רַנְּנוּ צַדִּיקִים בַּיהוָה לַיְשָׁרִים נָאוָה תְהִלָּה:
Zingt lofzangen voor de Eeuwige, o u rechtvaardigen; voor de oprechten is lof passend.
הוֹדוּ לַיהוָה בְּכִנּוֹר בְּנֵבֶל עָשׂוֹר זַמְּרוּ לוֹ:
Dankt de Eeuwige met de harp; met een tiensnarige luit maakt muziek voor Hem.
שִׁירוּ לוֹ שִׁיר חָדָשׁ הֵיטִיבוּ נַגֵּן בִּתְרוּעָה:
Zingt voor Hem een nieuw lied; speelt schoon met vreugdegeroep.
כִּי יָשָׁר דְּבַר יְהוָה וְכָל מַעֲשֵׂהוּ בֶּאֱמוּנָה:
Want het woord van de Eeuwige is oprecht, en al Zijn daden zijn met trouw.
אֹהֵב צְדָקָה וּמִשְׁפָּט חֶסֶד יְהוָה מָלְאָה הָאָרֶץ:
Hij heeft gerechtigheid en recht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid van de Eeuwige.
בִּדְבַר יְהוָה שָׁמַיִם נַעֲשׂוּ וּבְרוּחַ פִּיו כָּל צְבָאָם:
Door het woord van de Eeuwige zijn de hemelen gemaakt, en door de adem van Zijn mond heel hun heir.
כֹּנֵס כַּנֵּד מֵי הַיָּם נֹתֵן בְּאֹצָרוֹת תְּהוֹמוֹת:
Hij verzamelt het water van de zee als een hoop; Hij legt de diepten in schatkamers.
יִירְאוּ מֵיְהוָה כָּל הָאָרֶץ מִמֶּנּוּ יָגוּרוּ כָּל יֹשְׁבֵי תֵבֵל:
Laat heel de aarde de Eeuwige vrezen; laat alle bewoners van de wereld voor Hem in ontzag staan.
כִּי הוּא אָמַר וַיֶּהִי הוּא צִוָּה וַיַּעֲמֹד:
Want Hij sprak en het geschiedde; Hij gebood en het hield stand.
יְהוָה הֵפִיר עֲצַת גּוֹיִם הֵנִיא מַחְשְׁבוֹת עַמִּים:
De Eeuwige verijdelde de raad van de volken; Hij maakte de plannen van de naties teniet.
עֲצַת יְהוָה לְעוֹלָם תַּעֲמֹד מַחְשְׁבוֹת לִבּוֹ לְדֹר וָדֹר:
De raad van de Eeuwige zal voor altijd standhouden; de plannen van Zijn hart tot alle geslachten.
אַשְׁרֵי הַגּוֹי אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהָיו הָעָם בָּחַר לְנַחֲלָה לוֹ:
Gelukkig is het volk wiens God de Eeuwige is, het volk dat Hij verkoos tot Zijn erfdeel.
מִשָּׁמַיִם הִבִּיט יְהוָה רָאָה אֶת כָּל בְּנֵי הָאָדָם:
De Eeuwige keek uit de hemel; Hij zag alle mensenkinderen.
מִמְּכוֹן שִׁבְתּוֹ הִשְׁגִּיחַ אֶל כָּל יֹשְׁבֵי הָאָרֶץ:
Vanuit Zijn woonplaats slaat Hij alle bewoners van de aarde gade.
הַיֹּצֵר יַחַד לִבָּם הַמֵּבִין אֶל כָּל מַעֲשֵׂיהֶם:
Hij die hun harten tezamen vormt, die al hun daden doorgrondt.
אֵין הַמֶּלֶךְ נוֹשָׁע בְּרָב חָיִל גִּבּוֹר לֹא יִנָּצֵל בְּרָב כֹּחַ:
De koning wordt niet gered door een groot leger; een machtig man wordt niet bevrijd door grote kracht.
שֶׁקֶר הַסּוּס לִתְשׁוּעָה וּבְרֹב חֵילוֹ לֹא יְמַלֵּט:
Een paard is een valse hoop op overwinning, en door zijn macht zal het niet ontkomen.
הִנֵּה עֵין יְהוָה אֶל יְרֵאָיו לַמְיַחֲלִים לְחַסְדּוֹ:
Zie, het oog van de Eeuwige is op hen die Hem vrezen, op hen die op Zijn goedertierenheid hopen,
לְהַצִּיל מִמָּוֶת נַפְשָׁם וּלְחַיּוֹתָם בָּרָעָב:
om hun ziel van de dood te redden en hen in de honger in leven te houden.
נַפְשֵׁנוּ חִכְּתָה לַיהוָה עֶזְרֵנוּ וּמָגִנֵּנוּ הוּא:
Onze ziel wacht op de Eeuwige; Hij is onze hulp en ons schild.
כִּי בוֹ יִשְׂמַח לִבֵּנוּ כִּי בְשֵׁם קָדְשׁוֹ בָטָחְנוּ:
Want ons hart zal zich in Hem verheugen, omdat wij op Zijn heilige Naam hoopten.
יְהִי חַסְדְּךָ יְהוָה עָלֵינוּ כַּאֲשֶׁר יִחַלְנוּ לָךְ:
Moge Uw goedertierenheid, o Eeuwige, over ons zijn, zoals wij op U hoopten.