op de daken, dat verdort voordat het wordt uitgetrokken.
שֶׁלֹּא מִלֵּא כַפּוֹ קוֹצֵר וְחִצְנוֹ מְעַמֵּר:
Waarmee de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm.
וְלֹא אָמְרוּ הָעֹבְרִים בִּרְכַּת יְהוָה אֲלֵיכֶם בֵּרַכְנוּ אֶתְכֶם בְּשֵׁם יְהוָה:
En de voorbijgangers zeggen niet: "Moge de zegen van de Eeuwige over u zijn; wij zegenen u in de Naam van de Eeuwige."