לַמְנַצֵּחַ עַל יוֹנַת אֵלֶם רְחֹקִים לְדָוִד מִכְתָּם בֶּאֱחֹז אֹתוֹ פְלִשְׁתִּים בְּגַת:
Voor de koorleider, op de jonat elem rechokim, van David een michtam, toen de Filistijnen hem in Gat grepen.
חָנֵּנִי אֱלֹהִים כִּי שְׁאָפַנִי אֱנוֹשׁ כָּל הַיּוֹם לֹחֵם יִלְחָצֵנִי:
Wees mij genadig, o God, want mensen hunkeren ernaar mij te verslinden; de hele dag verdrukt de strijder mij.
שָׁאֲפוּ שׁוֹרְרַי כָּל הַיּוֹם כִּי רַבִּים לֹחֲמִים לִי מָרוֹם:
Zij die mij begluren, hunkeren ernaar mij de hele dag te verslinden, want velen strijden tegen mij, o Allerhoogste.
יוֹם אִירָא אֲנִי אֵלֶיךָ אֶבְטָח:
Op de dag dat ik vrees, zal ik op U hopen.
בֵּאלֹהִים אֲהַלֵּל דְּבָרוֹ בֵּאלֹהִים בָּטַחְתִּי לֹא אִירָא מַה יַּעֲשֶׂה בָשָׂר לִי:
Met God zal ik Zijn woord prijzen; op God heb ik vertrouwd, ik zal niet vrezen. Wat kan vlees mij doen?
כָּל הַיּוֹם דְּבָרַי יְעַצֵּבוּ עָלַי כָּל מַחְשְׁבֹתָם לָרָע:
De hele dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten over mij zijn op kwaad gericht.
יָגוּרוּ (יצפינו) יִצְפּוֹנוּ הֵמָּה עֲקֵבַי יִשְׁמֹרוּ כַּאֲשֶׁר קִוּוּ נַפְשִׁי:
Zij scholen samen, zij verbergen zich, zij bespieden mijn schreden, terwijl zij azen op mijn leven.
עַל אָוֶן פַּלֶּט לָמוֹ בְּאַף עַמִּים הוֹרֵד אֱלֹהִים:
Zouden zij door ongerechtigheid ontkomen? Stort de volken neer in toorn, o God.
נֹדִי סָפַרְתָּה אָתָּה שִׂימָה דִמְעָתִי בְנֹאדֶךָ הֲלֹא בְּסִפְרָתֶךָ:
Mijn omzwervingen hebt U geteld; doe mijn tranen in Uw kruik. Staan zij niet in Uw boek?
אָז יָשׁוּבוּ אוֹיְבַי אָחוֹר בְּיוֹם אֶקְרָא זֶה יָדַעְתִּי כִּי אֱלֹהִים לִי:
Dan zullen mijn vijanden terugwijken op de dag dat ik roep. Hieraan zal ik weten dat ik een God heb.
בֵּאלֹהִים אֲהַלֵּל דָּבָר בַּיהוָה אֲהַלֵּל דָּבָר:
Met God zal ik een woord prijzen; met de Eeuwige zal ik een woord prijzen.
בֵּאלֹהִים בָּטַחְתִּי לֹא אִירָא מַה יַּעֲשֶׂה אָדָם לִי:
Op God heb ik vertrouwd, ik zal niet vrezen. Wat kan een mens mij doen?
עָלַי אֱלֹהִים נְדָרֶיךָ אֲשַׁלֵּם תּוֹדֹת לָךְ:
Op mij rusten, o God, Uw geloften; ik zal U dankoffers brengen.
כִּי הִצַּלְתָּ נַפְשִׁי מִמָּוֶת הֲלֹא רַגְלַי מִדֶּחִי לְהִתְהַלֵּךְ לִפְנֵי אֱלֹהִים בְּאוֹר הַחַיִּים:
Want U hebt mijn ziel van de dood gered, ja, mijn voeten van struikelen, om voor God te wandelen in het licht van het leven.