מִזְמוֹר לְדָוִד יְהוָה שְׁמַע תְּפִלָּתִי הַאֲזִינָה אֶל תַּחֲנוּנַי בֶּאֱמֻנָתְךָ עֲנֵנִי בְּצִדְקָתֶךָ:
Een psalm van David. O Eeuwige, luister naar mijn gebed, neig Uw oor tot mijn smeekbeden; antwoord mij in Uw trouw, in Uw gerechtigheid.
וְאַל תָּבוֹא בְמִשְׁפָּט אֶת עַבְדֶּךָ כִּי לֹא יִצְדַּק לְפָנֶיךָ כָל חָי:
En ga niet in het gericht met Uw dienaar, want geen levende is voor U rechtvaardig.
כִּי רָדַף אוֹיֵב נַפְשִׁי דִּכָּא לָאָרֶץ חַיָּתִי הוֹשִׁיבַנִי בְמַחֲשַׁכִּים כְּמֵתֵי עוֹלָם:
Want de vijand heeft mijn ziel vervolgd; hij heeft mijn leven tegen de grond verbrijzeld; hij heeft mij in duistere oorden doen wonen, als wie sinds lang dood zijn.
וַתִּתְעַטֵּף עָלַי רוּחִי בְּתוֹכִי יִשְׁתּוֹמֵם לִבִּי:
En mijn geest versmacht in mij; in mijn binnenste is mijn hart verstijfd.
זָכַרְתִּי יָמִים מִקֶּדֶם הָגִיתִי בְכָל פָּעֳלֶךָ בְּמַעֲשֵׂה יָדֶיךָ אֲשׂוֹחֵחַ:
Ik denk aan de dagen van weleer; ik overdenk al Uw werken; ik spreek over het werk van Uw handen.
פֵּרַשְׂתִּי יָדַי אֵלֶיךָ נַפְשִׁי כְּאֶרֶץ עֲיֵפָה לְךָ סֶלָה:
Ik spreid mijn handen naar U uit; mijn ziel dorst naar U als een uitgedroogd land. Sela.
מַהֵר עֲנֵנִי יְהוָה כָּלְתָה רוּחִי אַל תַּסְתֵּר פָּנֶיךָ מִמֶּנִּי וְנִמְשַׁלְתִּי עִם יֹרְדֵי בוֹר:
Antwoord mij spoedig, o Eeuwige, mijn geest bezwijkt. Verberg Uw aangezicht niet voor mij, opdat ik niet word als wie in de kuil neerdalen.
הַשְׁמִיעֵנִי בַבֹּקֶר חַסְדֶּךָ כִּי בְךָ בָטָחְתִּי הוֹדִיעֵנִי דֶּרֶךְ זוּ אֵלֵךְ כִּי אֵלֶיךָ נָשָׂאתִי נַפְשִׁי:
Laat mij in de morgen Uw goedertierenheid horen, want op U vertrouw ik; doe mij de weg kennen die ik gaan moet, want tot U hef ik mijn ziel op.
הַצִּילֵנִי מֵאֹיְבַי יְהוָה אֵלֶיךָ כִסִּתִי:
Red mij van mijn vijanden, o Eeuwige; bij U schuil ik.
לַמְּדֵנִי לַעֲשׂוֹת רְצוֹנֶךָ כִּי אַתָּה אֱלוֹהָי רוּחֲךָ טוֹבָה תַּנְחֵנִי בְּאֶרֶץ מִישׁוֹר:
Leer mij Uw wil te doen, want U bent mijn God; moge Uw goede geest mij leiden over effen grond.
לְמַעַן שִׁמְךָ יְהוָה תְּחַיֵּנִי בְּצִדְקָתְךָ תוֹצִיא מִצָּרָה נַפְשִׁי:
Omwille van Uw Naam, o Eeuwige, houd mij in leven; in Uw gerechtigheid voer mijn ziel uit de benauwdheid.
וּבְחַסְדְּךָ תַּצְמִית אֹיְבָי וְהַאֲבַדְתָּ כָּל צֹרֲרֵי נַפְשִׁי כִּי אֲנִי עַבְדֶּךָ:
En in Uw goedertierenheid zult U mijn vijanden verdelgen, en alle verdrukkers van mijn ziel vernietigen, want ik ben Uw dienaar.