Tehilliem

56

לַמְנַצֵּחַ עַל יוֹנַת אֵלֶם רְחֹקִים לְדָוִד מִכְתָּם בֶּאֱחֹז אֹתוֹ פְלִשְׁתִּים בְּגַת:

Voor de koorleider, op de jonat elem rechokim, van David een michtam, toen de Filistijnen hem in Gat grepen.

חָנֵּנִי אֱלֹהִים כִּי שְׁאָפַנִי אֱנוֹשׁ כָּל הַיּוֹם לֹחֵם יִלְחָצֵנִי:

Wees mij genadig, o God, want mensen hunkeren ernaar mij te verslinden; de hele dag verdrukt de strijder mij.

שָׁאֲפוּ שׁוֹרְרַי כָּל הַיּוֹם כִּי רַבִּים לֹחֲמִים לִי מָרוֹם:

Zij die mij begluren, hunkeren ernaar mij de hele dag te verslinden, want velen strijden tegen mij, o Allerhoogste.

יוֹם אִירָא אֲנִי אֵלֶיךָ אֶבְטָח:

Op de dag dat ik vrees, zal ik op U hopen.

בֵּאלֹהִים אֲהַלֵּל דְּבָרוֹ בֵּאלֹהִים בָּטַחְתִּי לֹא אִירָא מַה יַּעֲשֶׂה בָשָׂר לִי:

Met God zal ik Zijn woord prijzen; op God heb ik vertrouwd, ik zal niet vrezen. Wat kan vlees mij doen?

כָּל הַיּוֹם דְּבָרַי יְעַצֵּבוּ עָלַי כָּל מַחְשְׁבֹתָם לָרָע:

De hele dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten over mij zijn op kwaad gericht.

יָגוּרוּ (יצפינו) יִצְפּוֹנוּ הֵמָּה עֲקֵבַי יִשְׁמֹרוּ כַּאֲשֶׁר קִוּוּ נַפְשִׁי:

Zij scholen samen, zij verbergen zich, zij bespieden mijn schreden, terwijl zij azen op mijn leven.

עַל אָוֶן פַּלֶּט לָמוֹ בְּאַף עַמִּים הוֹרֵד אֱלֹהִים:

Zouden zij door ongerechtigheid ontkomen? Stort de volken neer in toorn, o God.

נֹדִי סָפַרְתָּה אָתָּה שִׂימָה דִמְעָתִי בְנֹאדֶךָ הֲלֹא בְּסִפְרָתֶךָ:

Mijn omzwervingen hebt U geteld; doe mijn tranen in Uw kruik. Staan zij niet in Uw boek?

אָז יָשׁוּבוּ אוֹיְבַי אָחוֹר בְּיוֹם אֶקְרָא זֶה יָדַעְתִּי כִּי אֱלֹהִים לִי:

Dan zullen mijn vijanden terugwijken op de dag dat ik roep. Hieraan zal ik weten dat ik een God heb.

בֵּאלֹהִים אֲהַלֵּל דָּבָר בַּיהוָה אֲהַלֵּל דָּבָר:

Met God zal ik een woord prijzen; met de Eeuwige zal ik een woord prijzen.

בֵּאלֹהִים בָּטַחְתִּי לֹא אִירָא מַה יַּעֲשֶׂה אָדָם לִי:

Op God heb ik vertrouwd, ik zal niet vrezen. Wat kan een mens mij doen?

עָלַי אֱלֹהִים נְדָרֶיךָ אֲשַׁלֵּם תּוֹדֹת לָךְ:

Op mij rusten, o God, Uw geloften; ik zal U dankoffers brengen.

כִּי הִצַּלְתָּ נַפְשִׁי מִמָּוֶת הֲלֹא רַגְלַי מִדֶּחִי לְהִתְהַלֵּךְ לִפְנֵי אֱלֹהִים בְּאוֹר הַחַיִּים:

Want U hebt mijn ziel van de dood gered, ja, mijn voeten van struikelen, om voor God te wandelen in het licht van het leven.