לְדָוִד בְּשַׁנּוֹתוֹ אֶת טַעְמוֹ לִפְנֵי אֲבִימֶלֶךְ וַיְגָרֲשֵׁהוּ וַיֵּלַךְ:
Van David, toen hij zijn verstand verborg voor Abimelech, waarop deze hem verdreef en hij wegging.
אֲבָרֲכָה אֶת יְהוָה בְּכָל עֵת תָּמִיד תְּהִלָּתוֹ בְּפִי:
Ik zal de Eeuwige te allen tijde zegenen; Zijn lof is altijd in mijn mond.
בַּיהוָה תִּתְהַלֵּל נַפְשִׁי יִשְׁמְעוּ עֲנָוִים וְיִשְׂמָחוּ:
Mijn ziel beroemt zich op de Eeuwige; mogen de nederigen het horen en zich verheugen.
גַּדְּלוּ לַיהוָה אִתִּי וּנְרוֹמְמָה שְׁמוֹ יַחְדָּו:
Verkondigt de grootheid van de Eeuwige met mij, en laten wij Zijn Naam tezamen verheffen.
דָּרַשְׁתִּי אֶת יְהוָה וְעָנָנִי וּמִכָּל מְגוּרוֹתַי הִצִּילָנִי:
Ik zocht de Eeuwige en Hij antwoordde mij, en Hij verloste mij van al mijn verschrikkingen.
הִבִּיטוּ אֵלָיו וְנָהָרוּ וּפְנֵיהֶם אַל יֶחְפָּרוּ:
Zij keken naar Hem en zij straalden, en hun aangezichten zullen niet beschaamd worden.
זֶה עָנִי קָרָא וַיהוָה שָׁמֵעַ וּמִכָּל צָרוֹתָיו הוֹשִׁיעוֹ:
Deze arme riep en de Eeuwige hoorde, en Hij redde hem uit al zijn benauwdheden.
חֹנֶה מַלְאַךְ יְהוָה סָבִיב לִירֵאָיו וַיְחַלְּצֵם:
Een engel van de Eeuwige legert zich rondom hen die Hem vrezen, en Hij redde hen.
טַעֲמוּ וּרְאוּ כִּי טוֹב יְהוָה אַשְׁרֵי הַגֶּבֶר יֶחֱסֶה בּוֹ:
Begrijpt en ziet dat de Eeuwige goed is; gelukkig is de mens die bij Hem schuilt.
יְראוּ אֶת יְהוָה קְדֹשָׁיו כִּי אֵין מַחְסוֹר לִירֵאָיו:
Vreest de Eeuwige, Zijn heiligen; want zij die Hem vrezen lijden geen gebrek.
כְּפִירִים רָשׁוּ וְרָעֵבוּ וְדֹרְשֵׁי יְהוָה לֹא יַחְסְרוּ כָל טוֹב:
Jonge leeuwen lijden gebrek en hebben honger, maar zij die de Eeuwige zoeken ontbreekt geen enkel goed.
לְכוּ בָנִים שִׁמְעוּ לִי יִרְאַת יְהוָה אֲלַמֶּדְכֶם:
Komt, kinderen, luistert naar mij; ik zal u de vreze van de Eeuwige leren.
מִי הָאִישׁ הֶחָפֵץ חַיִּים אֹהֵב יָמִים לִרְאוֹת טוֹב:
Wie is de mens die het leven begeert, die dagen liefheeft om het goede te zien?
נְצֹר לְשׁוֹנְךָ מֵרָע וּשְׂפָתֶיךָ מִדַּבֵּר מִרְמָה:
Behoed uw tong voor het kwaad en uw lippen voor het spreken van bedrog.
סוּר מֵרָע וַעֲשֵׂה טוֹב בַּקֵּשׁ שָׁלוֹם וְרָדְפֵהוּ:
Wijk van het kwaad en doe het goede, zoek de vrede en jaag die na.
עֵינֵי יְהוָה אֶל צַדִּיקִים וְאָזְנָיו אֶל שַׁוְעָתָם:
De ogen van de Eeuwige zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren zijn op hun geroep.
פְּנֵי יְהוָה בְּעֹשֵׂי רָע לְהַכְרִית מֵאֶרֶץ זִכְרָם:
Het aangezicht van de Eeuwige is tegen hen die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.
צָעֲקוּ וַיהוָה שָׁמֵעַ וּמִכָּל צָרוֹתָם הִצִּילָם:
Zij roepen en de Eeuwige luistert, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden.
קָרוֹב יְהוָה לְנִשְׁבְּרֵי לֵב וְאֶת דַּכְּאֵי רוּחַ יוֹשִׁיעַ:
De Eeuwige is nabij de gebrokenen van hart, en Hij redt de verbrijzelden van geest.
רַבּוֹת רָעוֹת צַדִּיק וּמִכֻּלָּם יַצִּילֶנּוּ יְהוָה:
Veel kwaad overkomt de rechtvaardige, maar de Eeuwige redt hem uit dit alles.
שֹׁמֵר כָּל עַצְמוֹתָיו אַחַת מֵהֵנָּה לֹא נִשְׁבָּרָה:
Hij behoedt al zijn beenderen; niet een daarvan werd gebroken.
תְּמוֹתֵת רָשָׁע רָעָה וְשֹׂנְאֵי צַדִּיק יֶאְשָׁמוּ:
Het kwaad zal de goddeloze doden, en zij die de rechtvaardige haten zullen schuldig worden bevonden.
פּוֹדֶה יְהוָה נֶפֶשׁ עֲבָדָיו וְלֹא יֶאְשְׁמוּ כָּל הַחֹסִים בּוֹ:
De Eeuwige verlost de ziel van Zijn dienaren, en allen die bij Hem schuilen zullen niet schuldig worden bevonden.