לַמְנַצֵּחַ לִבְנֵי קֹרַח מַשְׂכִּיל:
Voor de koorleider, van de zonen van Korach, een maskil.
אֱלֹהִים בְּאָזְנֵינוּ שָׁמַעְנוּ אֲבוֹתֵינוּ סִפְּרוּ לָנוּ פֹּעַל פָּעַלְתָּ בִימֵיהֶם בִּימֵי קֶדֶם:
O God, met onze oren hebben wij het gehoord, onze voorvaderen verhaalden ons; U volbracht een daad in hun dagen, in de dagen van weleer.
אַתָּה יָדְךָ גּוֹיִם הוֹרַשְׁתָּ וַתִּטָּעֵם תָּרַע לְאֻמִּים וַתְּשַׁלְּחֵם:
U, met Uw hand verdreef U volken en plantte hen; U bracht onheil over koninkrijken en zond hen weg.
כִּי לֹא בְחַרְבָּם יָרְשׁוּ אָרֶץ וּזְרוֹעָם לֹא הוֹשִׁיעָה לָּמוֹ כִּי יְמִינְךָ וּזְרוֹעֲךָ וְאוֹר פָּנֶיךָ כִּי רְצִיתָם:
Want niet door hun zwaard beërfden zij het land, en hun arm redde hen niet, maar Uw rechterhand en Uw arm en het licht van Uw aangezicht, want U had hen lief.
אַתָּה הוּא מַלְכִּי אֱלֹהִים צַוֵּה יְשׁוּעוֹת יַעֲקֹב:
U bent mijn Koning, o God; gebied de verlossingen van Jakob.
בְּךָ צָרֵינוּ נְנַגֵּחַ בְּשִׁמְךָ נָבוּס קָמֵינוּ:
Met U zullen wij onze tegenstanders neerstoten; met Uw Naam zullen wij hen vertrappen die tegen ons opstaan.
כִּי לֹא בְקַשְׁתִּי אֶבְטָח וְחַרְבִּי לֹא תוֹשִׁיעֵנִי:
Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet redden.
כִּי הוֹשַׁעְתָּנוּ מִצָּרֵינוּ וּמְשַׂנְאֵינוּ הֱבִישׁוֹתָ:
Want U redde ons van onze tegenstanders en U beschaamde hen die ons haten.
בֵּאלֹהִים הִלַּלְנוּ כָל הַיּוֹם וְשִׁמְךָ לְעוֹלָם נוֹדֶה סֶלָה:
Wij roemden ons in God de hele dag lang, en wij zullen voor altijd Uw Naam danken, ja, voor altijd.
אַף זָנַחְתָּ וַתַּכְלִימֵנוּ וְלֹא תֵצֵא בְּצִבְאוֹתֵינוּ:
Toch hebt U ons verstoten en te schande gemaakt, en U trekt niet uit met onze legers.
תְּשִׁיבֵנוּ אָחוֹר מִנִּי צָר וּמְשַׂנְאֵינוּ שָׁסוּ לָמוֹ:
U doet ons terugwijken voor de tegenstander, en onze vijanden plunderen voor zichzelf.
תִּתְּנֵנוּ כְּצֹאן מַאֲכָל וּבַגּוֹיִם זֵרִיתָנוּ:
U levert ons over als schapen om verslonden te worden, en U verstrooit ons onder de volken.
תִּמְכֹּר עַמְּךָ בְלֹא הוֹן וְלֹא רִבִּיתָ בִּמְחִירֵיהֶם:
U verkoopt Uw volk voor niets, en U verhoogde hun prijs niet.
תְּשִׂימֵנוּ חֶרְפָּה לִשְׁכֵנֵינוּ לַעַג וָקֶלֶס לִסְבִיבוֹתֵינוּ:
U maakt ons tot een smaad voor onze buren, een spot en een hoon voor wie ons omringen.
תְּשִׂימֵנוּ מָשָׁל בַּגּוֹיִם מְנוֹד רֹאשׁ בַּלְאֻמִּים:
U maakt ons tot een spreekwoord onder de volken, een reden om het hoofd te schudden onder de koninkrijken.
כָּל הַיּוֹם כְּלִמָּתִי נֶגְדִּי וּבֹשֶׁת פָּנַי כִּסָּתְנִי:
De hele dag is mijn schande voor mij, en de schaamte van mijn aangezicht heeft mij bedekt.
מִקּוֹל מְחָרֵף וּמְגַדֵּף מִפְּנֵי אוֹיֵב וּמִתְנַקֵּם:
Vanwege de stem van wie hoont en lastert, vanwege een vijand en een wreker.
כָּל זֹאת בָּאַתְנוּ וְלֹא שְׁכַחֲנוּךָ וְלֹא שִׁקַּרְנוּ בִּבְרִיתֶךָ:
Dit alles is ons overkomen en wij hebben U niet vergeten, en wij hebben Uw verbond niet verraden.
לֹא נָסוֹג אָחוֹר לִבֵּנוּ וַתֵּט אֲשֻׁרֵינוּ מִנִּי אָרְחֶךָ:
Ons hart is niet teruggeweken, en onze schreden zijn niet afgeweken van Uw pad
כִּי דִכִּיתָנוּ בִּמְקוֹם תַּנִּים וַתְּכַס עָלֵינוּ בְצַלְמָוֶת:
zelfs toen U ons verbrijzelde in een oord van slangen, en U ons met duisternis bedekte.
אִם שָׁכַחְנוּ שֵׁם אֱלֹהֵינוּ וַנִּפְרֹשׂ כַּפֵּינוּ לְאֵל זָר:
Als wij de naam van onze God vergeten waren en onze handen naar een vreemde god hadden uitgestrekt,
הֲלֹא אֱלֹהִים יַחֲקָר זֹאת כִּי הוּא יֹדֵעַ תַּעֲלֻמוֹת לֵב:
Zou God dit dan niet doorgronden? Want Hij kent de geheimen van het hart.
כִּי עָלֶיךָ הֹרַגְנוּ כָל הַיּוֹם נֶחְשַׁבְנוּ כְּצֹאן טִבְחָה:
Want omwille van U worden wij de hele dag gedood, worden wij beschouwd als schapen voor de slacht.
עוּרָה לָמָּה תִישַׁן אֲדֹנָי הָקִיצָה אַל תִּזְנַח לָנֶצַח:
Ontwaak! Waarom zoudt U slapen, o Eeuwige? Word wakker, verstoot ons niet voor altijd.
לָמָּה פָנֶיךָ תַסְתִּיר תִּשְׁכַּח עָנְיֵנוּ וְלַחֲצֵנוּ:
Waarom verbergt U Uw aangezicht? Waarom vergeet U onze ellende en verdrukking?
כִּי שָׁחָה לֶעָפָר נַפְשֵׁנוּ דָּבְקָה לָאָרֶץ בִּטְנֵנוּ:
Want onze ziel is neergebogen in het stof, onze buik kleeft aan de aarde.
קוּמָה עֶזְרָתָה לָּנוּ וּפְדֵנוּ לְמַעַן חַסְדֶּךָ:
Sta op om ons te helpen en verlos ons omwille van Uw goedertierenheid.