לַמְנַצֵּחַ מִזְמוֹר לְדָוִד:
Voor de koorleider, een lied van David.
חַלְּצֵנִי יְהוָה מֵאָדָם רָע מֵאִישׁ חֲמָסִים תִּנְצְרֵנִי:
Red mij, o Eeuwige, van de slechte mens; voor de man van geweld behoed mij.
אֲשֶׁר חָשְׁבוּ רָעוֹת בְּלֵב כָּל יוֹם יָגוּרוּ מִלְחָמוֹת:
Zij beramen boze dingen in hun hart; elke dag komen zij bijeen om oorlog te voeren.
שָׁנֲנוּ לְשׁוֹנָם כְּמוֹ נָחָשׁ חֲמַת עַכְשׁוּב תַּחַת שְׂפָתֵימוֹ סֶלָה:
Zij scherpen hun tong als een slang; addergif is onder hun lippen, voor altijd.
שָׁמְרֵנִי יְהוָה מִידֵי רָשָׁע מֵאִישׁ חֲמָסִים תִּנְצְרֵנִי אֲשֶׁר חָשְׁבוּ לִדְחוֹת פְּעָמָי:
Behoed mij, o Eeuwige, voor de handen van de goddeloze; voor de man van geweld bescherm mij, die erop zint mijn voeten te doen wankelen.
טָמְנוּ גֵאִים פַּח לִי וַחֲבָלִים פָּרְשׂוּ רֶשֶׁת לְיַד מַעְגָּל מֹקְשִׁים שָׁתוּ לִי סֶלָה:
Hoogmoedigen hebben voor mij een strik verborgen, en met touwen spreidden zij een net langs het pad; voortdurend hebben zij vallen voor mij gezet.
אָמַרְתִּי לַיהוָה אֵלִי אָתָּה הַאֲזִינָה יְהוָה קוֹל תַּחֲנוּנָי:
Ik zei tot de Eeuwige: “U bent mijn God.” Luister, o Eeuwige, naar de stem van mijn smeekbeden.
יְהוִֹה אֲדֹנָי עֹז יְשׁוּעָתִי סַכֹּתָה לְרֹאשִׁי בְּיוֹם נָשֶׁק:
God, o Eeuwige, de kracht van mijn redding; U beschermt mijn hoofd op de dag van de strijd.
אַל תִּתֵּן יְהוָה מַאֲוַיֵּי רָשָׁע זְמָמוֹ אַל תָּפֵק יָרוּמוּ סֶלָה:
O Eeuwige, vervul de begeerten van de goddeloze niet; laat zijn plannen niet slagen, opdat zij zich niet verheffen.
רֹאשׁ מְסִבָּי עֲמַל שְׂפָתֵימוֹ (יכסומו) יְכַסֵּמוֹ:
Wat het hoofd betreft van hen die mij omsingelen, moge het onheil van hun lippen hen overdekken.
(ימיטו) יִמּוֹטוּ עֲלֵיהֶם גֶּחָלִים בָּאֵשׁ יַפִּלֵם בְּמַהֲמֹרוֹת בַּל יָקוּמוּ:
Laat gloeiende kolen op hen vallen; Hij werpt hen in het vuur, in diepe kuilen, zodat zij niet opstaan.
אִישׁ לָשׁוֹן בַּל יִכּוֹן בָּאָרֶץ אִישׁ חָמָס רָע יְצוּדֶנּוּ לְמַדְחֵפֹת:
Een lastertong houdt op aarde geen stand; een man van geweld, het kwaad jaagt hem op, slag op slag.
(ידעת) יָדַעְתִּי כִּי יַעֲשֶׂה יְהוָה דִּין עָנִי מִשְׁפַּט אֶבְיֹנִים:
Ik weet dat de Eeuwige recht zal doen aan de arme, en recht zal verschaffen aan de behoeftige.
אַךְ צַדִּיקִים יוֹדוּ לִשְׁמֶךָ יֵשְׁבוּ יְשָׁרִים אֶת פָּנֶיךָ:
Voorzeker, de rechtvaardigen zullen Uw Naam danken; de oprechten zullen voor Uw aangezicht wonen.