לְדָוִד אוֹדְךָ בְכָל לִבִּי נֶגֶד אֱלֹהִים אֲזַמְּרֶךָּ:
Van David. Ik zal U danken met heel mijn hart; voor de vorsten zal ik Uw lof zingen.
אֶשְׁתַּחֲוֶה אֶל הֵיכַל קָדְשְׁךָ וְאוֹדֶה אֶת שְׁמֶךָ עַל חַסְדְּךָ וְעַל אֲמִתֶּךָ כִּי הִגְדַּלְתָּ עַל כָּל שִׁמְךָ אִמְרָתֶךָ:
Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilige Tempel, en ik zal Uw Naam danken om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid, want U hebt Uw woord groot gemaakt boven al Uw namen.
בְּיוֹם קָרָאתִי וַתַּעֲנֵנִי תַּרְהִבֵנִי בְנַפְשִׁי עֹז:
Op de dag dat ik riep en U mij antwoordde; U maakte mij groot door kracht in mijn ziel te leggen.
יוֹדוּךָ יְהוָה כָּל מַלְכֵי אָרֶץ כִּי שָׁמְעוּ אִמְרֵי פִיךָ:
Eeuwige, alle koningen van de aarde zullen U erkennen, want zij hoorden de woorden van Uw mond.
וְיָשִׁירוּ בְּדַרְכֵי יְהוָה כִּי גָדוֹל כְּבוֹד יְהוָה:
En zij zullen zingen van de wegen van de Eeuwige, want groot is de heerlijkheid van de Eeuwige.
כִּי רָם יְהוָה וְשָׁפָל יִרְאֶה וְגָבֹהַּ מִמֶּרְחָק יְיֵדָע:
Want de Eeuwige is verheven, maar Hij ziet de nederige, en de hoogmoedige kent Hij van verre.
אִם אֵלֵךְ בְּקֶרֶב צָרָה תְּחַיֵּנִי עַל אַף אֹיְבַי תִּשְׁלַח יָדֶךָ וְתוֹשִׁיעֵנִי יְמִינֶךָ:
Al loop ik te midden van benauwdheid, U houdt mij in leven; tegen de toorn van mijn vijanden strekt U Uw hand uit, en Uw rechterhand redt mij.
יְהוָה יִגְמֹר בַּעֲדִי יְהוָה חַסְדְּךָ לְעוֹלָם מַעֲשֵׂי יָדֶיךָ אַל תֶּרֶף:
Moge de Eeuwige het voor mij voltooien; o Eeuwige, Uw goedertierenheid is eeuwig. Laat het werk van Uw handen niet los.