מִזְמוֹר שִׁיר חֲנֻכַּת הַבַּיִת לְדָוִד:
Een psalm; een lied bij de inwijding van het Huis, van David.
אֲרוֹמִמְךָ יְהוָה כִּי דִלִּיתָנִי וְלֹא שִׂמַּחְתָּ אֹיְבַי לִי:
Ik zal U verhogen, Eeuwige, want U hebt mij opgericht, en U hebt mijn vijanden niet over mij laten juichen.
יְהוָה אֱלֹהָי שִׁוַּעְתִּי אֵלֶיךָ וַתִּרְפָּאֵנִי:
Eeuwige, ik heb tot U geroepen, en U hebt mij genezen.
יְהוָה הֶעֱלִיתָ מִן שְׁאוֹל נַפְשִׁי חִיִּיתַנִי (מיורדי) מִיָּרְדִי בוֹר:
Eeuwige, U hebt mijn ziel uit het graf gehaald; U hebt mij doen herleven van mijn neerdaling in de Groeve.
זַמְּרוּ לַיהוָה חֲסִידָיו וְהוֹדוּ לְזֵכֶר קָדְשׁוֹ:
Zing voor de Eeuwige, Zijn vromen, en dank Zijn heilige Naam.
כִּי רֶגַע בְּאַפּוֹ חַיִּים בִּרְצוֹנוֹ בָּעֶרֶב יָלִין בֶּכִי וְלַבֹּקֶר רִנָּה:
Want Zijn toorn duurt slechts een ogenblik; leven komt voort uit Zijn welbehagen; in de avond mag het wenen vertoeven, maar in de morgen is er jubelend gezang.
וַאֲנִי אָמַרְתִּי בְשַׁלְוִי בַּל אֶמּוֹט לְעוֹלָם:
En ik zei in mijn zorgeloosheid: "Ik zal nimmer wankelen."
יְהוָה בִּרְצוֹנְךָ הֶעֱמַדְתָּה לְהַרְרִי עֹז הִסְתַּרְתָּ פָנֶיךָ הָיִיתִי נִבְהָל:
Eeuwige, met Uw welbehagen hebt U mijn berg als sterkte gevestigd, U verborg Uw aangezicht en ik werd verschrikt.
אֵלֶיךָ יְהוָה אֶקְרָא וְאֶל אֲדֹנָי אֶתְחַנָּן:
Tot U, Eeuwige, riep ik, en tot de Eeuwige smeekte ik.
מַה בֶּצַע בְּדָמִי בְּרִדְתִּי אֶל שָׁחַת הֲיוֹדְךָ עָפָר הֲיַגִּיד אֲמִתֶּךָ:
"Welk gewin is er in mijn bloed, in mijn neerdaling in het graf? Zal het stof U danken; zal het Uw waarheid verkondigen?
שְׁמַע יְהוָה וְחָנֵּנִי יְהוָה הֱיֵה עֹזֵר לִי:
Hoor, Eeuwige, en wees mij genadig; Eeuwige, wees mijn helper."
הָפַכְתָּ מִסְפְּדִי לְמָחוֹל לִי פִּתַּחְתָּ שַׂקִּי וַתְּאַזְּרֵנִי שִׂמְחָה:
U hebt mijn rouwklacht voor mij veranderd in een reidans; U hebt mijn rouwgewaad losgemaakt en mij met vreugde omgord.
לְמַעַן יְזַמֶּרְךָ כָבוֹד וְלֹא יִדֹּם יְהוָה אֱלֹהַי לְעוֹלָם אוֹדֶךָּ:
Opdat mijn ziel U lof zal zingen en niet zal zwijgen. Eeuwige, mijn God, ik zal U voor eeuwig danken.