לְדָוִד יְהוָה אוֹרִי וְיִשְׁעִי מִמִּי אִירָא יְהוָה מָעוֹז חַיַּי מִמִּי אֶפְחָד:
Van David. De Eeuwige is mijn licht en mijn heil; voor wie zou ik vrezen? De Eeuwige is de vesting van mijn leven; voor wie zou ik schrikken?
בִּקְרֹב עָלַי מְרֵעִים לֶאֱכֹל אֶת בְּשָׂרִי צָרַי וְאֹיְבַי לִי הֵמָּה כָשְׁלוּ וְנָפָלוּ:
Wanneer boosdoeners mij naderen om mijn vlees te verslinden, mijn tegenstanders en mijn vijanden tegen mij, zij struikelden en vielen.
אִם תַּחֲנֶה עָלַי מַחֲנֶה לֹא יִירָא לִבִּי אִם תָּקוּם עָלַי מִלְחָמָה בְּזֹאת אֲנִי בוֹטֵחַ:
Al legert zich een leger tegen mij, mijn hart zal niet vrezen; al verheft zich een oorlog tegen mij, hierop vertrouw ik.
אַחַת שָׁאַלְתִּי מֵאֵת יְהוָה אוֹתָהּ אֲבַקֵּשׁ שִׁבְתִּי בְּבֵית יְהוָה כָּל יְמֵי חַיַּי לַחֲזוֹת בְּנֹעַם יְהוָה וּלְבַקֵּר בְּהֵיכָלוֹ:
Eén [ding] vraag ik van de Eeuwige, dat ik zoek: dat ik mag wonen in het huis van de Eeuwige al de dagen van mijn leven, om de lieflijkheid van de Eeuwige te aanschouwen en elke morgen Zijn Tempel te bezoeken.
כִּי יִצְפְּנֵנִי בְּסֻכֹּה בְּיוֹם רָעָה יַסְתִּרֵנִי בְּסֵתֶר אָהֳלוֹ בְּצוּר יְרוֹמְמֵנִי:
Dat Hij mij zal verbergen in Zijn tabernakel op de dag van onheil; Hij zal mij verschuilen in de verborgenheid van Zijn tent; Hij zal mij omhoog heffen op een rots.
וְעַתָּה יָרוּם רֹאשִׁי עַל אֹיְבַי סְבִיבוֹתַי וְאֶזְבְּחָה בְאָהֳלוֹ זִבְחֵי תְרוּעָה אָשִׁירָה וַאֲזַמְּרָה לַיהוָה:
En nu zal mijn hoofd verheven worden boven mijn vijanden rondom mij, en ik zal in Zijn tent offers brengen met jubelend gezang; ik zal zingen en lof zingen voor de Eeuwige.
שְׁמַע יְהוָה קוֹלִי אֶקְרָא וְחָנֵּנִי וַעֲנֵנִי:
Hoor, Eeuwige, naar mijn stem [waarmee] ik roep, en wees mij genadig en antwoord mij.
לְךָ אָמַר לִבִּי בַּקְּשׁוּ פָנָי אֶת פָּנֶיךָ יְהוָה אֲבַקֵּשׁ:
Namens U zegt mijn hart: "Zoek Mijn aangezicht." Uw aangezicht, Eeuwige, zal ik zoeken.
אַל תַּסְתֵּר פָּנֶיךָ מִמֶּנִּי אַל תַּט בְּאַף עַבְדֶּךָ עֶזְרָתִי הָיִיתָ אַל תִּטְּשֵׁנִי וְאַל תַּעַזְבֵנִי אֱלֹהֵי יִשְׁעִי:
Verberg Uw aangezicht niet voor mij; wijs Uw dienaar niet af in toorn. U was mijn hulp; verlaat mij niet en laat mij niet in de steek, o God van mijn heil.
כִּי אָבִי וְאִמִּי עֲזָבוּנִי וַיהוָה יַאַסְפֵנִי:
Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de Eeuwige neemt mij op.
הוֹרֵנִי יְהוָה דַּרְכֶּךָ וּנְחֵנִי בְּאֹרַח מִישׁוֹר לְמַעַן שׁוֹרְרָי:
Onderwijs mij, Eeuwige, in Uw weg, en leid mij op het effen pad vanwege hen die mij belagen.
אַל תִּתְּנֵנִי בְּנֶפֶשׁ צָרָי כִּי קָמוּ בִי עֵדֵי שֶׁקֶר וִיפֵחַ חָמָס:
Geef mij niet over aan de begeerten van mijn tegenstanders, want valse getuigen en die kwaad spreken zijn tegen mij opgestaan.
לוּלֵא הֶאֱמַנְתִּי לִרְאוֹת בְּטוּב יְהוָה בְּאֶרֶץ חַיִּים:
Had ik maar niet geloofd dat ik het goede van de Eeuwige zou zien in het land van de levenden!
קַוֵּה אֶל יְהוָה חֲזַק וְיַאֲמֵץ לִבֶּךָ וְקַוֵּה אֶל יְהוָה:
Hoop op de Eeuwige, wees sterk en Hij zal uw hart moed geven, en hoop op de Eeuwige.