הַלְלוּיָהּ הַלְלוּ אֶת יְהוָה מִן הַשָּׁמַיִם הַלְלוּהוּ בַּמְּרוֹמִים:
Halleluja! Loof de Eeuwige vanuit de hemel, loof Hem in de hoogten.
הַלְלוּהוּ כָל מַלְאָכָיו הַלְלוּהוּ כָּל (צבאו) צְבָאָיו:
Loof Hem, al Zijn engelen; loof Hem, al Zijn heerscharen.
הַלְלוּהוּ שֶׁמֶשׁ וְיָרֵחַ הַלְלוּהוּ כָּל כּוֹכְבֵי אוֹר:
Loof Hem, zon en maan; loof Hem, alle sterren van de nacht.
הַלְלוּהוּ שְׁמֵי הַשָּׁמָיִם וְהַמַּיִם אֲשֶׁר מֵעַל הַשָּׁמָיִם:
Loof Hem, hoogste hemelen, en het water dat boven de hemel is.
יְהַלְלוּ אֶת שֵׁם יְהוָה כִּי הוּא צִוָּה וְנִבְרָאוּ:
Laat hen de Naam van de Eeuwige loven, want Hij gebood en zij werden geschapen.
וַיַּעֲמִידֵם לָעַד לְעוֹלָם חָק נָתַן וְלֹא יַעֲבוֹר:
En Hij heeft hen voor eeuwig en altijd bevestigd; Hij heeft een wet gegeven, die niet zal voorbijgaan.
הַלְלוּ אֶת יְהוָה מִן הָאָרֶץ תַּנִּינִים וְכָל תְּהֹמוֹת:
Loof de Eeuwige vanuit de aarde, zeemonsters en alle diepten,
אֵשׁ וּבָרָד שֶׁלֶג וְקִיטוֹר רוּחַ סְעָרָה עֹשָׂה דְבָרוֹ:
vuur en hagel, sneeuw en damp, stormwind die Zijn woord volbrengt,
הֶהָרִים וְכָל גְּבָעוֹת עֵץ פְּרִי וְכָל אֲרָזִים:
de bergen en alle heuvels, vruchtbomen en alle ceders,
הַחַיָּה וְכָל בְּהֵמָה רֶמֶשׂ וְצִפּוֹר כָּנָף:
de wilde dieren en al het vee, kruipende dieren en gevleugelde vogels,
מַלְכֵי אֶרֶץ וְכָל לְאֻמִּים שָׂרִים וְכָל שֹׁפְטֵי אָרֶץ:
koningen van de aarde en alle volken, vorsten en alle rechters van de aarde,
בַּחוּרִים וְגַם בְּתוּלוֹת זְקֵנִים עִם נְעָרִים:
jongemannen en ook jonge meisjes, ouden van dagen tezamen met jongens,
יְהַלְלוּ אֶת שֵׁם יְהוָה כִּי נִשְׂגָּב שְׁמוֹ לְבַדּוֹ הוֹדוֹ עַל אֶרֶץ וְשָׁמָיִם:
laten zij de Naam van de Eeuwige loven, want Zijn Naam alleen is verheven; Zijn luister is op aarde en in de hemel.
וַיָּרֶם קֶרֶן לְעַמּוֹ תְּהִלָּה לְכָל חֲסִידָיו לִבְנֵי יִשְׂרָאֵל עַם קְרֹבוֹ הַלְלוּיָהּ:
En Hij heeft de hoorn van Zijn volk verhoogd, lof voor al Zijn vromen, voor de kinderen van Israël, het volk dat Hem nabij is. Halleluja!