שִׁיר הַמַּעֲלוֹת מִמַּעֲמַקִּים קְרָאתִיךָ יְהוָה:
Een lied van de opgangen. Uit de diepten heb ik tot U geroepen, Eeuwige.
אֲדֹנָי שִׁמְעָה בְקוֹלִי תִּהְיֶינָה אָזְנֶיךָ קַשֻּׁבוֹת לְקוֹל תַּחֲנוּנָי:
Eeuwige, hoor naar mijn stem; mogen Uw oren opmerkzaam zijn op de stem van mijn smekingen.
אִם עֲוֹנוֹת תִּשְׁמָר יָהּ אֲדֹנָי מִי יַעֲמֹד:
God, als U de ongerechtigheden zou bijhouden, Eeuwige, wie zou dan kunnen bestaan?
כִּי עִמְּךָ הַסְּלִיחָה לְמַעַן תִּוָּרֵא:
Maar bij U is vergeving, opdat U gevreesd wordt.
קִוִּיתִי יְהוָה קִוְּתָה נַפְשִׁי וְלִדְבָרוֹ הוֹחָלְתִּי:
Ik hoopte, Eeuwige; ja, mijn ziel hoopte, en ik wacht op Zijn woord.
נַפְשִׁי לַאדֹנָי מִשֹּׁמְרִים לַבֹּקֶר שֹׁמְרִים לַבֹּקֶר:
Mijn ziel wacht op de Eeuwige, meer dan zij die wachten op de morgen, zij die wachten op de morgen.
יַחֵל יִשְׂרָאֵל אֶל יְהוָה כִּי עִם יְהוָה הַחֶסֶד וְהַרְבֵּה עִמּוֹ פְדוּת:
Israeel, hoop op de Eeuwige, want bij de Eeuwige is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.
וְהוּא יִפְדֶּה אֶת יִשְׂרָאֵל מִכֹּל עֲוֹנֹתָיו:
En Hij zal Israeel verlossen van al hun ongerechtigheden.