מַשְׂכִּיל לְדָוִד בִּהְיוֹתוֹ בַמְּעָרָה תְפִלָּה:
Een maskil van David, toen hij in de grot was, een gebed.
קוֹלִי אֶל יְהוָה אֶזְעָק קוֹלִי אֶל יְהוָה אֶתְחַנָּן:
Met mijn stem roep ik tot de Eeuwige; met mijn stem smeek ik de Eeuwige.
אֶשְׁפֹּךְ לְפָנָיו שִׂיחִי צָרָתִי לְפָנָיו אַגִּיד:
Ik stort mijn klacht voor Hem uit; mijn benauwdheid leg ik voor Hem neer.
בְּהִתְעַטֵּף עָלַי רוּחִי וְאַתָּה יָדַעְתָּ נְתִיבָתִי בְּאֹרַח זוּ אֲהַלֵּךְ טָמְנוּ פַח לִי:
Wanneer mijn geest in mij versmacht, dan kent U mijn pad. Op de weg waarop ik ga, hebben zij voor mij een strik verborgen.
הַבֵּיט יָמִין וּרְאֵה וְאֵין לִי מַכִּיר אָבַד מָנוֹס מִמֶּנִּי אֵין דּוֹרֵשׁ לְנַפְשִׁי:
Kijk ik naar rechts en zie ik, dan is er niemand die mij kent; alle toevlucht is voor mij verloren; niemand vraagt naar mijn ziel.
זָעַקְתִּי אֵלֶיךָ יְהוָה אָמַרְתִּי אַתָּה מַחְסִי חֶלְקִי בְּאֶרֶץ הַחַיִּים:
Ik roep tot U, o Eeuwige; ik zeg: “U bent mijn toevlucht, mijn deel in het land van de levenden.”
הַקְשִׁיבָה אֶל רִנָּתִי כִּי דַלּוֹתִי מְאֹד הַצִּילֵנִי מֵרֹדְפַי כִּי אָמְצוּ מִמֶּנִּי:
Luister naar mijn roepen, want ik ben zeer verzwakt; red mij van mijn vervolgers, want zij zijn sterker dan ik.
הוֹצִיאָה מִמַּסְגֵּר נַפְשִׁי לְהוֹדוֹת אֶת שְׁמֶךָ בִּי יַכְתִּרוּ צַדִּיקִים כִּי תִגְמֹל עָלָי:
Voer mijn ziel uit de gevangenis om Uw Naam te danken; om mij heen zullen de rechtvaardigen zich verzamelen, want U doet mij wel.